GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.071.971/01 arrest van 17 december 2013 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. F. Dijkslag, tegen: [geïntimeerde] DAKBEDEKKINGEN B.V., gevestigd te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. M. Bouman, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 november 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde gewezen vonnis van 7 april 2010. Het hof zal in het hierna volgende de nummering in genoemd tussenarrest voortzetten. 14Het tussenarrest van 6 november 2012 Bij genoemd arrest heeft het hof bewijsopdrachten geformuleerd en een comparitie van partijen gelast teneinde hen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de door het hof in zijn arrest van 6 november 2012 geformuleerde aan een deskundige te stellen vragen, over de persoon van de te benoemen deskundige en teneinde een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. 15Het verdere verloop van de procedure Tijdens de zitting waarop naar aanleiding van het arrest van 6 november 2012 getuigen zouden worden gehoord, heeft [appellante] laten weten af te zien van dit verhoor en is het hof overgegaan tot de comparitie. Het van een en ander opgemaakte “proces-verbaal van getuigenverhoor” van 21 januari 2013 bevindt zich bij de stukken. Na die zitting heeft [appellante] , onder het overleggen van productie 13, een akte genomen. Nadat [geïntimeerde] daarop bij antwoordakte heeft gereageerd, is wederom uitspraak gevraagd. 16De verdere beoordeling 16.1.1 Het hof heeft in zijn arrest van 6 november 2012 [appellante] toegelaten te bewijzen dat: a. partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de dakrandopstanden zou verhogen;b. [geïntimeerde] [appellante] niet heeft gewaarschuwd voor vochtproblemen als gevolg van het niet aansluiten van de dakrandstroken en dakopstanden. 16.1.2 Bij nader inzien is het hof het met beide partijen eens dat de onder a. weergegeven bewijsopdracht niet juist is, alleen al niet omdat beide partijen het erover eens zijn dat [betrokkene] noch [appellante] enerzijds met [geïntimeerde] anderzijds zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de dakrandopstanden zou verhogen. Dit onderdeel van de bewijsopdracht zal verder als niet relevant dan ook niet meer aan de orde komen. 16.1.3 Het hof zal zijn oordeel wat betreft de onder b. weergegeven bewijsopdracht aanhouden. [geïntimeerde] heeft namelijk erkend, in elk geval niet voldoende gemotiveerd betwist dat zij de dakrandstrook op niet correcte wijze aan de dakrand heeft bevestigd (zie nr. 16 conclusie van antwoord) en dat de dakrandstroken de aan de lage kant zijnde dakranden niet goed afdekten (zie nr. 16 memorie van antwoord). Zij betwist echter dat daardoor de onderhavige schade is ontstaan. Alvorens dan ook over dit punt van het probandum te oordelen, acht het hof het noodzakelijk dat eerst een deskundige rapporteert. Uit het hierna volgende blijkt immers dat één van de aan die deskundige te stellen vragen zal zijn of een oorzaak van de vochtproblematiek is gelegen in het niet aansluiten van de dakrandstroken op de dakrandopstanden. 16.2.1 Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 januari 2013 blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de aan de deskundige te stellen vragen. Alleen al omdat vraag V betrekking heeft op de problematiek betreffende de verhoging van de dakrandopstanden, welke problematiek niet meer aan de orde is gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 16.1.2 overwogen, kunnen partijen niet worden gehouden aan het ter zitting bereikte akkoord omtrent de aan de deskundige te stellen vragen en dienen de vragen IV en V te worden aangepast. 16.2.2 In grief 2 heeft [appellante] onder meer gesteld dat [geïntimeerde] op het volledige dak een nieuwe dakbedekking met isolatie heeft aangebracht en dat zij bij de serre en de overkapping van het dakterras ook het dakbeschot heeft aangebracht (zie ook de door haar op 5 maart 2013 genomen akte onder 8). [geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord onder 15 betwist dakbeschot te hebben aangebracht. Het hof heeft (nog) niet geoordeeld over deze feitelijke problematiek. Daar waar onder meer is gesteld dat de dakrandopstanden te laag zijn, kan het hof zich voorshands voorstellen dat de vaststelling van dit feit relevant kan zijn: uit de stukken blijkt namelijk niet of het probleem van de te lage dakrand al dan niet voorkomen had kunnen worden door het dakbeschot lager aan te brengen. Het hof acht het dan ook raadzaam om de deskundige daarover te bevragen. Wat dat betreft vindt dus een kleine aanpassing plaats in de aan de deskundige te stellen vragen. 16.2.3 In de samen met partijen vastgestelde vraag IX is per abuis verwezen naar het door de deskundige te geven antwoord op vraag VII. Dit dient te zijn vraag VIII. Het hof zal die schrijffout verbeteren. 16.3 [appellante] heeft geen naam van een eventueel te benoemen deskundige genoemd. [geïntimeerde] heeft tijdens de comparitie verklaard contact te hebben opgenomen met dhr. Tjallema van [expertisebureau] en met [Expertise] Expertise. In haar na de comparitie genomen akte heeft zij nog genoemd het Bureau voor Bouwpathologie BB. [appellante] heeft wat de eerste twee namen betreft slechts aangevoerd met geen van twee te kunnen instemmen om de onpartijdigheid te kunnen garanderen. Het hof acht dit een onvoldoende bestrijding van de objectiviteit, en heeft allereerst dhr. Ing. Tjallema benaderd. Nu die heeft verklaard geen standpunt te hebben ingenomen en zich volledig vrij te voelen in deze zaak, zal het hof hem als deskundige benoemen teneinde hem onderstaande vragen te laten beantwoorden. Het hof ziet geen reden om af te zien van het onder vraag X van het arrest van 6 november 2013 genoemde voornemen om [appellante] te belasten met het door de deskundige gevraagde voorschot van € 10.330,-. 16.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 17De uitspraak Het hof: bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de hierna in dit dictum genoemde vragen; benoemt tot deskundige ter beantwoording van de hierna volgende vragen: Ing. M. Tjallema, [adres] ; verzoekt de deskundige de volgende vragen te beantwoorden: I. Tot welke oorz(a)ak(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.