GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.113.065/01 arrest van 23 april 2013 in de zaak van Stichting AlleeWonen, gevestigd te [[vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. A.P.E. Brouwer te Roosendaal, tegen [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. J.M.R. Vlaar te Budel, op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector civiel recht, in kort geding gewezen vonnis van 10 augustus 2012 tussen appellante – AlleeWonen – als eiseres en geïntimeerde – [geintimeerde] – als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 252486 / KG ZA 12-411) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft AlleeWonen de gedingstukken uit eerste aanleg overgelegd, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geintimeerde] onder veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten in beide instanties. 2.2.Bij memorie van antwoord met twee producties heeft [geintimeerde] de grieven bestreden. 2.3.[geintimeerde] heeft daarna een akte genomen, waarna AlleeWonen van antwoordakte heeft gediend. 2.4. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. a. [geintimeerde] huurt van AlleeWonen de woning aan de [perceel] in [plaatsnaam] (hierna: ‘het gehuurde’). b. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Breda, team kanton, locatie Bergen op Zoom van 4 juli 2012 (zaaknummer 711267 CV EXPL 12-2031) is de huurovereenkomst, op grond van een huurachterstand, ontbonden en [geintimeerde], voor zover hier van belang, veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen. c. Het vonnis van 4 juli 2012 is op 30 juli 2012 aan [geintimeerde] betekend waarbij de ontruiming is aangezegd tegen 14 augustus 2012. 4.2.Bij inleidende dagvaarding van 3 augustus 2012 heeft [geintimeerde] onderhavige procedure aanhangig gemaakt en gevorderd te bepalen dat de ontruiming van het gehuurde dient te worden geschorst totdat in het beroep in de hoofdzaak over het huurgeschil en het geschil omtrent de derving van het huurgenot uitspraak is gedaan door het hof. 4.3. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, samengevat weergegeven: - de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 juli 2012, voor wat betreft de daarin uitgesproken veroordeling tot ontruiming, geschorst totdat de rechtbank Breda, sector civiel, team insolventies een beslissing zou hebben gegeven op het door [geintimeerde] op maandag 13 augustus 2012 in te dienen verzoekschrift ex artikel 284 lid 1 Fw tot toepassing van de schuldsanering; - aan de schorsing de voorwaarde verbonden dat [geintimeerde] op maandag 13 augustus 2012 voornoemd verzoekschrift indiende; - AlleeWonen veroordeeld in de proceskosten. 4.4. [geintimeerde] heeft op 13 augustus 2012 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. In een vonnis van 14 augustus 2012 (insolventienummer 12/669 R) heeft de rechtbank Breda, team insolventierecht het verzoek toegewezen. AlleeWonen is niet tot ontruiming overgegaan. 4.5.AlleeWonen komt met haar grieven op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter. De grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, komen erop neer dat AlleeWonen stelt dat de voorzieningenrechter, binnen het beperkte kader van een executiekort geding ex artikel 438 Rv, niet tot een schorsing in afwachting van een aanvraag tot toelating tot de schuldsanering ex artikel 284 lid 1 Fw kon komen. 4.6.Het hof stelt voorop dat AlleeWonen, anders dat door [geintimeerde] gesteld (memorie van antwoord sub 2), voldoende belang heeft bij de onderhavige vordering in hoger beroep. De ontruiming van het gehuurde kan thans, in elk geval tot het einde van het WSNP-traject, niet worden uitgevoerd op grond van artikel 305 lid 2 Fw., tweede zin. In dat artikel is immers bepaald dat de ontruiming van een huurwoning, gelast op de grond dat een huurachterstand bestaat, van rechtswege wordt opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling, mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan. Onweersproken is dat van die tijdige betaling van huurpenningen (vooralsnog) sprake is, nu de betaling – kennelijk vanaf 24 mei 2012 – via de Kredietbank West-Brabant wordt verricht. AlleeWonen heeft naar het oordeel van het hof echter voldoende belang bij beoordeling van de door haar (in sub 27 van de memorie van grieven) opgeworpen (principiële) vraag of de voorzieningenrechter tot schorsing van de tenuitvoerlegging op de in het bestreden vonnis gegeven gronden kon komen. Bovendien is een grief (III) gericht tegen de veroordeling van AlleeWonen in de proceskosten. Gelet daarop dient beoordeeld te worden of de vordering terecht aldus is toegewezen door de voorzieningenrechter en AlleeWonen (dus) terecht is veroordeeld in de proceskosten. 4.6.1.Het hof stelt voorts de maatstaf van de beoordeling van een geschil als het onderhavige voorop. In een executiegeschil met betrekking tot een voor voorlopige tenuitvoerlegging vatbaar vonnis als het onderhavige kan de rechter slechts staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om (in afwachting van de uitslag van het hoger beroep) tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984/145). 4.6.2.Anders dan door AlleeWonen (in grief I) gesteld, geldt daarbij niet als uitgangspunt dat de voornoemde door de Hoge Raad genoemde gevallen limitatief zijn. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2006 (NJ 2007/173) moet immers worden afgeleid dat zich bij (hoge) uitzondering ook buiten de gevallen van een feitelijke of juridische misslag of nieuwe feiten en omstandigheden misbruik van executiebevoegdheid kan voordoen. De beoordelingsruimte van de rechter in een executie kort geding is en blijft echter (zeer) beperkt. 4.6.3.In het onderhavige geval gaat het, kort gezegd, om de vraag of de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming mocht schorsen op grond van de mededeling van [geintimeerde] ter zitting, die op vrijdag 10 augustus 2012 plaatsvond, dat zij op de maandag daarna, derhalve op 13 augustus 2012, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou indienen. De voorzieningenrechter heeft die omstandigheid als een nieuwe omstandigheid aangemerkt (rechtsoverweging 4.3 van het vonnis). Het is het hof niet duidelijk op welke van de, door de Hoge Raad in voornoemde jurisprudentie gegeven, gronden de voorzieningenrechter vervolgens is gekomen tot schorsing van de tenuitvoerlegging en dus tot het oordeel dat AlleeWonen geen in redelijkheid te respecteren belang had bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. Niet gesteld is dat het vonnis van de kantonrechter van 4 juli 2012 een juridische of feitelijke misslag bevatte. Evenmin is overwogen dat sprake zou zijn van een zo uitzonderlijk geval als bedoeld in voornoemd arrest van de Hoge Raad uit 2006. Wat daar verder van zij, beoordeeld dient in ieder geval te worden of de door [geintimeerde] ter zitting genoemde omstandigheid als hiervoor bedoeld een in het kader van voornoemd criterium relevante nieuwe omstandigheid is en, wanneer tot dat oordeel zou worden gekomen, of die een rechtens te respecteren belang aan de zijde van [geintimeerde] vormt waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 4.6.4.Door AlleeWonen is gemotiveerd betwist dat de aanvraag tot toepassing van de schuldsanering als een nieuw feit kan worden aangemerkt (memorie van grieven sub 27). AlleeWonen stelt dat [geintimeerde] zelf in de hand had wanneer zij die aanvraag zou doen, zodat de aankondiging van een dergelijke aanvraag geen nieuw feit is in vorenbedoelde zin. Ook de door [geintimeerde] in deze procedure overgelegde stukken (als genoemd in rechtsoverweging 4.1. van het bestreden vonnis) zijn volgens AlleeWonen niet als nieuw in vorenbedoelde zin te duiden omdat [geintimeerde] daarover al beschikte ten tijde van de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 4 juli 2012. 4.6.5.Het hof is van oordeel dat in ieder geval (de aankondiging van) het verzoek tot toelating tot de schuldsanering als een nieuw feit als bedoeld in voornoemde maatstaf kan worden aangemerkt. Niet gesteld is immers dat het in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 4 juli 2012 aan de orde is geweest, terwijl [geintimeerde] – door middel van genoemde stukken – in deze procedure concreet heeft toegelicht welke stappen zijn ondernomen om te (trachten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.