GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.099.032/01 arrest van 9 april 2013 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. R.A.H. Vullings te Tilburg, tegen Advocatenkantoor [Advocatenkantoor] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. drs. A.Ch. Osté te Dongen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 januari 2012 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaaknummer 228676/HA ZA 10-2330 gewezen vonnissen van 4 mei 2011 en 14 september 2011. 5. Het tussenarrest van 31 januari 2012 Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6. Het verdere verloop van de procedure 6.1. De comparitie heeft op 29 februari 2012 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven. 6.2. Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd, naast het dossier van de eerste aanleg één productie overgelegd, bewijs aangeboden en – samengevat – geconcludeerd tot, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, 2. afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde], 3. veroordeling van [geintimeerde] om deugdelijke bewijsstukken te overleggen betreffende de door hem gesteld verrichte werkzaamheden en 4. veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties. 6.3. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden en vijf producties overgelegd. Voorts heeft [geintimeerde] incidenteel appel ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Breda van 14 september 2011, daarin twee grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en, kort gezegd, tot veroordeling van [appellant] om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 5.051,91 in verband met niet betaalde facturen en een bedrag van € 1.858,78 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, met bekrachtiging van genoemd vonnis voor het overige en met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. 6.4. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord. 6.5. [appellant] heeft een akte na memorie van antwoord in het principaal appel genomen en daarbij één productie in het geding gebracht. 6.6. [geintimeerde] heeft een antwoordakte genomen. 6.7. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 7. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories. 8. De verdere beoordeling in principaal en incidenteel appel 8.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 mei 2011 onder 3.1.1. tot en met 3.1.5. vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 8.1.1. [appellant] is sinds 2002 cliënt van [geintimeerde]. Bij [geintimeerde] werkzame advocaten – mr. drs. [geintimeerde] en mr. [advocaat B.] – hebben in opdracht en voor rekening van [appellant] werkzaamheden verricht. 8.1.2. [geintimeerde] heeft in haar administratie diverse dossiers aangemaakt op naam van [appellant]. [geintimeerde] maakt, in verband met door haar gestelde werkzaamheden in deze dossiers, aanspraak op betaling door [appellant] van de volgende bedragen: Dossier Betreft Declaratienummer, periode Bedrag [dossiernummer 1.] [appellant]/Slachtoffer [declaratienummer 1.] periode 24-08-06 t/m 24-10-06 243,16 [dossiernummer 2.] [appellant]/OM [declaratienummer 2.] periode 18-04-06 t/m 14-08-06 1.479,29 [dossiernummer 3.] [appellant]/Belastingdienst [declaratienummer 3.] periode 21-08-06 t/m 20-06-07 1.075,30 [dossiernummer 4.] [appellant]/GKB [declaratienummer 4.] periode 15-01-07 t/m 31-05-07 739,64 [dossiernummer 5.] [appellant]/Politie [declaratienummer 5.] periode 13-06-06 t/m 23-04-07 823,94 [dossiernummer 6.] [appellant]/Belastingdienst cassatie declaratienummer 6.] periode 27-06-07 t/m 26-07-07 36,58 waarvan voldaan (aldus [geintimeerde]): - 14,00 Subtotaal (incl. btw) € 4.383,91 [dossiernummer 7.] [appellant]/[zaak] [declaratienummer 7.] periode 15-05-09 t/m 15-10-09 5.051,91 Totaal (incl. btw) € 9.435,82 8.1.3. [appellant] heeft vanaf 23 oktober 2007 in de schuldsaneringsregeling gezeten. Bij vonnis van 11 september 2009 heeft de rechtbank Breda de schuldsanering op verzoek van [appellant] beëindigd op grond van artikel 350, lid 3, sub g, van de Faillissementswet (hierna: Fw). 8.2. Bij exploot van 7 december 2010 heeft [geintimeerde] [appellant] gedagvaard en veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling aan haar van een bedrag van € 9.435,82, vermeerderd met rente en kosten. 8.2.1. [appellant] heeft verweer gevoerd. Bij tussenvonnis van 4 mei 2011 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van [geintimeerde] tot een bedrag van € 4.383,91 voor toewijzing gereed lag en voor wat betreft de zaak met dossiernummer [dossiernummer 7.] [geintimeerde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de omstandigheid dat mr. Menkveld op 9 april 2009 een toevoeging had aangevraagd, welke toevoeging op 13 mei 2009 is verstrekt, invloed heeft gehad op de beslissing van de raad voor de rechtsbijstand omtrent het al dan niet verstrekken van een toevoeging voor de werkzaamheden die [geintimeerde] vanaf 15 mei 2009 in die zaak heeft verricht. 8.2.2. Bij eindvonnis van 14 september 2011 heeft de rechtbank de vordering van [geintimeerde] gedeeltelijk toegewezen en [appellant] – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – veroordeeld om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 4.383,91, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 6 juli 2010 tot aan de dag van volledige betaling. [appellant] is voorts veroordeeld in de proceskosten à € 1.593,89 en in de nakosten. 8.2.3. De rechtbank heeft bij haar beslissingen onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat aan de door [geintimeerde] verrichte werkzaamheden een opdracht van [geintimeerde] ten grondslag ligt en dat, nu [appellant] zulks onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is komen vast te staan dat [geintimeerde] de op de overgelegde facturen vermelde werkzaamheden ook heeft verricht (tussenvonnis r.o. 3.8. t/m 3.10.). De omstandigheid dat [appellant] de declaraties van [geintimeerde] niet eerder dan bij dagvaarding stelt te hebben ontvangen, laat de verschuldigdheid ervan onverlet (tussenvonnis r.o. 3.12.). De rechtbank heeft [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat hij ervan uit mocht gaan dat [geintimeerde] de werkzaamheden om niet zou verrichten. Volgens de rechtbank moet het, nu [geintimeerde] heeft gesteld dat zij – wetende dat [appellant] in ongunstige financiële omstandigheden verkeerde – met [appellant] heeft afgesproken dat hij de uitkering van een kapitaalverzekering zou reserveren voor de kosten van de verschillende zaken bij het kantoor van [geintimeerde] en in aanmerking genomen het feit dat [geintimeerde] werkzaamheden heeft verricht, voor [appellant] duidelijk zijn geweest dat voor die werkzaamheden enige betaling verschuldigd zou zijn (tussenvonnis r.o. 3.14.). Ten aanzien van het verweer van [appellant] dat [geintimeerde] zijn werkzaamheden ten onrechte niet op basis van gefinancierde rechtshulp heeft verricht, heeft de rechtbank overwogen dat – de zaak [appellant]/[zaak] uitgezonderd – voldoende is gebleken dat [geintimeerde] telkens toevoegingen heeft aangevraagd, welke niet zijn verkregen, en dat in de overgelegde opdrachtbevestigingen steeds duidelijk is vermeld dat de werkzaamheden in dat geval op basis van een uurtarief zouden worden gedeclareerd (tussenvonnis r.o. 3.16.). In het eindvonnis heeft de rechtbank het verweer van [appellant] gehonoreerd dat [geintimeerde] ook in de zaak [appellant]/[zaak] een toevoeging had moeten aanvragen. Zij heeft in dat verband overwogen dat, nu niet kan worden uitgesloten dat in die zaak een toevoeging zou zijn verleend, [geintimeerde] haar werkzaamheden ten onrechte op basis van het uurtarief in rekening heeft gebracht. De rechtbank heeft het gedeelte van de vordering van [geintimeerde] dat correspondeerde met de zaak [appellant]/[zaak] (groot € 5.051,91) daarom afgewezen (eindvonnis r.o. 2.2. t/m 2.5.). Ook de door [geintimeerde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn door de rechtbank afgewezen (tussenvonnis r.o. 3.28; eindvonnis r.o. 2.7.). 8.3. De grieven in het principaal appel zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank om een gedeelte van de vordering van [geintimeerde] – het gedeelte dat betrekking heeft op de zaken met de dossiernummers [dossiernummer 1.], [dossiernummer 2.], [dossiernummer 3.], [dossiernummer 5.] en [dossiernummer 6.] – toe te wijzen. Tegen toewijzing van de declaratie in dossiernummer [dossiernummer 4.] is geen grief gericht. De eerste grief van [geintimeerde] in het incidenteel appel is gericht tegen het eindvonnis van 14 september 2011 en betreft het oordeel van de rechtbank dat, nu geen toevoeging is aangevraagd, niet kan worden uitgesloten dat in de zaak [zaak] (dossier [dossiernummer 7.]) een toevoeging aan [appellant] zou zijn verleend en dat [geintimeerde] daarom ten onrechte haar werkzaamheden op basis van het uurtarief in rekening heeft gebracht (r.o. 2.5). De tweede grief van [geintimeerde] is gericht tegen afwijzing van haar vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten. in principaal appel 8.4. Het hof vat de grieven in het principaal appel als volgt samen. Grief I tot en met VII zijn gericht tegen het tussenvonnis van 4 mei 2011. De grieven I en II betreffen het oordeel van de rechtbank dat is komen vast te staan dat [geintimeerde] de werkzaamheden zoals vermeld op de overgelegde facturen (dit betreft de facturen [declaratienummer 1.], [declaratienummer 2.], [declaratienummer 3.], [declaratienummer 5.] en [declaratienummer 6.]) heeft verricht en dat aannemelijk is dat aan deze werkzaamheden een opdracht van [appellant] ten grondslag ligt. Grief III is gericht tegen het oordeel dat het voor [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat hij voor de door [geintimeerde] gestelde werkzaamheden enige betaling verschuldigd is. Grief IV en V betreffen het oordeel van de rechtbank dat voldoende is gebleken dat [geintimeerde] telkens toevoegingen heeft aangevraagd, welke niet zijn verkregen. Grief VI richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij, nu hiertoe geen stukken zijn overgelegd, niet kan vaststellen of [geintimeerde] zich als schuldeiser van [appellant] heeft gepresenteerd. Grief VII betreft een algemene grief tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering voor een gedeelte groot € 4.383,91 voor toewijzing gereed ligt. Grief VIII is gericht tegen het eindvonnis van 14 september 2011, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op de beslissingen die zij heeft genomen in het tussenvonnis en, in aansluiting daarop, de vordering van [geintimeerde] tot een bedrag van € 4.383,91 heeft toegewezen. 8.5. Heeft [geintimeerde] de gestelde werkzaamheden in opdracht van [appellant] verricht? 8.5.1. De eerste twee grieven van [appellant] lenen zich naar het oordeel van het hof voor een gezamenlijke bespreking. 8.5.2. In de toelichting bij de grieven I en II heeft [appellant] zich primair op het standpunt gesteld dat [geintimeerde] in de zaken met de dossiernummers [dossiernummer 1.], [dossiernummer 2.], [dossiernummer 3.], [dossiernummer 5.] en [dossiernummer 6.] geen werkzaamheden in zijn opdracht heeft verricht. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hij niet alleen een zakelijke, maar ook een vriendschappelijke relatie had met mr. [geintimeerde], zodat partijen niet meteen de intentie hadden om diens adviezen omtrent de privéproblemen van [appellant] te zien als bijstand door een advocaat. 8.5.3. Naar het oordeel van het hof is de aard van de relatie tussen [appellant] en mr. [geintimeerde] niet relevant bij de beoordeling van de vraag of (en zo ja, welke) werkzaamheden door [geintimeerde] zijn verricht. Die omstandigheid kan mogelijk wel een rol spelen bij de beoordeling van de in het kader van de derde grief te beantwoorden vraag of partijen al dan niet hebben afgesproken dat [geintimeerde] (een gedeelte van) de werkzaamheden voor [appellant] om niet zou verrichten. Daarbij zullen tevens aan de orde komen de door [appellant] ingenomen stelling dat [geintimeerde] hem pas eind 2009/begin 2010 voor het eerst heeft benaderd met betrekking tot de gestelde openstaande facturen en de omstandigheid dat [geintimeerde] zich ten tijde van de schuldsanering niet als schuldeiser heeft gemeld bij de bewindvoerder van [appellant]. 8.5.4. Subsidiair heeft [appellant] de omvang van de door [geintimeerde] gestelde werkzaamheden betwist en de overweging geopperd om middels een zogenaamde begrotingsprocedure inzicht te krijgen in de door [geintimeerde] gevorderde bedragen. 8.5.5. Het hof zal de stellingen van [appellant] hierna per dossier bespreken. Dossier [dossiernummer 1.] (de voeging in de strafzaak tegen mevrouw [mevrouw]) 8.5.6. [appellant] heeft uitdrukkelijk betwist dat [geintimeerde] hem in deze kwestie heeft bijgestaan. Hij wijst er daarbij op dat hij het voegingsformulier zelf naar het openbaar ministerie heeft verzonden en dat hij zonder [geintimeerde] naar de strafzitting – waar mevrouw [mevrouw], zijn ex-partner, als verdachte terechtstond – is geweest. 8.5.7. Het hof constateert dat op de urenspecificatie die [geintimeerde] in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar declaratie met nummer [declaratienummer 1.] (à € 243,16), vermeld staat dat het dossier [dossiernummer 1.] in behandeling is bij mr. [geintimeerde] en dat diens werkzaamheden hebben bestaan uit een bespreking en een telefoongesprek op 24 augustus 2006 en een zitting met wacht- en reistijd op 24 oktober 2006. Dit laat zich naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet verenigen met de in de memorie van antwoord door [geintimeerde] ingenomen stellingen dat de zaak met dossiernummer [dossiernummer 1.] is behandeld door mr. [advocaat B.] en dat de strafzitting waarop de ex-partner van [appellant] terecht heeft gestaan, heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2006. Daar komt nog bij dat [geintimeerde] in haar antwoordakte van 15 januari 2013 (onder 5) erkent dat [appellant] alleen naar de zitting is geweest, terwijl de in rekening gebrachte kosten in overwegende mate zien op (bijstand bij) een zitting. Aldus heeft [geintimeerde] de tijd die zij stelt te hebben besteed aan het dossier [dossiernummer 1.], niet voldoende onderbouwd. Dat betekent dat dit gedeelte van haar vordering wordt afgewezen. Dossiers [dossiernummer 2.] en [dossiernummer 5.] (betreffende het OM, respectievelijk de politie) 8.5.8. [geintimeerde] heeft de gedeelten van haar vordering welke corresponderen met de dossiers [dossiernummer 2.] en [dossiernummer 5.] reeds in eerste aanleg onderbouwd met een opdrachtbevestiging en een gedetailleerde urenspecificatie. In de urenspecificatie van dossier [dossiernummer 2.] wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van het voorbereiden en bijwonen door mr. [geintimeerde] van een zitting op 17 mei 2006. [appellant] heeft zich tegen deze declaraties verweerd door te stellen dat hij nooit (naar het hof begrijpt: als verdachte) in aanraking is geweest met politie of justitie, zodat [geintimeerde] geen werkzaamheden (in zijn opdracht) kan hebben verricht in een zaak van hem tegen het OM of de politie. Aan deze betwisting gaat het hof voorbij, nu [appellant] haar niet met concrete feitelijke gegevens heeft onderbouwd. Daar komt nog bij dat hij de geloofwaardigheid van bedoeld verweer – dat erop neerkomt dat hij door zijn advocaat ten onrechte in verband zou zijn gebracht met strafrechtelijk verwijtbaar gedrag – onder druk heeft gezet door dit pas in hoger beroep voor het eerst te poneren en daarvoor geen enkele verklaring te geven. 8.5.9. Aan de betwisting door [appellant] van de omvang van de door [geintimeerde] gestelde werkzaamheden gaat het hof eveneens voorbij, omdat [appellant] op geen enkele manier concreet heeft gemaakt op welke punten de declaraties [declaratienummer 2.] en/of [declaratienummer 5.] onjuist zouden zijn en hij evenmin aangeeft op welke punten die declaraties (of de bijbehorende urenspecificaties) nadere verduidelijking zouden behoeven. 8.5.10. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof als vaststaand aanneemt dat de werkzaamheden die zijn opgenomen in de urenspecificaties inzake de dossiers [dossiernummer 2.] en [dossiernummer 5.] door [geintimeerde] zijn uitgevoerd en dat hieraan ook een opdracht van [appellant] ten grondslag lag. Dossiers [dossiernummer 3.] en [dossiernummer 6.] (betreffende de Belastingdienst) 8.5.11. [geintimeerde] vordert betaling van diverse werkzaamheden welke verband houden met procedures tussen [appellant] en de Belastingdienst over volgens de fiscus ten onrechte genoten kinderkorting (dossiers [dossiernummer 3.] en [dossiernummer 6.]). [appellant] erkent dat hij problemen had met de Belastingdienst en dat hij daarover ‘wellicht een woord gewisseld heeft met [geintimeerde]’, maar betwist dat [geintimeerde] ter zake (relevante) werkzaamheden voor hem heeft verricht. 8.5.12. Naar het oordeel van het hof had het op de weg gelegen van [appellant] om zijn stelling dat hij zijn fiscale problemen ‘zelf heeft afgehandeld, zonder bijstand van [geintimeerde]’, met nadere concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, bijvoorbeeld door zijn eigen correspondentie met de Belastingdienst in het geding te brengen. Door zulks na te laten heeft hij de met gedetailleerde urenspecificaties onderbouwde vordering van [geintimeerde] onvoldoende betwist. Dit leidt het hof tot de conclusie dat de rechtbank ten aanzien van de in de specificaties [dossiernummer 3.] en [dossiernummer 6.] genoemde werkzaamheden terecht heeft geoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.