← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5763

Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001706-11 Uitspraak : 14 maart 2013 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 11 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-265559-10 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1989], wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte deswege zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit wegens noodweer dan wel putatieve noodweer dan wel noodweerexces. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof anders dan de eerste rechter niet tot een bewezenverklaring komt. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 april 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met de vuist in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en/of gescheurde neusschelp en/of gebroken enkel en/of gescheurde enkelbanden), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Uit het voorhanden bewijsmateriaal is wel komen vast te staan, dat hij op 2 april 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]) met de vuist in het gezicht heeft gestompt, tengevolge waarvan deze een gebroken neus en een gescheurde neusschelp heeft bekomen. Vervolgens ligt ter beantwoording de vraag voor of ook kan worden vastgesteld dat verdachte dit opzettelijk mishandelend heeft gedaan dat wil zeggen dat verdachtes opzet daarbij was gericht op het wederrechtelijke karakter van het ten laste gelegde misdrijf. Dienaangaande is van belang dat met betrekking tot de vraag of zijn handelen geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, onderscheidelijk of er sprake was van een overschrijding van de grenzen van die verdediging als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, zoals door de verdediging ter zitting gesteld, in het strafdossier van elkaar verschillende verklaringen zijn opgenomen. Zo hebben enerzijds onder meer de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaard dat hoewel er sprake was van een opstootje, verdachte zonder enige aanleiding om zich heen begon te slaan, terwijl anderzijds de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat verdachte werd belaagd door meerdere personen, waarbij zich nog anderen hebben aangesloten; bij die schermutseling zou verdachte duidelijk niet de overhand hebben gehad. Onder deze omstandigheden is het hof niet in staat om buiten twijfel vast te stellen of er -kort gezegd- al dan niet van een noodweersituatie sprake is geweest; dat betekent dat naar het oordeel van het hof het bewijs ontbreekt voor de in term “mishandelend” impliciet besloten liggende wederrechtelijkheid en de opzet daartoe. Vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2863,68. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 2761,68. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Aldus gewezen door: mr. H.D. Bergkotte, voorzitter, mr. J. Huurman-van Asten en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier, en op 14 maart 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. H.D. Bergkotte is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.