GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.099.628/01 arrest van 2 april 2013 in de zaak van
(26)zelf stellen dat Het Visschersbanket begin mei 2009 aan een betalingseis van [geïntimeerde] niet kon voldoen en haar toezegging om een deel van de terug te ontvangen pensioenpremies aan [geïntimeerde] te betalen niet gestand kon doen ‘zonder haar andere crediteuren te benadelen’ doch blijkens het overzicht van de rekening-courant van [Y.] Management B.V. 2009 (prod. 17 bij productie 21 bij concl.v.dupliek) zijn - in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 1] op de comparitie in eerste aanleg verklaarde - nog aflossingen van leningen gedaan op 4 en 18 mei 2009 (totaal € 10.644,50) en 13 en 17 juli 2009 (totaal € 5.000,=). Die aflossingen staan dan nog los van de managementvergoedingen die blijkens dat overzicht in die maanden nog zijn voldaan, in mei aan [appellanten] in totaal € 7.000,= en in juni € 4.500,= en in juli € 4.800,=. In de rekening-courant van [A.] zijn voor voormelde maanden managementfees vermeld van € 2.500,=, € 2.500,= en € 2.800,= en aflossingen leningen van € 200,= in mei 2009 en € 2.300,= in juli 2009. 4.3.7. Nu het hof, zij het deels op andere gronden, evenals de rechtbank tot het oordeel komt dat aan [appellanten] onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde] moet worden verweten, kunnen de door [appellanten] aangevoerde grieven geen doel treffen. Voor zover partijen over een aantal stellingen van mening verschillen, zoals bijvoorbeeld over de vraag in hoeverre [appellanten] nu wel of niet concrete betalingstoezeggingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan en welke gelden [appellanten] en/of [B.] of [A.] [plaats] Holding B.V. precies in de onderneming heeft gestoken, acht het hof die stellingen voor het hierboven gegeven oordeel niet van doorslaggevende betekenis. Het hof zal op die stellingen daarom verder niet ingaan. Voor zover van enig in dat verband gesteld feit bewijs is aangeboden, wordt dat bewijsaanbod eveneens als niet relevant gepasseerd. 4.3.8. Voor zover de deels andere gronden waarop het hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank komt ten aanzien van het aan [appellanten] verweten onrechtmatig handelen gevolgen mocht hebben voor de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding, zal het hof daarop verder ingaan bij de bespreking van de grieven in het incidenteel appel. 4.4.1. In grief VI in het incidenteel appel keert [geïntimeerde] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort samengevat, de door de curator in het faillissement van Het Visschersbanket ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren tegen [appellanten] en [A.] [plaats] B.V. en [A.] ingestelde vordering aanleiding geeft om in de procedure tussen [geïntimeerde] en [appellanten] de subsidiaire vordering - veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat - toe te wijzen. 4.4.2. Deze grief slaagt in zoverre dat de vordering van de curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren er niet aan in de weg staat dat een individuele crediteur als [geïntimeerde] zelfstandig zijn vordering op grond van een aan de bestuurders jegens hem als crediteur te verwijten onrechtmatig handelen tegen de bestuurders instelt. Een verstoring van de ‘paritas creditorum’ is bij een instelling door beiden - de curator en de individuele crediteur - niet in het geding en het feit dat het door [geïntimeerde] aan [appellanten] verweten onrechtmatig handelen is gelegen in de door [appellanten] uitgeoefende bestuurstaak geeft als zodanig geen grond om de afdoening van de vordering van de individuele crediteur afhankelijk te stellen van die van de vordering van de curator (zie HR 21 december 2001, NJ 2005, 95 {Lunderstädt/ De Kok} en HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 {Sobi/Hurks}). Wel kan het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement meebrengen dat eerst op de vordering van de curator wordt beslist. Nu de procedure van de curator in het faillissement van het Visschersbanket tegen [appellanten], [A.] [plaats 2] Holding B.V. en [A.] (verder: de curator) door de rechtbank ambtshalve is doorgehaald, ziet het hof in dit geval geen reden om niet direct tot vaststelling van de aan [geïntimeerde] toe te wijzen schadevergoeding te komen. Uit de proceshouding van de curator in de door hem aangespannen procedure concludeert het hof dat er bij de curator kennelijk geen belang bestaat om zijn vordering als eerste afgedaan te zien worden. Nu de schadevordering zich ook overigens voor directe vaststelling leent, zal het hof bezien in hoeverre de primaire vordering van [geïntimeerde] tot zodanige schadevergoeding toewijsbaar is. 4.5.1. Voor het antwoord op de vraag welke schade [geïntimeerde] ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [appellanten] heeft geleden, heeft als uitgangspunt te gelden dat dit het verschil is tussen de situatie waarin [geïntimeerde] zonder het onrechtmatig handelen van [appellant sub 1] zou hebben verkeerd en de situatie waarin zij thans verkeert. De hoogte van die schade zal naar zijn aard dienen te worden geschat en ex aequo et bono dienen te worden begroot. 4.5.2. Bij die begroting zal het hof de volgende feiten en omstandigheden betrekken: (
- a)het per eind 2007 openstaand factuurbedrag van de facturen van [geïntimeerde] , (
- b)de omvang van de door [appellanten] in 2008 en 2009 aan zichzelf c.q. de participanten betaalde bedragen en (
- c)het uitgangspunt van [geïntimeerde] zelf dat Het Visschersbanket als onderneming gedoemd was te failleren. Het hof acht punt (
- a)ook bij de deels andere gronden waarop het hof het handelen van [appellanten] onrechtmatig heeft geoordeeld relevant. Ook indien [appellanten] de voortzetting van de onderneming begin 2008 nog niet kan worden verweten maar van hen wel mocht worden verwacht dat zij dit niet ten koste van leveranciers als [geïntimeerde] zouden doen, is de schade van [geïntimeerde] ten gevolge van het aan [appellanten] bij de voortzetting te verwijten onrechtmatig handelen gelegen in een aan dat handelen toe te schrijven toename van de onbetaald gebleven factuurbedragen. Het hof zal bij de begroting van de schade voorts in aanmerking nemen dat volgens de opgave van de curator (prod. 21 bij prod. 21 bij concl.v.dupliek) sprake is van boedelvorderingen ten bedrage van € 14.073,93, preferente vorderingen ten bedrage van € 120.159,76 en van voorlopig erkende concurrente vorderingen van € 716.901,97 (incl. btw), waarvan € 266.209,12 (incl. btw) voor de vordering van [geïntimeerde] . 4.5.3. Tot en met december 2007 beliep de hoogte van het openstaande factuurbedrag van [geïntimeerde] een bedrag van € 75.386,67 (prod.2 mem.v.antw. in princ.appel). De in het faillissement voorlopig erkende vordering van [geïntimeerde] wegens openstaande facturen bedraagt € 266.209,12 (incl. € 33.467,71 btw). Het onbetaald gebleven factuurbedrag (incl.btw) is in de periode van voortzetting van de onderneming dus toegenomen met € 190.822,45. 4.5.4. Gelet op het uitgangspunt dat van de ‘participanten’ mocht worden verwacht dat zij hun financiering van de onderneming voorlopig niet zouden opeisen, hadden [appellanten] in elk geval de sedert begin 2008 ten laste van Het Visschersbanket in mindering op de rekening-courant vorderingen van [Y.] Management Partners B.V. en [A.] gedane aflossingen en betalingen, voor zover niet betreffende een redelijk te achten managementvergoeding, niet mogen doen. Deze bedragen hadden zij ten goede van leveranciers als [geïntimeerde] behoren te doen komen. Uitgaande van de rekening-courant overzichten zoals overgelegd als de producties 16 en 17 bij prod. 21 bij conclusie van dupliek gaat het hier voor 2008 voor wat betreft [Y.] Management Partners B.V. om betalingen van € 141.245,78. Gelet op enerzijds het volgens de fiscus gebruikelijk te achten dga-loon van € 40.000,= bruto per jaar en anderzijds het door [appellanten] zelf gestelde feit dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in 2006 en 2007 bij lange na die jaarbedragen niet hebben opgenomen (mem.v. grieven p. 10) en op de financiële situatie van Het Visschersbanket in 2008 en 2009 en de bewustheid van [appellanten] daarvan (het hof verwijst naar r.o. 4.1.1. onder d en r.o. 4.3.4), zal het hof het voor 2008 en 2009 in de gegeven omstandigheden redelijk te achten bedrag aan uit te keren managementvergoedingen voor [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tezamen stellen op € 60.000,= per jaar. Dit betekent dat [appellanten] van de betalingen van € 141.245,78 in 2008 een gedeelte van € 81.245,78 ten goede van de crediteuren hadden behoren te doen komen. Over 2009 is de rekening-courant vordering van [Y.] Management Partners met een bedrag van € 75.519,68 verminderd. Indien rekening wordt gehouden met een voor [appellanten] tot augustus 2009 redelijk te achten managementfee voor acht maanden van ca. € 40.000,=, zou hiervan een bedrag van € 35.519,68 ten goede van de crediteuren hebben behoren te komen. Voor wat betreft [A.] gaat het over 2008 om een bedrag van € 27.500,= en in 2009 aan aflossingen op leningen die niet hadden mogen worden gedaan. Aan [A.] werd over 2009 tot en met augustus € 23.383,13 voldaan waarvan € 12.860,= aan managementfee, zodat voor wat betreft deze betalingen zal worden uitgegaan van een bedrag van € 10.000,= dat niet aan [A.] had behoren te worden betaald maar ten goede van crediteuren had behoren te komen. Het bovenstaande rechtvaardigt de conclusie dat in elk geval een bedrag van circa € 150.000,= ten onrechte niet is aangewend ter voldoening van leveranciers als [geïntimeerde] . 4.5.5. In aanmerking nemende dat [geïntimeerde] weliswaar de grootste crediteur van Het Visschersbanket was maar dat ook andere leveranciers hun vorderingen niet geheel voldaan hebben zien worden, acht het hof het redelijk om ervan uit te gaan dat van voormeld bedrag een gedeelte van € 75.000,= in mindering op facturen van [geïntimeerde] had moeten worden voldaan. De toename van de onbetaald gebleven facturen zou daarmee beperkt zijn gebleven tot een bedrag van € 115.822,45 in plaats van thans het bedrag van € 190.822,12. Uitgaande van een in het verschil begrepen bedrag aan btw van € 9.429,= (pro rato met de btw in het bedrag van € 266.209,12 volgens de opgave van de curator) komt dat neer op een ‘schade’ van (afgerond) € 65.500,=. Het hof zal de primaire vordering van [geïntimeerde] tot dit bedrag, verminderd met het al door [geïntimeerde] ontvangen bedrag van € 7.000,=, toewijzen. Nu het gaat om een per datum faillissement ex aequo et bono begrote schade, zal de rentevordering van [geïntimeerde] in die zin worden toegewezen dat over een bedrag van € 65.500,= de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum faillissement (25 augustus 2009) tot 26 april 2012 en over een bedrag van € 58.500,= vanaf 26 april 2012 tot de dag der algehele voldoening. 4.5.6. Het door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten nu [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gespecificeerd heeft gesteld welke kosten zij heeft gemaakt die, als een procedure volgt, niet kunnen worden gerekend tot kosten waarvoor de vergoeding in de proceskostenveroordeling begrepen moet worden geacht. 4.5.7. De stelling van [geïntimeerde] dat haar schade dient te worden begroot op het gehele bedrag dat van die vordering onbetaald is gebleven stuit af op het feit dat de stellingen van [geïntimeerde] zelf niet de conclusie kunnen dragen dat het faillissement als zodanig een gevolg is van het door [geïntimeerde] gestelde onrechtmatig handelen van [appellanten] jegens [geïntimeerde] . Dat sluit echter niet uit dat in de door de curator jegens [appellanten], [A.] [plaats] B.V. en [A.] geëntameerde procedure, indien die procedure mocht worden hervat, [appellanten] op de vordering van de curator op grond van art. 2:248 BW jegens de boedel nog aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het gehele tekort in het faillissement. Voor zover de in het faillissement voorlopig erkende vordering van [geïntimeerde] de thans toe te wijzen schadevergoeding te boven gaat, zal dat gedeelte van die vordering in de vordering van de curator begrepen blijven. 4.5.8. Gelet op enerzijds de ex aequo et bono begroting van de schade en anderzijds het uitgangspunt dat Het Visschersbanket geen mogelijkheid van voortbestaan had, acht het hof het voor de beslissing op de vorderingen van [geïntimeerde] niet nodig om door [geïntimeerde] verder nog tegen het bestuurlijk handelen van [appellanten] gerichte bezwaren te bespreken. Kwesties als door [appellanten] vóór het faillissement al dan niet “overgezette” klanten en door hen mogelijk tegen een te lage waarde verkochte inventaris en/of voor eigen rekening verkochte voorraad kunnen wel van belang zijn voor de vraag of [appellanten] als bestuurders onbehoorlijk hebben gehandeld en voor de vraag of zij de boedel daardoor hebben benadeeld. Voor de hoogte van de door [geïntimeerde] al voordien geleden en in deze procedure gevorderde schade ten gevolge van de niet betaling van haar facturen zijn deze echter niet relevant, althans is voor enig causaal verband daarmee door [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. Voor zover de boedel door het gestelde handelen is benadeeld, zal dat in de door de curator geëntameerde procedure aan de orde dienen te komen. 4.5.9. Gezien de omvang van het tekort in het faillissement (zie r.o. 4.5.2) acht het hof het, behoudens het geval dat [appellanten] in de procedure van de curator alsnog voor het tekort in het faillissement aansprakelijk mochten worden gehouden, dat [geïntimeerde] in het faillissement enige betaling op haar in het faillissement ingediende vordering zal ontvangen. Het hof zal bij de veroordeling niettemin duidelijkheidshalve bepalen dat voor het geval [geïntimeerde] uit het faillissement een uitkering mocht verkrijgen die het verschil tussen haar in het faillissement voorlopig erkende vordering en het in deze procedure in hoofdsom toegewezen bedrag te boven gaat, het meerdere in mindering zal strekken op het door [appellant sub 1] ingevolge dit arrest te betalen bedrag. 4.6.1. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt grief VI in het incidenteel appel doch faalt grief V, waarin [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat het volledige bedrag van haar onbetaald gebleven vordering, inclusief contractuele rente en kosten, moet worden toegewezen. Het hof verwerpt eveneens grief IV waarin [geïntimeerde] stelt dat [appellanten] in het geheel geen beloning voor hun werkzaamheden toekomt omdat zij de onderneming niet hadden mogen voortzetten. Nu het hof de voortzetting van de onderneming als zodanig niet onrechtmatig heeft geoordeeld, is er geen reden om aan [appellanten] een redelijke beloning voor hun bestuurswerkzaamheden te ontzeggen. 4.6.2. In grief VII in het incidenteel appel bepleit [geïntimeerde] veroordeling van [appellanten] in de kosten van het vrijwaringsincident. Aan die grief legt [geïntimeerde] ten grondslag dat niet is gebleken dat [appellanten] aan de gevraagde oproeping in vrijwaring een vervolg hebben gegeven en dat het incident daarom nodeloos door hen is opgeworpen. Nu blijkens de mededeling van de advocaat van [appellanten] over het verloop van de vrijwaringsprocedure deze grief berust op een onjuiste veronderstelling van [geïntimeerde] , verwerpt het hof deze grief. 4.7.1. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor wat betreft de veroordeling onder 5.2 van het vonnis waarvan beroep (de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot vergoeding van schade, op te maken bij staat) en dat de primaire vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding alsnog zal worden toegewezen zoals hiervoor nader omschreven. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. 4.7.2. [appellanten] zullen als de geheel en grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal appel worden verwezen, met inbegrip van de door [geïntimeerde] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten. In het incidenteel appel zullen de proceskosten worden gecompenseerd nu partijen in dat appel over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal, gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag, voor het salaris advocaat uitgaan van tarief IV en de kosten van het pleidooi in hoger beroep geheel meetellen in het principaal appel. 4.7.3. Voor zover door partijen op onderdelen nog bewijs is aangeboden passeert het hof die aanbiedingen als niet relevant of onvoldoende specifiek. 5. De uitspraak Het hof: op het principaal en het incidenteel appel: vernietigt het vonnis van 28 september 2011 waarvan beroep ten aanzien van de onder 5.2 van dit vonnis uitgesproken veroodeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] een bedrag van € 58.500,= (ACHTENVIJFTIGDUIZEND VIJFHONDERD EURO) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 65.500,= vanaf de datum faillissement (25 augustus 2009) tot 26 april 2012 en over een bedrag van € 58.500,= vanaf 26 april 2012 tot de dag der algehele voldoening; bepaalt dat indien [geïntimeerde] uit het faillissement een uitkering mocht verkrijgen die het verschil tussen haar in het faillissement voorlopig erkende vordering en het in deze procedure in hoofdsom toegewezen bedrag te boven gaat, het meerdere in mindering zal strekken op het door [appellant sub 1] ingevolge dit arrest te betalen bedrag; wijst het door [geïntimeerde] aan schadevergoeding meer of anders gevorderde af; bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige; veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 4.713,= aan verschotten en op € 4.893,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak en nakosten van € 131,= (indien geen betekening van het arrest plaatsvindt) dan wel € 199,= (indien wel betekening plaatsvindt); compenseert de proceskosten van het incidenteel appel in die zin tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, L.R. van Harinxma thoe Slooten en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2013.