GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.127.932/01 arrest van 24 december 2013 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats], appellante, verder: [appellante], advocaat mr. R.H.M. Wagemans, tegen: Hannoveraner Verband e.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), geïntimeerde, verder: Hannoveraner Verband, advocaat mr. M.L. Blackstone, op het bij exploot van dagvaarding van 11 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 30 januari 2013 tussen [appellante] als gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident en Hannoveraner Verband als eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident (alsmede [vader van appellante] als gedaagde in de hoofdzaak). 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer: C/03/174928/HA ZA 12-379) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het vonnis van 3 april 2013 waarbij de rechtbank op verzoek van [appellante] heeft bepaald dat van het tussenvonnis van 30 januari 2013 tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 11 april 2013; - de memorie van grieven van [appellante]; - de ambtshalve verleende akte niet dienen ten aanzien van de memorie van antwoord; - het pleidooi op 6 december 2013, waarbij partij Hannoveraner Verband pleitnotities heeft overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de twee grieven van [appellante] verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. Hannoveraner Verband is een Duitse vereniging die onder meer veilingen organiseert voor de verkoop van Hannoveraner paarden, waarbij zij optreedt als commissionair. [appellante] heeft op 1 maart 2011 een schriftelijke commissieovereenkomst met Hannoveraner Verband gesloten met betrekking tot het paard Duracao voor een veiling op 8 en 9 april 2011. Op 9 april 2011 is het paard op de veiling gekocht door [koper]. Hannoveraner Verband heeft aan [appellante] het haar toekomende bedrag voldaan. In verband met klachten over kreupelheid en veterinaire problemen van het gekochte paard heeft [koper] de koopovereenkomst op 12 december 2011 ontbonden. Hannoveraner Verband heeft daarop de koopprijs aan [koper] gerestitueerd en het paard teruggenomen en op stalling gezet. Hannoveraner Verband verlangt van [appellante] dat zij het paard terugneemt met terugbetaling van de koopprijs en vergoeding van schade. [appellante] weigert dat. 4.2 Hannoveraner Verband heeft daarop zowel [appellante] als haar vader [vader van appellante] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht. Hannoveraner Verband stelt, kort gezegd, dat [appellante] op grond van de commissieovereenkomst en de toepasselijke veilingvoorwaarden gehouden is het paard terug te nemen, de door haar ontvangen koopsom te restitueren en de verdere kosten en schade aan Hannoveraner Verband te vergoeden. Op grond daarvan heeft Hannoveraner Verband een aantal daartoe strekkende vorderingen tegen [appellante] ingesteld. Volgens Hannoveraner Verband is [vader van appellante] bij de veiling van het paard als haar vertegenwoordiger opgetreden; daarom vordert Hannoveraner Verband een verklaring voor recht dat hij naast zijn dochter hoofdelijk aansprakelijk is voor alle gevolgen van de veilingverkoop van het paard Duracao. 4.3 In eerste aanleg heeft [appellante] een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen op de grond dat in de toepasselijke veilingvoorwaarden Gerichtsstand [vestigingsnaam] als bevoegde rechter wordt aangewezen en niet de rechtbank Maastricht. De rechtbank heeft de incidentele vordering van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat het bevoegdheidsincident alleen door [appellante] is opgeworpen en niet (tevens) door [vader van appellante], zodat de rechtbank ingevolge de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo ten aanzien van de vordering jegens hem bevoegd is. Gelet op de nauwe band tussen de vorderingen (hoofdelijkheid) tegen beiden kan ingevolge het bepaalde in artikel 6 aanhef en lid 1 EEX-Vo [appellante] met [vader van appellante] voor de rechtbank Maastricht worden gedagvaard. 4.4 [appellante] voert hiertegen aan, kort gezegd, dat artikel 6 EEX-Vo ondergeschikt is aan artikel 23 EEX-Vo inzake de forumkeuze door partijen (grief 1) en dat [vader van appellante] ten onrechte is gedagvaard omdat hij met de veilingverkoop van het paard niets te maken heeft (grief 2). Hannoveraner Verband betwist een en ander. 4.5 Op de commissieovereenkomst van 1 maart 2011 zijn de veilingvoorwaarden van Hannoveraner Verband (Auktionsbedingungen) van toepassing verklaard. Artikel 8.3 van deze voorwaarden luidt als volgt: Erfüllungsort und Gerichtsstand ist [vestigingsnaam]. Bij het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat beide partijen ervan uitgaan dat het forumkeuzebeding in de veilingvoorwaarden van toepassing is op de commissieovereenkomst. Het hof neemt dit daarom in het hiernavolgende tot uitgangspunt. 4.6 Bij het pleidooi in hoger beroep is verder gebleken dat partijen het niet eens zijn over de hoedanigheid waarin [appellante] de commissieovereenkomst heeft gesloten. Volgens Hannoveraner Verband is dat in de hoedanigheid van consument, volgens [appellante] is dat niet het geval. Laatstgenoemde voert daartoe aan dat zij in [plaats] een stoeterij met zo’n 40 paarden heeft en dat deze in de kop van de commissieovereenkomst ook is vermeld (Gestüt Fischerhof). Hannoveraner Verband betwist dit en voert aan dat in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.