Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-000702-11 Uitspraak : 24 april 2013 VERSTEK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Breda zitting houdende te Tilburg van 8 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-655238-10 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, het ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren overeenkomstig een door hem overgelegd geschrift en verdachte zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,-, met een proeftijd van 2 jaren. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de kantonrechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan de motiveringsvoorschriften van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 25 januari 2010 tot en met 26 april 2010 te Tilburg, als degene die het gezag over de jongere [dochter verdachte], geboren op [dag-maand-2005], uitoefent, deze niet heeft ingeschreven op een school; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 januari 2010 tot en met 26 april 2010 te Tilburg, althans te Rock Rapids, Iowa (Verenigde Staten) meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [dochter verdachte], geboren op [dag-maand-2005], (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school was ingeschreven en/of die als leerling van een school, te weten de Alpha Omega Academy, althans enige andere school, was ingeschreven, die school na inschrijving regelmatig bezocht. Uit de bewoordingen van de tenlastelegging blijkt dat het primair ten laste gelegde in uitgewerkte vorm terugkeert in het subsidiair ten laste gelegde. Bij zijn eis heeft de advocaat-generaal zich uitsluitend uitgelaten over het subsidiair ten laste gelegde. Om die redenen kent het hof aan het primair ten laste gelegde geen zelfstandige betekenis toe. Het heeft dan ook het subsidiair ten laste gelegde (alsmede het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde) als grondslag voor de beraadslaging genomen. Verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging. Voor zover in deze tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is ook daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van het subsidiair en impliciet meer subsidiair ten laste gelegde Op grond van artikel 2, eerste lid van de Leerplichtwet 1969, is degene die het gezag over een jongere uitoefent verplicht te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Artikel 3, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 bepaalt dat de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt. Van de verplichting tot inschrijving van de jongere is vrijstelling mogelijk. Artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 regelt deze vrijstellingen. Door verdachte is een beroep gedaan op artikel 5, aanhef en onder b., van de Leerplichtwet 1969. Op grond van die bepaling geldt, voor zover in deze strafzaak van belang, voor de in beginsel inschrijvingsplichtige personen vrijstelling van die verplichting zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben. Artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 verbindt aan een beroep op vrijstelling de formele eis van kennisgeving aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven. Deze kennisgeving dient te specificeren voor welke jongeren en op welke grond de inschrijvingsplichtige meent aanspraak te mogen maken op vrijstelling. Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 moet, voor zover in deze strafzaak van belang, deze kennisgeving worden ingediend ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt. Artikel 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 eist dat bij een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b. van de Leerplichtwet 1969 de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan. Het kind van verdachte, [naam kind verdachte], is geboren op [dag-maand-2005]. De verplichting om haar in te schrijven als leerling van een school ontstond voor verdachte op 1 maart 2010. De kennisgeving als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 diende derhalve te worden ingediend uiterlijk een maand voor 1 maart 2010. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat genoemde [kind verdachte] op die datum niet stond ingeschreven als leerling van een school. Dat zij voor die datum op een wachtlijst van een school stond geplaatst, maakt dat niet anders. Evenmin is gebleken dat [kind verdachte] na genoemde datum (fysiek) een school heeft bezocht. Verdachte heeft op 11 februari 2009 een, kennelijk door de gemeente Tilburg verstrekt, formulier ingevuld met als hoofd ‘Verklaring bedenkingen tegen de richting van de school (artikel 5 onder b juncto artikel 8, van de Leerplichtwet 1969)’. Op 3 januari 2010 heeft verdachte een brief gestuurd naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, waarin zij kennis geeft op grond van artikel 5 sub b., van de Leerplichtwet aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van [kind verdachte] als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling. Na schriftelijk contact met medewerkers van de gemeente Tilburg heeft verdachte bij brief van 26 april 2010 haar richtingbezwaren inhoudelijk toegelicht. Gelet op de rechtspraak inzake de vrijstelling die in de onderhavige zaak aan de orde is, geldt voor de toetsing van het beroep daarop het volgende kader: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.