GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.122.653/01 arrest van 10 december 2013 in de zaak van Peter Ernst Butterman, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V., kantoorhoudende te [vestigingsplaats], appellant, advocaat: mr. P.E. Butterman te Breda, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. M.T. Rustenburg te Rosmalen, op het bij exploot van dagvaarding van 11 januari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 17 oktober 2012 tussen appellant – de curator – als verweerder tot verificatie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser tot verificatie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 251190/HA ZA 12-471) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met producties; - de memorie van antwoord met producties; - het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd; Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 4.1.1. In april 1993 heeft Bouwbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V. het voormalige bedrijfsterrein van Campina Melkunie gekocht, aan de [straatnaam] in [plaats] (hierna: het bedrijfsterrein). Het doel was de locatie te ontwikkelen voor woningbouw. Vooruitlopend daarop moest het terrein gesaneerd worden vanwege een grond- en grondwater verontreiniging. 4.1.2. Bij beschikking van 26 juli 1995 (prod. 2 bij akte tot het formuleren van eis) is aan Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V., later overgegaan in Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V. (hierna: [Aannemersbedrijf]), een vergunning verleend voor het tijdelijk onttrekken van grondwater ten behoeve van de grond- en grondwatersanering. Aan de vergunning zijn diverse voorwaarden verbonden. 4.1.3. De grondwatersanering bestond uit 2 stappen. Op 11 oktober 1996 is stap 1 van de grondwatersanering gestart. Deze is geëindigd op 7 juli 2000. Stap 2 is nooit opgestart. 4.1.4. De woning van [geïntimeerde] is gelegen aan de [straatnaam] in [plaats]. 4.1.5. In een rapport van 29 februari 2000 (prod. 14 bij akte tot het formuleren van eis) is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “SCHADE-RAPPORT VOOR: Fam. [geïntimeerde] [straatnaam] [huisnummer A] [postcode] [plaats] W.A. Schade aan woonhuis Opgemaakt door: NASSAU-POORT Expertisebureau BV (…) Expert: De heer [expert] (…) De schade is van dusdanige omvang dat reparatie van de gevels geen haalbare zaak meer is, daar het aantal scheuren is verdubbeld en bestaande scheuren verder uiteen zijn gezet. We hebben de voorgevel, linker- en rechter zijgevel geheel opgenomen om deze te vervangen naar rato, gedeeltelijk schade. Om deze reden hanteren we een percentage van 0,70% i.v.m. reeds bestaande scheuren. (…) TOTAALOVERZICHT SCHADE (…) 156.360,76 (hof: dit was een bedrag in guldens, zie hierna 4.2.)” 4.1.6. In 2006 heeft [geïntimeerde] zijn woning laten slopen en herbouwen. 4.1.7. Op 17 mei 2011 is [Aannemersbedrijf] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator in hoedanigheid. 4.1.8. In juli 2011 heeft Stichting Achmea Rechtsbijstand “de [Aannemersbedrijf] Groep” schriftelijk aansprakelijk gesteld voor schade aan de woning van [geïntimeerde]. 4.1.9. Bij brief van 15 juli 2011 heeft Bouwbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V. aan Stichting Achmea Rechtsbijstand meegedeeld dat door genoemd bouwbedrijf nimmer saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat van enige aansprakelijkheid ten gevolge van welke sanering dan ook geen sprake is. Voorts is in deze brief verwezen naar in het verleden door [Aannemersbedrijf] in de [straatnaam] uitgevoerde saneringswerkzaamheden. 4.1.10. Bij brief van 3 april 2012 heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij de curator een vordering van € 156.360,76 te vermeerderen met wettelijke rente ingediend. 4.1.11. Blijkens het proces-verbaal van de verificatievergadering van 6 april 2012 in het faillissement van [Aannemersbedrijf] heeft de curator verzocht de vordering van [geïntimeerde] van € 156.360,76 te plaatsen op de lijst van voorlopig betwiste vorderingen. Vervolgens heeft de rechter-commissaris in genoemd faillissement partijen ten aanzien van de betwiste vorderingen verwezen naar de rolzitting van 5 september 2012 van de rechtbank voor de renvooiprocedure. 4.1.12. Op 20 juli 2012 heeft de opsteller van het schaderapport (4.1.5.), [expert] van Nassau Poort Expertisebureau B.V. (hierna: [expert]), voor zover hier relevant, het volgende verklaard: “(…) De heer [geïntimeerde] heeft mij in 1995 al – voor aanvang van de saneringswerkzaamheden in de [straatnaam] in [plaats] – verzocht om foto’s (vooropnamen) van zijn woning te maken. (in de jaren 1993 t/m 1995 werden de funderingen en ondergronds tanks gesaneerd). Na de sanering , in 2000, ben ik weer bij zijn woning geweest. De woning vertoonde toen ernstige scheurvorming en was deels verzakt. (…) Over de oorzaak van de scheurvorming en de verzakking kan ik het volgende opmerken.(…)” 4.2. Bij akte tot het formuleren van eis/vordering tot verificatie (hierna: de akte) heeft [geïntimeerde] gevorderd dat zijn vordering ad in totaal € 126.438,03 (hoofdsom € 70.953,42, te weten de tegenwaarde in euro’s van het in het schaderapport (4.1.5.) genoemde bedrag in guldens van 156.360,76, vermeerderd met wettelijke rente) wordt erkend, met het bijbehorende voorrecht ex artikel 3:287 BW. 4.3. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [Aannemersbedrijf] onrechtmatig heeft gehandeld bij de grondwatersanering. Volgens [geïntimeerde] heeft [Aannemersbedrijf], kort gezegd, de aan de vergunning verbonden voorwaarden niet nageleefd en is hierdoor schade aan de woning van [Aannemersbedrijf] ontstaan. Voor zover deze vordering gedekt is onder de aansprakelijkheidsverzekering van [Aannemersbedrijf], komt [geïntimeerde] een preferentie toe ex artikel 3:287 BW, aldus [geïntimeerde]. 4.4. Op de rolzitting van 5 september 2012 is aan de curator verval van het recht verleend om de conclusie van antwoord tot verificatie te nemen. 4.5. In het bestreden vonnis van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] met het bijbehorende voorrecht ex artikel 3:287 BW in het faillissement van [Aannemersbedrijf] erkend tot een bedrag van € 126.438,03 en de curator in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. 4.6. De grieven hebben betrekking op deze erkenning van de vordering van [geïntimeerde] door de rechtbank en op de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Volgens de curator is de vordering van [geïntimeerde] verjaard en is er geen sprake van de gestelde onrechtmatige daad van [Aannemersbedrijf]. Nu het beroep van de curator op verjaring het meest verstrekkend is, zal het hof dit eerst beoordelen. Daarbij gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat er sprake was van de door [geïntimeerde] gestelde (maar door de curator betwiste) schade aan de woning van [geïntimeerde] en dat [Aannemersbedrijf] hiervoor aansprakelijk was. 4.7. De curator brengt naar voren dat het volgens [geïntimeerde] gaat om een schade toebrengende gebeurtenis in 1997-1998 en dat de door [geïntimeerde] gestelde schade toen al zichtbaar moet zijn geweest. De curator stelt dat (voor zover er sprake is van de door de curator betwiste aansprakelijkheid) [geïntimeerde] al in 2000 bekend was met de aansprakelijke rechtspersoon, althans daarmee bekend had kunnen en moeten zijn. 4.8. Volgens [geïntimeerde] zijn de scheurvorming aan en verzakking van zijn woning ontstaan rond 1997/1998 en later nog verergerd. [geïntimeerde] voert aan dat hij pas in juli 2011 bekend is geworden met de voor die schade aansprakelijke (rechts)persoon, zodat de verjaringstermijn pas in 2011 is gaan lopen en zijn vordering nog niet is verjaard. 4.9. Het hof stelt het volgende voorop. De in artikel 3:310 lid 1 BW bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Dit neemt niet weg dat degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet kan beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon. Indien die identiteit gemakkelijk kan worden vastgesteld, mag van de benadeelde in beginsel worden verlangd dat hij zich in enige mate inspant om erachter te komen wie voor de schade aansprakelijk is. Het verdraagt zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang neemt (ECLI:NL:HR:2010:BN6241). 4.10. Vast staat dat voor [geïntimeerde] de schade aan zijn huis al in de periode 1997-1998 (deels) zichtbaar was (4.8.). De gestelde schade is vervolgens op 29 februari 2000 in kaart gebracht door [expert] (4.1.5.), zodat [geïntimeerde] in elk geval vanaf laatstgenoemd moment bekend was met de schade. 4.11. [geïntimeerde] heeft niet, althans onvoldoende betwist dat hij er (in elk geval) in 2000 al van uit ging, dat de schade was veroorzaakt door diegene die de grond(water)sanering op het bedrijfsterrein heeft uitgevoerd. Dit sluit ook aan bij zijn stellingen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.