GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.098.959/01 Zaak-rolnummer rechtbank: 116496 / HA ZA 07-49 Arrest d.d. 24 december 2013 in de zaak van 1de besloten vennootschap Ottima B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , en 2 [appellante] ,wonende te [woonplaats 1] , appellanten in het principale appel en geïntimeerden in het incidentele appel, hierna te noemen: Ottima BV en [appellante] , advocaat: mr. H.A.J. Kalsbeek, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats 2] , geïntimeerde in het principale appel en appellante in het incidentele appel, hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,advocaat: mr.A,F.G. Bergmans-Jeurissen, en [geïntimeerde 2] ,woonachtig te [woonplaats 3] , Arizona (Verenigde Staten van Amerika),geïntimeerde in het principale appel,defaillant Het geding Bij exploten van 21 en 22 september 2011 zijn Ottima BV en [appellante] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 21 mei 2008 en 22 juni 2011 die de rechtbank Maastricht tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven hebben Ottima BV en [appellante] tegen genoemde vonnissen alsmede tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 27 juni 2007 in totaal zeven grieven aangevoerd die [geïntimeerde 1] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Bij die gelegenheid heeft [geïntimeerde 1] onder aanvoering van vier grieven incidenteel appel tegen het vonnis van 22 juni 2011 heeft ingesteld. Daarna heeft [geïntimeerde 1] een akte genomen. Ottima BV en [appellante] hebben vervolgens bij memorie van antwoord in het incidentele appel tevens antwoordakte de incidentele grieven bestreden en gereageerd op de akte van [geïntimeerde 1] . Nadat elk van partijen wederom een akte heeft genomen, hebben Ottima BV en [appellante] tenslotte hun stukken overgelegd voor arrest. De beoordeling van het hoger beroep In zowel het principale als het incidentele appel: In de onderhavige procedure gaat het in hoofdzaak om een tweetal vorderingen, te weten:A. een vordering ad € 147.560,00 van Ottima BV op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ter zake van de overdracht van diverse roerende zaken,B. een vordering ad € 136.364,00 van [appellante] op [geïntimeerde 2] wegens een pretense geldlening aan [geïntimeerde 2] .Het hof zal thans eerst ingaan op de hierboven met “A” aangeduide vordering.Met betrekking tot vordering A: Tegen de vaststellingen door de rechtbank in r.o. 2.1 en 2.2 van het vonnis d.d. 21 mei 2008 is geen grief gericht, zodat ook het hof aanneemt dat het gaat om de levering door Ottima BV – een door [appellante] bestuurde vennootschap – aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van de door de rechtbank in r.o. 2.1 van voormeld vonnis genoemde roerende zaken, bestemd voor de toenmalige echtelijke woning van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of deze levering voortvloeide uit een koopovereenkomst (standpunt Ottima BV) of uit een schenking (standpunt [geïntimeerde 1] ). De rechtbank heeft na uitgebreid getuigenverhoor, bij eindvonnis d.d. 22 juni 2011 geoordeeld dat Ottima BV niet heeft aangetoond dat aan de levering van meergenoemde zaken een koopovereenkomst ten grondslag lag. Tegen dat oordeel en de gronden waarop dat berust, heeft Ottima BV haar grieven II, IV en V in het principale appel gericht. Grief II in het principale appel strekt ten betoge dat de rechtbank in het tussenvonnis van 21 mei 2008 ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde 1] de opstelling van Ottima BV voldoende gemotiveerd heeft betwist, op grond waarvan in gevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op Ottima BV de bewijslast rustte – zakelijk weergegeven – dat tussen enerzijds haar en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een koopovereenkomst was tot stand gekomen. De rechtbank heeft haar in deze grief aan de orde zijnde oordeel deels gebaseerd op het feit dat de betwisting door [geïntimeerde 1] van het bestaan van een koopovereenkomst, wordt ondersteund door een door haar ter comparitie gedane verklaring dienaangaande. Daartegen heeft Ottima BV aangevoerd – in essentie – dat de rechtbank aan die verklaring geen waarde had mogen toekennen, nu art. 88 lid 4 Rv zich daartegen verzet. Het hof overweegt dat Ottima BV miskent dat het in het verband van deze grief thans niet gaat om de waardering van een verklaring van een partij die is belast met het bewijs, nu toch de rechtbank de verklaring van [geïntimeerde 1] ter comparitie enkel betrekt in haar (nog te nemen) beslissing wie met het bewijs moet worden belast. Overigens staat het de rechter vrij uit hetgeen ter comparitie is voorgevallen, de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht. Mede in het licht van hetgeen de rechtbank te dezer zake voorts heeft overwogen in r.o. 2.5 van het onderhavige tussenvonnis, is het hof met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een door [geïntimeerde 1] in toereikende mate betwiste stelling van de wederpartij, en nu het gaat om betwiste feiten die tot beslissing van het geschil kunnen leiden, was een bewijslevering op haar plaats. Voor zover Ottima BV met de grief betoogt dat de door haar gestelde ongeloofwaardigheid van de stellingen van [geïntimeerde 1] hadden dienen te leiden tot het maken van een uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv, dan wel tot een rechterlijk vermoeden in de vorm van de bewijsconstructie “reeds toereikend bewezen, behoudens tegenbewijs”, overweegt het hof dat de gedingstukken daartoe onvoldoende grondslag bieden. De grief mist doel. Met grief IV bestrijdt Ottima BV het oordeel van de rechtbank dat zij (Ottima BV) er niet in is geslaagd het haar opgedragen bewijs dat er de facto op neerkomt dat tussen Ottima BV enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds een koopovereenkomst tot stand was gekomen, te leveren. Dienaangaande leest het hof in de grief en de daarop gegeven toelichting geen andere relevante en in toereikende mate feitelijk onderbouwde stellingen dan die reeds in prima zijn aangevoerd en gemotiveerd verworpen, nu het bij deze grief in overwegende mate gaat om een door Ottima BV wenselijk geachte interpretatie van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden. Daarbij overweegt het hof nader dat de verklaringen van [appellante] als getuige geen doorslaggevend gewicht in de schaal kunnen leggen, nu zij in haar hoedanigheid van statutair directeur van Ottima BV heeft te gelden gelijk als een partij-getuige wier verklaringen eerst dan bewijs ten voordele van Ottima BV kunnen opleveren indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten bevatten, dat zij de partij-verklaringen voldoende geloofwaardig maken. Mede nu zodanig steunbewijs niet aanwezig is, sluit het hof zich aan bij het met de grief bestreden oordeel van de rechtbank en neemt de daaraan ten grondslag liggende motivering over. Het door Ottima BV gebezigde argument tenslotte dat [geïntimeerde 1] geen (begin van) tegenbewijs heeft bijgebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden nu de bewijslast van de stellingen op Ottima BV rustte en het dus niet de verweerder (in casu [geïntimeerde 1] ) is die bewijs moet bijbrengen van de juistheid van het verweer. Ook grief IV is mitsdien vergeefs voorgedragen. Grief V heeft betrekking op de veroordeling van Ottima BV in de kosten. Nu Ottima BV de grief enkel baseert op de door haar nagestreefde vernietiging van de beslissing op haar vordering, welke vernietiging zoals uit het voorgaande volgt uit zal blijven, mist de grief reeds hierom doel.Verder met vordering B: Thans is aan de orde de hierboven in r.o. 1 met B aangeduide vordering ad € 136.364,00 van [appellante] op [geïntimeerde 2] wegens een pretense geldlening aan [geïntimeerde 2] tot voormeld bedrag. In hoger beroep staat als niet met enige grief bestreden vast de overweging van de rechtbank in r.o. 2.8 van het vonnis d.d. 21 mei 2008 alsmede de overweging in r.o. 2.4.1 van het vonnis van 22 juni 2011 dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellante] aan [geïntimeerde 2] geld heeft gegeven in verband met de aankoop van de toenmalige echtelijke woning van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . In deze procedure tussen [appellante] en [geïntimeerde 2] met betrekking tot de gestelde geldlening is [geïntimeerde 1] op basis van het incidentele vonnis van de rechtbank van 27 juni 2007 als partij met een eigen belang tussengekomen. De rechtbank heeft vervolgens na (uitgebreid) getuigenverhoor bij eindvonnis d.d. 22 juni 2011 geoordeeld dat bewezen is dat [appellante] aan [geïntimeerde 2] een bedrag groot hfl. 214.600,00 (€ 97.381,23) heeft overhandigd ten titel van geldlening, terwijl het meerdere als onbewezen is afgewezen. Behoudens grief I in het principale appel, welke grief door [appellante] is gericht tegen de beslissing van de rechtbank in het incidentele vonnis d.d. 27 juni 2007 alsmede grief III in het principale appel welke is gericht tegen de bewijslastverdeling in het tussenvonnis d.d. 21 mei 2008, zijn de verdere grieven in het principale appel alsmede de grieven in het incidentele appel alle gericht tegen genoemd eindvonnis en de daarin vervatte overwegingen die aan de beslissing van de rechtbank met betrekking tot vordering B ten grondslag liggen. Met grief I in het principale appel keert [appellante] zich tegen de beslissing van de rechtbank in meergenoemd incidenteel vonnis tot toelating van [geïntimeerde 1] als tussenkomende partij in de procedure tussen [appellante] en [geïntimeerde 2] . In essentie weergegeven stelt [appellante] zich op het standpunt dat voorafgaand aan de beslissing op de incidentele vordering, op basis van de toen voorhanden zijnde gedingstukken vast stond dat [geïntimeerde 1] na tussenkomst geen kans op succes kon hebben, zodat de tussenkomst had behoren te worden geweigerd. Het hof volgt [appellante] niet in haar bovenomschreven opvatting met betrekking tot de voorwaarden voor tussenkomst. In het incidentele vonnis wordt geen bindend oordeel gegeven omtrent de validiteit van het door [geïntimeerde 1] aangevoerde belang, terwijl slechts is overwogen dat hetgeen [geïntimeerde 1] ter adstructie van haar vordering tot tussenkomst heeft aangevoerd, niet evident onjuist is en op zich de vordering rechtvaardigt. Daarmee zijn de voorwaarden voor tussenkomst op de voet van art. 217 Rv genoegzaam vervuld; de verdere (inhoudelijke) beoordeling van het door de tussenkomende partij gestelde belang dient plaats te hebben in de hoofdprocedure. De grief die uitgaat van een andere opvatting omtrent art. 217 Rv, mist daarom doel. [appellante] heeft Grief III in het principale appel gericht tegen de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis van 21 mei 2008 dat op haar de bewijslast rust van het bestaan van een overeenkomst van geldlening van [appellante] aan [geïntimeerde 2] tot het door haar gevorderde bedrag van € 136.364,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.