GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.097.486 arrest van 29 januari 2013 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, verder te noemen: [appellante] , advocaat: M.E.V. Boersma te Maastricht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, verder te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: R.M.W.H. Bedaux te Maastricht, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 januari 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 160.004/HA ZA 11-299 gewezen vonnis van 7 september 2011 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 5 Het tussenarrest van 3 januari 2012 Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6 Het verdere verloop van de procedure 6.1. De comparitie heeft op 8 februari 2012 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven. 6.2. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] , kennelijk haar eis gewijzigd, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, met verdere conclusie: 1. gedaagde te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen; 2. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die door [appellante] werd geleden en nog wordt geleden als gevolg van slecht gevoerd bewind; 3. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 136.173,-; 4. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de overige schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 5. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten; 6. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. 6.3. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. 6.4. [appellante] heeft een akte overlegging producties genomen; [geïntimeerde] een antwoordakte; 6.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 7De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 8De verdere beoordeling 8.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 8.1.1. [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1990. Kort nadien is haar moeder overleden. Haar vader is in 2000 overleden. Nadien is de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg als voogd opgetreden. Bij beschikking van 2 mei 2005 is Bureau Jeugdzorg ontslagen uit de voogdij en zijn [geïntimeerde] en zijn echtgenote gezamenlijk benoemd tot voogd. [geïntimeerde] is een neef van de vader van [appellante] . [appellante] maakte als pleegkind deel uit van het gezin van [geïntimeerde] . 8.1.2. Bij akte van decharge van juni 2005 is Bureau Jeugdzorg gedechargeerd voor het gevoerde bewind en heeft [geïntimeerde] het bewind over het vermogen van [appellante] overgenomen. 8.1.3. Bij de aanvang van de voogdij door [geïntimeerde] bedroeg het vermogen van [appellante] , dat was belegd bij ABN-AMRO: - Privérekening [rekeningnummer] saldo € 1.148,02 - Bonusspaarrekening [rekeningnummer] € 208.714,67 - AEX-spaarrekening [rekeningnummer] € 97.427,40 - Florijnenvloot [rekeningnummer] € 7.355,06 Totaal € 314.645,15 - Polis [polisnummer] - Polis [polisnummer] Tijdens het bewind is (een deel van) het vermogen herbelegd. Een belegging van € 250.000,- bij de SNS-bank komt in 2013 tot uitkering. Dat bedrag is dan gegroeid tot € 311.500,-. Voorts is sprake geweest van een belegging bij de Frieslandbank en bij Aegon. De polissen zijn waarschijnlijk tot uitkering gekomen. 8.1.4. Tijdens het bewind heeft [appellante] aan inkomen ontvangen: - een nabestaandenuitkering; - de kinderbijslag; - een wezenpensioen; - (rente)rendement op de beleggingen van het vermogen. Uit het accountantsrapport d.d. 7 juni 2010 blijkt ook nog van een uitkering van Fortis ASR. 8.1.5. Tijdens het bewind heeft [geïntimeerde] uitgaven gedaan: - ten behoeve van [appellante] ’ levensonderhoud en vakanties; - ten behoeve van [appellante] door stortingen op haar ING-rekening; - ten behoeve van [appellante] ’ ziektekostenverzekering (nadat [appellante] meerderjarig was geworden); - voor de verbouwing en ombouw van de woning vanwege de komst van [appellante] ; - voor de aanschaf van een caravan en een auto; stakosten voor de caravan; - voor een vakantie naar India; - ter zake bijstorting florijnenvloot-rekening; - ter zake premies levensverzekering; - ter zake vergoeding voor het voogdijbewind; - voor (box-3-)belasting en accountantskosten ten aanzien van het vermogen van [appellante] . 8.1.6. Na het meerderjarig worden van [appellante] heeft [geïntimeerde] het bewind feitelijk voortgezet tot oktober 2010 toen [appellante] de woning heeft verlaten en haar eigen beheer is gaan voeren. 8.1.7. Aan [appellante] is mogelijk al een deel van haar vermogen uitgekeerd na haar meerderjarig worden, althans na haar vertrek in oktober 2010. Een overzicht daarvan ontbreekt. 8.2. Tegen de wijziging van eis (de petita van de inleidende dagvaarding en van de memorie van grieven stemmen niet overeen) is geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet geen termen waarom de wijziging van eis in strijd zou zijn met de goede procesorde. Het hof zal mitsdien recht doen op de gewijzigde eis. 8.3. Onbevoegdheid gerechtshof 8.3.1. Als meest verstrekkend verweer voert [geïntimeerde] aan dat het hof niet bevoegd zou zijn. Hij stelt daartoe dat de rechtbank bedoeld heeft te beslissen dat de eventuele vorderingen van [appellante] als verzoeken dienen te worden gericht tot de sector kanton en niet de sector civiel. 8.3.2. Deze stelling van [geïntimeerde] is kennelijk gegrond op de beginpassage van rov. 3.2 van het vonnis waarvan beroep waarin de rechtbank overweegt dat krachtens art. 1:373 lid 1 en 1:374 lid 1 BW rekening en verantwoording door de voogd wordt gedaan aan de meerderjarig gewordene ten overstaan van de kantonrechter die krachtens art. 1:374 lid 2 BW geschillen beslist die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen. Niet is gebleken, aldus de rechtbank, dat [geïntimeerde] met deze verplichting in verzuim is. 8.3.3. Anders dan [geïntimeerde] betoogt, heeft de rechtbank zich niet onbevoegd verklaard, maar de vorderingen afgewezen. [geïntimeerde] miskent bovendien art. 71 lid 5 Rv, waarin staat bepaald dat tegen het achterwege laten van een verwijzing van een zaak van rechtbank sector civiel naar de rechtbank sector kanton, geen voorziening open staat. Zelfs als de sector civiel ten onrechte zou hebben beslist, dan nog staat dat feit aan de appellabiliteit van het vonnis niet in de weg. 8.3.4. Het hof is bevoegd het geschil tussen partijen te beslissen. 8.4. Grief 1 luidt: Ten onrechte heeft de rechtbank Maastricht in het vonnis d.d. 7 september 2011 onder punt 3.2 overwogen dat [geïntimeerde] niet in verzuim is met de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. 8.4.1. Het hof stelt eerst vast dat [geïntimeerde] aanbiedt € 8.832,50 te betalen ‘wegens vermogensvermeerdering’, waarmee hij doelt op de verbouwingen aan zijn woning met gelden van [appellante] . 8.4.2. Door [appellante] is de vraag opgeworpen over welke periode rekening en verantwoording moet worden afgelegd: tot haar meerderjarig worden op [geboortedatum] 2008 (waarmee de voogdij eindigde) of tot een latere datum. 8.4.3. Rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de periode waarin [geïntimeerde] over het vermogen (het aanvangsvermogen en de inkomsten) van [appellante] (feitelijk) het bewind voerde. Dit is de periode vanaf het moment waarop [geïntimeerde] de aan [appellante] toekomende gelden onder zich kreeg totdat hij al datgene aan [appellante] heeft afgedragen wat, volgens hem, haar toekomt. 8.4.4. Het hof zal bij de beoordeling van de geschillen voor de beginstand uitgaan van de door het Bureau Jeugdzorg overgedragen saldi en polissen. De door [geïntimeerde] in de stukken gemaakte opmerkingen aan het adres van de vorige voogden worden als niet relevant voor het bewind door [geïntimeerde] terzijde gelaten. 8.4.5. Een deugdelijk en begrijpelijk overzicht van slotuitkeringen aan [appellante] wordt door [geïntimeerde] niet gegeven. 8.4.6. Het hof kan met de door [geïntimeerde] opgemaakte verantwoordingen niet uit de voeten. Uit de door [geïntimeerde] opgemaakte verantwoording valt op te maken dat op enige dag in 2008 (welke die dag was blijkt niet) een bedrag van € 250.000,- is gestort bij de SNS-bank en dat die belegging op een dag in 2013 zal leiden tot een uitkering van € 311.500,-. Uit de memorie van antwoord (pagina 3 bovenaan, ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.