← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ3310

arrest GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-004407-11 Uitspraak : 12 februari 2013 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-839326-10 tegen: [Naam verdachte], geboren te [Geboorteplaats] op [Datum} 1990, thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - “diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de eerste rechter beslist over de vorderingen tot schadevergoeding voor de benadeelde partijen. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het ten laste gelegde bewezen zal verklaren overeenkomstig de bewezen verklaring van de rechtbank en verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de immateriële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en haar voor het overige nietontvankelijk zal verklaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde geweld en de ten laste gelegde bedreiging met geweld, stellende dat verdachte daarbij geen betrokkenheid heeft gehad. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning een geldbedrag van 15.000 euro en/of een doos met kleren en/of een handtas (met daarin twee bankpassen en/of een legitimatiebewijs en/of twee mobiele telefoons), een damestas, een paspoort, een ID-kaart, een X-box, een Nintendo DSi, een wii-computer, 2 fotocamera’s, een videocamera en een grote hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A] en/of een jongen van 5 jaar en /of een meisje van 8 maanden, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(

  1. s)hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
  2. en)dat verdachte en/of zijn mededader(
  3. s)- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A] en/of een jongen van 5 jaar en/of een meisje van 8 maanden heeft/hebben gericht en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Naar binnen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - zichtbaar voor die [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A] en/of een jongen van 5 jaar en/of een meisje van 8 maanden een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben doorgeladen en/of - een slaande beweging met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gemaakt in de richting van het gezicht van die [Benadeelde partij B] en/of - die [Benadeelde partij B] heeft/hebben vast gepakt en/of - een meisje van 8 maanden heeft/hebben vast gepakt en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [Benadeelde partij A] heeft/hebben gericht en/of - aan de tas van die [Benadeelde partij A] heeft/hebben getrokken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 januari 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning een doos, in elk geval enig goed, toebehorende aan [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A]. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande deze partiële vrijspraak als volgt. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 21 januari 2010 in een woning aan de [Adres] te Eindhoven een diefstal is gepleegd en dat de daders door de bewoners zijn overlopen. De bewoners van voornoemde woning, te weten [Benadeelde partij A] en [Benadeelde partij B], hebben verklaard dat zij bij thuiskomst zagen dat de voordeur van de woning openstond. Tevens zagen zij dat er nog een persoon in de woning aanwezig was. Toen de bewoners uit de auto waren gestapt, kwamen er twee mannen van achteren aangelopen. Blijkens de stukken is er vervolgens geweld gepleegd jegens de bewoners (slaan en vastpakken) en is er tevens gedreigd met het plegen van geweld (het richten van een vuurwapen op de bewoners in het bijzijn van hun kinderen en het bezigen van bewoordingen van dreigende aard). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 een bekennende verklaring afgelegd, inhoudende dat hij bij voornoemde diefstal uit een woning betrokken is geweest. Hij heeft verklaard dat hij met twee andere personen, van wie hij de namen niet wil noemen maar die hij beschrijft als de korte en de lange man, na een tip dat er iets van waarde te halen zou zijn in desbetreffende woning te Eindhoven en dat de bewoners niet thuis zouden zijn, naar die woning is gegaan. De verdachte heeft tevens verklaard dat er geen wapens zouden zijn meegenomen en dat het ook niet de bedoeling was om geweld te plegen of om te dreigen met geweld, omdat de bewoners niet thuis zouden zijn. De woning is door verdachte en zijn mededaders doorzocht en uiteindelijk is uit de woning weggenomen waar ze voor kwamen, te weten een doos gevuld met, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 heeft verklaard, flesjes GHB. Op een gegeven moment zijn de bewoners thuisgekomen. Op dat moment bevond de korte man zich nog in de woning. De verdachte was samen met de lange man al buiten. De verdachte wilde de korte man in de woning waarschuwen, is naar de woning gegaan en heeft zich niet gericht op de bewoners en hun kinderen. Hij zag dat er toen een worsteling is ontstaan tussen de mannelijke bewoner van de woning (het hof begrijpt: [Benadeelde partij B]) en de lange man. Op het moment dat de korte man via de voordeur de woning verliet, is hij, de verdachte, samen met de korte man weggerend, aldus de verdachte. De verdachte heeft ontkend dat hij een wapen heeft gehad en dat hij geweld heeft gepleegd. Hij heeft weliswaar de worsteling gezien, maar stelt dat hij daar geen bijdrage aan heeft geleverd. Het hof overweegt dat uit de verklaringen van de aangevers volgt dat de feitelijke geweldsplegingen zijn gepleegd door de man die door hen wordt omschreven als de lange magere jongen. De vraag waar het hof zich voor ziet gesteld is of de verdachte hierbij in enige relevante mate een rol heeft gespeeld. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de verklaring van [Benadeelde partij B] zoals hij die bij de politie heeft afgelegd leidt het hof af dat de dikke jongen - het hof begrijpt op grond van de eigen waarneming ter terechtzitting in hoger beroep dat daarmee de verdachte wordt bedoeld - niets zou hebben gezegd of zou hebben gedaan. [Benadeelde partij B] is, nadat hij door de lange man is geslagen, weggerend en is derhalve geen getuige geweest van wat zich daarna precies heeft afgespeeld en waarover [Benadeelde partij A] heeft verklaard. [Benadeelde partij A] heeft verklaard dat, terwijl haar vriend [Benadeelde partij B] wegrende, de lange jongen zich heeft omgedraaid en zijn wapen op haar heeft gericht en dat op twee meter afstand de dikke jongen (het hof begrijpt: de verdachte) stond. Volgens [Benadeelde partij A] was de lange jongen de woordvoerder en stond de dikke jongen er maar stil bij. Wel zou hij een wapen in de hand hebben gehad. Door verdachte is dit ontkend. Het hof overweegt dat [Benadeelde partij B] pas bij zijn verhoor bij de raadsheercommissaris van dit hof op 20 september 2012 heeft verklaard dat beide mannen een wapen vasthadden, maar het hof kan niet uitsluiten dat deze verklaring is ingegeven doordat [Benadeelde partij B] over het voorval naderhand met [Benadeelde partij A] heeft gesproken. Niet kan worden vastgesteld in hoeverre het hier een eigen waarneming van [Benadeelde partij B] betreft, mede gelet op voornoemde verklaring van [Benadeelde partij A] waaruit blijkt dat [Benadeelde partij B] al was weggerend voordat [Benadeelde partij A] het wapen in handen van verdachte zag, zodat slechts de enkele verklaring van [Benadeelde partij A] dat verdachte een wapen vast had resteert. Alles overziende en gelet op de stellige ontkenning van verdachte, acht het hof onvoldoende bewijs voorhanden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte zelf een wapen heeft gehanteerd. Voorts is het hof van oordeel dat, nu aanwijzingen daarvoor ontbreken, niet kan worden uitgesloten dat verdachte, zoals door hem is gesteld, geen wetenschap (al dan niet in voorwaardelijke vorm) heeft gehad van het feit dat de lange jongen in het bezit was van een vuurwapen. Ook overigens is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij de geweldplegingen en de bedreigingen buiten de woning gepleegd door de lange jongen met een vuurwapen, enig relevant aandeel is toe te rekenen. Uit de omstandigheid dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 heeft verklaard, de worsteling tussen de lange man en één van de aangevers heeft gezien, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte zich achter de geweldplegingen en de bedreigingen van de medeverdachte heeft geschaard en derhalve het geweld en de bedreiging met geweld heeft mede gepleegd nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 heeft verklaard dat hij, naar het hof begrijpt, op dat moment bezig was om weg te lopen. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet, althans onvoldoende gebleken dat de verdachte zich niet van de door de medeverdachte gepleegde geweldplegingen en bedreigingen heeft gedistantieerd. Al met al is het hof van oordeel dat uit de inhoud van de stukken niet kan volgen dat het opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) van de verdachte gericht was op het door de medeverdachte gepleegde geweld en de bedreiging daarmee en er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met de lange jongen gericht op het geweld en de bedreiging daarmee, dat tot een bewezen verklaring van medeplegen van die gedragingen kan worden gekomen. Derhalve wordt de verdachte daarvan vrijgesproken. Wel kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte zich met anderen heeft schuldig gemaakt aan een diefstal te Eindhoven op 21 januari 2010, waarbij uit een woning een doos is weggenomen. Weliswaar kan het hof niet eenduidig vaststellen wat zich in die doos heeft bevonden, maar vast staat dat, mede gelet op de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 29 januari 2013 heeft afgelegd, er in ieder geval een doos met inhoud is weggenomen. In dat verband slaat het hof tevens acht op de verklaring van [O], voor zover inhoudende dat hij met zijn neef [Naam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en een andere persoon die hij kent als ‘De Belg’ op 21 januari 2010 in Eindhoven is geweest en dat hij uit een woning een doos heeft meegenomen en achterin zijn auto heeft gezet op de achterbank. Naar zijn zeggen zou de inhoud daarvan kleding zijn geweest. Voorts neemt het hof in aanmerking de verklaring van de getuige [W] die een man vanuit een woning aan de [Adres] te Eindhoven zag komen en heeft gezien dat deze man een doos in zijn handen had, daarmee naar een geparkeerde auto liep en de doos in de auto zette. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde goederen merkt het hof het volgende op. De handtas van [Benadeelde partij A] met inhoud is blijkens de stukken door de lange jongen buiten de woning weggenomen. Gelet op de wijze van tenlasteleggen komt het hof tot een vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging nu de opsteller van de tenlastelegging kennelijk doelt op het wegnemen van goederen uit een woning. Of naast de doos ook de andere in de tenlastelegging genoemde goederen uit de woning zijn weggenomen is, gelet op de stellige betwisting van verdachte, en bij gebrek aan overige bewijsmiddelen, onvoldoende gebleken, zodat het hof met betrekking tot de andere in de tenlastelegging genoemde goederen eveneens tot een vrijspraak komt. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit in woning, in vereniging gepleegd, waarbij een doos is ontvreemd. Nu het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, tot een andere bewezen verklaring komt en het ten laste gelegde geweld en de ten laste gelegde bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd, niet bewezen acht, zal het hof bij de bepaling van de op te leggen straf uitgaan van andere uitgangspunten. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van woninginbraak. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf, een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. In het onderhavige geval zijn de volgende strafverzwarende omstandigheden van belang. De verdachte heeft de gepleegde diefstal uit een woning in vereniging begaan, de woning is daarbij volledig doorzocht en in de woning is een ravage aangericht. Het hof merkt daarbij op dat een dergelijk delict doorgaans bij de bewoners een langdurig en groot gevoel van onveiligheid te weeg brengt, terwijl juist in de woning, in de privésfeer, een gevoel van veiligheid voor het eigen welbehagen van groot belang is. Daarnaast houdt het hof rekening met de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerden. Tevens heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 november 2012 reeds eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld, zij het dat het hier met name geweldsdelicten betreft. Het hof houdt eveneens rekening met de omstandigheid dat verdachte in hoger beroep grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en zijn verantwoordelijkheid voor de diefstal heeft genomen. Alles overziende kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.783,15, bestaande uit een bedrag van € 4.000,-- ter zake van geleden immateriële schade en een bedrag van € 13.354,75 ter zake van materiële schade plus kosten juridische bijstand voor een bedrag van € 428,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, althans zo begrijpt het hof de brief van de advocaat van de benadeelde partij d.d. 21 september 2012 gericht aan het hof. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat de gestelde geestelijke schade grotendeels teweeg is gebracht door de geweldplegingen en de bedreigingen met geweld. Het hof heeft de verdachte echter vrijgesproken van enige betrokkenheid daarbij. Derhalve acht het hof niet voldoende gebleken dat de gestelde immateriële schade door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. Dit geldt eveneens voor de gevorderde kosten ter zake de weggenomen goederen. Het hof acht bewezen dat een doos met inhoud is weggenomen. Van het overige is de verdachte vrijgesproken. Daarnaast geldt dat de waarde van de inhoud van de weggenomen doos niet eenvoudig is vast te stellen nu het hof niet eenduidig heeft kunnen vaststellen wat er in die doos zat. Bovendien heeft aangeefster blijkens de stukken op grond van haar inboedelverzekering (RVS) reeds een schadevergoeding ontvangen en niet duidelijk is of en zo ja, in hoeverre de inhoud van de weggenomen doos daarmee ook vergoed is. Ten aanzien van de gevorderde kosten terzake de vernielde goederen overweegt het hof dat dit deel van de vordering niet afdoende met bewijsstukken is onderbouwd. In hoger beroep is namens de benadeelde partij geen nader bewijsaanbod gedaan. Er is geen aanleiding tot aanhouding van de behandeling, nu een dergelijke aanhouding naar het oordeel van het hof in dit geval een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan. Gelet op het vorenstaande kan de benadeelde partij [Benadeelde partij A] in haar vordering niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld. Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.180,00 aan geleden materiële schade, bestaande uit een weggenomen geldbedrag van € 15.000,-- en een bedrag van € 180,-- aan kosten juridische bijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde materiële schade door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. Immers, het hof acht bewezen dat is weggenomen een doos met inhoud. Van het overige, waaronder een geldbedrag van € 15.000,00, is de verdachte vrijgesproken. De benadeelde partij [Benadeelde partij B] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A] Verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij A] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk. Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B] Verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij B] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk. Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. M. Rutgers en mr. W.J. Kolkert, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier, en op 12 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.