GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.105.691/01 arrest van 8 januari 2013 in de zaak van [Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. A.L. van den Bergh te Maastricht, tegen Stichting Radar, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. C.A.H. Lemmens te Heerlen, op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht gewezen vonnis van 8 februari 2012 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - Radar - als gedaagde. 1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 408600 CV EXPL 10-6206) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het eerdere (comparitie)vonnis van 16 februari 2011. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij appeldagvaarding met één productie heeft [appellante] achttien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover € 4.445,95 bruto is toegewezen, en, kort gezegd, geconcludeerd tot toewijzing van a. de vorderingen van [appellante] zoals in eerste aanleg geformuleerd; b. € 1.976,- bruto aan jubileumuitkering; c. de maximale wettelijke verhoging te vermeerderen met de wettelijke rente over € 181,76 bruto aan overuren; d. de maximale wettelijke verhoging te vermeerderen met de wettelijke rente primair over € 10.233,52 bruto aan vakantie-uren en subsidiair over € 3.509,59 bruto aan vakantie-uren; en e. tot veroordeling van Radar om informatie te verschaffen over het IP pensioen; met veroordeling van Radar in de proceskosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft Radar de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Alleen [appellante] heeft een procesdossier overgelegd. In de overgelegde stukken bevinden zich in de conclusie van antwoord en het bestreden vonnis, in strijd met het bepaalde in artikel 2.7. van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, handgeschreven aantekeningen, welke mede daarom door het hof zijn genegeerd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding. 4. De beoordeling 4.1. De kantonrechter heeft onder 1 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht en het hof zal ook van die feiten uitgaan. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof, samengevat, hieronder uiteenzetten waar het in deze zaak om gaat. 4.1.1.[appellante], geboren [geboortedatum] 1955, is op 10 december 1984 op basis van een arbeidsovereenkomst bij (de rechtsvoorganger van) Radar in dienst getreden in de functie van begeleidster. Radar legt zich toe op de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Het loon bedroeg laatstelijk € 3.971,40 bruto per maand inclusief onregelmatigheidstoeslag, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gehandicaptenzorg van toepassing. 4.1.2.In december 1989 is [appellante] de functie van plaatsvervangend hoofd gaan uitoefenen. In juli 2001 heeft zij, in afwachting van een fusie, de functie van hoofd waargenomen. In januari 2003 is [appellante] benoemd tot hoofd van wooneenheid De Wissel. Deze functie werd toen gekenmerkt door beheers- en zorginhoudelijke taken. 4.1.3.Begin 2007 ging Radar reorganiseren, waardoor de functie van hoofd kwam te vervallen omdat voornoemde twee kerntaken aan twee functionarissen werden toebedeeld. Het hoofd nieuwe stijl ging zich vooral met beheerstaken bezighouden, terwijl de zorginhoudelijke taken bij de nieuwe functie van teamcoach werden gecentreerd. 4.1.4.In mei 2007 had [appellante] een interessegesprek met twee managers. Beide managers lieten [appellante] weten dat zij een verwarde en onzekere indruk maakte, dat zij zich zorgen maakten over haar welbevinden en dat dit zou worden doorgegeven aan haar direct leidinggevende. Kort daarop heeft [appellante] een gesprek gehad met haar direct leidinggevende die om dezelfde reden aan [appellante] heeft medegedeeld dat zij haar werk niet meer mocht verrichten. [appellante] is nog enkele dagen door blijven werken, daarna had zij een week vakantie en daarna heeft zij zich op 31 mei 2007 ziek gemeld. [appellante] heeft schriftelijk geprotesteerd tegen de ontheffing uit haar taak. 4.1.5.Intussen was met [appellante] afgesproken dat zij bij Sprintum een loopbaanadviestraject zou volgen. Sprintum adviseerde [appellante] om bij het academisch ziekenhuis Maastricht (azM) een gespecialiseerd diagnostisch onderzoek te laten doen, omdat Sprintum vond dat [appellante] met psychische problemen kampte. 4.1.6.Eind juli/ begin augustus 2007 uitte de huisarts van [appellante] het vermoeden dat de klachten van [appellante] werden veroorzaakt door een niet goed werkende schildklier. De huisarts gaf aan dat op dat moment een (neuro)psychologisch onderzoek niet aan de orde was. [appellante] werd door de huisarts verwezen naar het azM waar geconstateerd werd dat [appellante] inderdaad een schildklierprobleem had. Nader onderzoek was nodig. Het loopbaanadviestraject bij Sprintum kwam daarmee stil te liggen. Eind augustus 2007 bleek dat [appellante] leed (en lijdt) aan een chronische schildklierziekte, te weten de ziekte van Graves. 4.1.7.In de periode januari 2008 tot 28 augustus 2008 heeft [appellante] op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht. Eerst verrichtte zij hand- en spandiensten op de HR-afdeling. Vanaf medio/eind juni 2008 heeft zij een zogenaamde flexpool opgezet, doch eind augustus 2008 heeft zij dat werk gestaakt omdat het haar te veel stress opleverde en omdat Radar er om economische motieven niets voor voelde om haar bij dat, volgens Radar basale werk, te laten bijstaan door een assistent. 4.1.8.Radar heeft omstreeks oktober 2008 een bureau voor arbeidsre-integratie ingeschakeld om onderzoek te doen naar de arbeidsmogelijkheden van [appellante]. [appellante] heeft aanvankelijk geweigerd om toestemming te verlenen voor het opvragen van medische informatie. De door dat bureau ingeschakelde drs. [rapporteur] heeft aanvankelijk om die reden niet kunnen rapporteren. 4.1.9 Op 19 november 2008 heeft Radar van [appellante] geëist dat zij vanaf 24 november 2008 als begeleidster B ging werken. [appellante] is daar onder protest, omdat die zij functie niet passend achtte, mee begonnen en heeft op de eerste dag het werk gestaakt. Het deskundigenoordeel van het UWV luidde dat de functie ongeschikt was voor [appellante]. 4.1.10.Op 19 januari 2009 hebben partijen overleg gehad over de verdere gang van zaken. Radar heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts] ingeschakeld om de beperkingen vast te leggen. Ook heeft Rader een registerarbeidsdeskundige, [registerarbeidsdeskundige], ingeschakeld om te onderzoeken welke hervattingskansen er zouden zijn. [appellante] heeft toen alsnog [rapporteur] gemachtigd om medische informatie op te vragen. Van 20 april 2009 tot 13 mei 2009 heeft [appellante] nog werkzaamheden verricht bestaande uit het uitzoeken en rechtzetten van onbetaalde compensatie-uren en onregelmatigheidstoeslag aan een team begeleiders. Op 4 mei 2009 heeft [registerarbeidsdeskundige] gerapporteerd dat hij [appellante] niet in staat achtte tot de maatgevende arbeid, ook niet na reorganisatie en verschuiving van taken binnen de functie. [registerarbeidsdeskundige] achtte [appellante] ook niet in staat tot het verrichten van ander werk bij Radar (en op dat moment ook niet voor ander werk op de vrije arbeidsmarkt). 4.1.11.In het kader van de WIA beoordeling is [appellante] op 22 april 2009 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beoordeeld. De arbeidsdeskundige van het UWV achtte geen re-integratiemogelijkheden aanwezig. Vanaf 28 mei 2009 is [appellante] een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Tevens is haar een Inkomensafhankelijk Arbeidsongeschiktheidspensioen van het PGGM toegekend. Deze uitkeringen zijn in tijdsduur beperkt. 4.1.12.Op 24 februari 2010 heeft het UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning verleend. In dat onderzoek is betrokken of [appellante] in staat was, of op korte termijn in staat zou zijn, om passende werkzaamheden te verrichten. Dat was volgens het UWV niet het geval, gezien het oordeel van de arbeidsdeskundige van het UWV van 4 februari 2010. Radar heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 1 juni 2010. 4.2.In eerste aanleg heeft [appellante], na eiswijziging, samengevat, gevorderd: 1. een verklaring voor recht dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is; 2. veroordeling van Radar tot betaling van: a. schadevergoeding ex artikel 7:681 BW in de vorm van een aanvulling op hetgeen [appellante] ontvangt aan uitkeringen tot 70% van het laatstgenoten salaris, tot de datum van haar pensioengerechtigde leeftijd, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding, althans € 132.949,51 bruto als schadevergoeding ter zake kennelijk onredelijk ontslag, althans op grond van schending van artikel 7:611 BW, althans op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel, althans op grond van het non-discriminatiebeginsel, b. € 181,76 bruto ter zake 7,23 overuren en € 3.509,54 bruto ter zake 139,6 vakantie-uren; c. vergoeding voor vakantiedagen over 18 maanden van arbeidsongeschiktheid en voorts d. € 754,61 bruto ter zake eindejaarsuitkering, e. € 214,32 ter zake herrekening voorschotten; f. een jubileumgratificatie; g. € 114,88 bruto ter zake indexatie; h. indexatie over periode 7 t/m 12 2010 en periode 1 t/m 2 2011; een en ander vermeerderd met rente en kosten. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, behoudens de posten b en d van totaal € 4.445,95 bruto. [appellante] is tijdig van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof zal eerst de grieven bespreken die betrekking hebben op de gevorderde schadevergoeding en daarna de grieven die betrekking hebben op de posten c en f tot en met h. Tegen de afwijzing van post e heeft [appellante] geen grieven gericht. 4.3.[appellante] stelt dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, dat het ontslag in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dat het ontslag voorts in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. Het hof begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat alle door haar aangevoerde omstandigheden dienen ter onderbouwing van al deze juridische grondslagen voor de door haar gevorderde schadevergoeding en dat al die omstandigheden in onderling verband beschouwd ertoe dienen te leiden dat op één of meer van die grondslagen Radar veroordeeld dient te worden tot betaling van schadevergoeding. Het hof zal de daartoe aangevoerde omstandigheden hieronder bespreken. Kort samengevat zijn de door [appellante] (in eerste aanleg en/of in hoger beroep) genoemde omstandigheden de volgende: - er is een relatie tussen de ziekte waaraan [appellante] lijdt en de voor Radar verrichte werkzaamheden; - [appellante] is uit haar functie ontheven; - Radar heeft te weinig gedaan aan re-integratie; - de ziekte heeft de reorganisatie doorkruist, de reorganisatie zou sowieso tot het ontslag van [appellante] hebben geleid; op grond van de reorganisatie had [appellante] een aanzienlijke vergoeding ontvangen, zoals aan collega [collega van appellante] wel een aanzienlijke vergoeding is toegekend; - de financiële gevolgen van het ontslag zijn voor [appellante] te ernstig, vergeleken met het belang van Radar bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Relatie tussen de ziekte waaraan [appellante] lijdt en de voor Radar verrichte werkzaamheden 4.4.Na diverse medische onderzoeken is eind augustus 2007 geconstateerd dat [appellante] lijdt aan de ziekte van Graves, een auto-immuunziekte. Dit is een chronische schildklierziekte waarvan de symptomen volgens [appellante] onder meer zijn: snelle hartslag, snelle stofwisseling, afvallen, honger, dorst, trillen, spiermassaverlies, moe, onrustig, emotioneel, irrationeel, verhoogde lichaamstemperatuur, zweten, uitpuilende ogen, slechter slapen, hese stem, overactief. [appellante] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat er een verband is aan te wijzen tussen haar werkzaamheden voor Radar en deze ziekte. Volgens [appellante] is een dramatisch ongeval op het werk temporeel gezien het beginpunt geweest van [appellante]s lichamelijke en geestelijke achteruitgang, welke uiteindelijk is geculmineerd in haar ziekte. [appellante] heeft daartoe verwezen naar een in 2004 plaatsgevonden ongeval met een drietal bewoners. De kantonrechter heeft daarover geoordeeld (rov. 2.10) dat [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. [appellante] komt daartegen op met grief XII, waarmee zij betoogt dat het heel moeilijk is om met 100% zekerheid vast te stellen dat het ontstaan van de ziekte van Graves te wijten is aan het werk bij Radar. 4.5.[appellante] heeft haar stelling in hoger beroep niet nader toegelicht en ook niet nader onderbouwd. Wat dat laatste betreft had van [appellante] verlangd mogen worden dat zij medische stukken in het geding had gebracht waaruit minimaal zou blijken dat er een vermoeden is, dat het ontstaan van de ziekte verband houdt met de werkzaamheden bij Radar. Radar wijst er terecht op, dat in hoger beroep van [appellante] verlangd had mogen worden dat zij nader uiteen had gezet waar het ongeluk met de drie bewoners precies om ging en dat zij duidelijk zou aangeven op welke wijze dat in verband kan worden gebracht met het ontstaan van haar ziekte. Het stellen dat het ongeluk vervelende werkzaamheden meebracht is daartoe onvoldoende. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, begrijpt het hof niet wat [appellante] bedoelt met haar stelling dat zij van 'deelnemer' een 'toeschouwer' werd. Ook de stelling dat [appellante] het, mede gelet op de reorganisatie die toen speelde, niet langer aankon en daarom onbetaald verlof heeft genomen, kan het hof niet volgen, althans niet in de zin dat daaruit een verband met haar huidige ziekte volgt. Het nemen van onbetaald verlof, zoals [appellante] in 2005 heeft gedaan, duidt niet op ziekte. In dit verband had [appellante] nader dienen toe te lichten waarom zij zich toen niet ziek heeft gemeld. [appellante] had, bijvoorbeeld door overlegging van de patiëntenkaart van de huisarts, kunnen aantonen dat zij in die periode al last had van stress. Dit alles heeft [appellante] nagelaten. Uit de stelling van [appellante] dat niet alleen zij, maar meer vrouwelijke collega's van Radar de ziekte van Graves hebben gekregen en dat dit opmerkelijk is omdat het uitsluitend vrouwelijke collega's betrof in stressvolle en/of verantwoordelijke functies, kan niet worden afgeleid dat de ziekte van [appellante] werkgerelateerd is. Daartoe had [appellante] minst genomen dienen te stellen wat de inhoud was van haar werkzaamheden en waarom deze werkzaamheden stresserend waren, hetgeen zij heeft nagelaten. Evenmin kan uit de stelling dat bij [appellante] geen sprake is van erfelijke predispositie worden afgeleid dat de oorzaak 'dus' in het werk ligt. Immers, niet valt uit te sluiten dat de privésituatie van [appellante] stresserend was, zoals Radar heeft aangevoerd, en evenmin valt uit te sluiten dat er een andere oorzaak is voor het ontstaan van de ziekte, nu stress, ook volgens de stellingen van [appellante], onder meer een oorzaak is van de ziekte van Graves. De grief faalt. 4.6.Het hof begrijpt grief XI aldus dat [appellante] betoogt dat het niet (op tijd) herstellen van de ziekte is te wijten aan de wijze waarop Radar met haar belangen is omgesprongen tijdens haar pogingen om te re-integreren. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt uit de stukken niet van enig verband tussen de werkzaamheden en de ziekte van [appellante]. Weliswaar heeft Radar ten onrechte van [appellante] gevergd dat zij ging re-integreren in de functie van begeleidster B, maar [appellante] heeft dat werk nog geen dag verricht, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, daaruit niet volgt dat het door [appellante] verrichte werk schadelijk is geweest voor haar gezondheid. Evenmin valt in te zien waarom het eindigen van de werkzaamheden met betrekking tot de flexpool tot schade heeft geleid. Ook dat is onvoldoende toegelicht door [appellante]. Deze grief faalt in zoverre. Het hof verwijst voorts naar hetgeen hierna over deze grief wordt overwogen. Ontheven uit functie 4.7.In mei 2007 is [appellante] ontheven uit haar functie. Korte tijd later heeft zij zich ziek gemeld en kort daarna is de hiervoor genoemde ziekte van Graves gediagnosticeerd. In eerste aanleg heeft [appellante] gesteld dat de ontheffing uit haar functie haar heeft aangegrepen. Het oordeel van de kantonrechter komt erop neer dat, gelet op de verschijnselen die [appellante] toen vertoonde en die achteraf gezien kenmerkend bleken te zijn voor haar ziekte, het ingrijpen van Radar in mei 2007 juist gedicteerd werd door de norm van goed werkgeverschap. Tegen dat oordeel is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Re-integratie 4.8.[appellante] heeft in eerste aanleg uitvoerig betoogd dat en waarom Radar in haar visie onvoldoende heeft gedaan om haar te re-integreren. De kantonrechter is uitvoerig op de stellingen van [appellante] ingegaan. Kort en goed heeft de kantonrechter overwogen dat de re-integratiepogingen van Radar niet vlekkeloos waren, maar dat niet blijkt dat dit negatieve invloed heeft gehad op het resultaat van het re-integratieproces (eind rov. 2.12) en dat schending van een re-integratieverplichting door de werkgever een ontslag enkel en alleen kennelijk onredelijk kan maken als aannemelijk is dat bij naleving van die verplichting het ontslag niet of later had plaatsgevonden (hetgeen in casu niet het geval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.