GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.103.861/01 arrest van 7 mei 2013 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht, tegen [Stallenbouw], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. A.J. van den Hoven te Tilburg als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 mei 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 121072/HAZA 07-616 gewezen vonnis van 28 december
(8). 8.26.[appellant] kwalificeert dit formulier als een "eenzijdig door [Stallenbouw] opgesteld formulier" en dat is het strikt genomen ook. Zoals gezegd is dit niet door [appellant] getekend. Dat hij daar bezwaar tegen heeft ge-maakt is echter gesteld noch gebleken. Zoals ook de rechtbank onder 2.3 van het tussenvonnis overwoog heeft DAS namens [appellant] bij brief van 3 mei 2006 zelf verwezen naar de oplevering op 29 januari 2006, zulks onder bijvoeging van een kopie van het opleveringsverslag. 8.27.De rechtbank heeft de aan de orde zijnde gebreken opgesomd in het vonnis van 27 april 2011 onder 2.8. Het hof volgt die indeling. Onderdelen a (ontbrekende kolommen) en d (schuifpoort), werden in het opleveringsverslag niet genoemd. Onderdeel b (scheefstaande spantpaal) en onderdeel f (muur badkamer) zijn wel in het opleveringsverslag ge-noemd. Het hof begrijpt voorts dat onderdeel e (bestrating) ziet op de kwestie welke in het opleveringsverslag met "mixgat" is aangeduid. Voor onderdeel c (gevelventilatie) geldt dat dit, in elk geval deels, op dezelfde kwestie ziet als de "steunen wind-breekgaas" in het opleveringverslag. 8.28.De ontbrekende kolommen, onderwerp van vordering sub a), werden in het opleveringsverslag niet genoemd. Desondanks achtte de rechtbank deze vordering van [appellant] in beginsel toewijsbaar. Vanzelfsprekend heeft [appellant] daartegen geen bezwaar. De deskundige begrootte herstel op € 4.000,-- excl. btw; [appellant] had na het deskundigenonderzoek in eerste aanleg laten weten dat deze post op een veel hoger bedrag (€ 52.095,80 incl. btw) gesteld diende te worden. Des-ondanks volgde de rechtbank de deskundige en oordeelde zij dat [Stallenbouw] voor de schade tot een bedrag van € 4.000,-- excl. btw aansprakelijk was. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de afwijzing van het meer of anders gevorderde. Of er is opgeleverd doet voor deze vordering dus niet ter zake. 8.29.De bestrating, onderwerp van vordering sub e), werd ook in het opleveringsverslag aangestipt. Volgens [appellant] kostte herstel - uitgaande van een begroting van de partijdeskundige Bremen van 8 mei 2008 - € 22.989,91. Volgens de door de rechtbank benoemde deskundige bedroeg dit € 12.500,-- tot € 15.000,--. In het door [appellant] bij conclusie na deskundigenbericht op blad 4 bovenaan, en het door [Stallenbouw] in de conclusie na deskundigenbericht onder punt 6 gestelde ligt besloten dat de deskundige Ekris (die de kwestie van de bestrating en de schuifpoort in onderlinge samenhang beziet, zie ook hierna) van oordeel was dat de daarmee samenhangende kosten voor rekening van beide partijen zouden behoren te komen. De rechtbank heeft bij het tussenvonnis van 27 april 2011 - r.o. 2.8.6 - deze bedragen gemiddeld en de schade begroot op € 13.750,--, en bij eindvonnis van 28 december 2011 - zie r.o. 2.3 - overeenkomstig het voorstel van de deskundige die kosten bij helft voor rekening van elk van partijen gebracht. 8.30.Ook hiervoor geldt dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de afwijzing van het meer of anders gevorderde. Of er is opgeleverd doet ook voor deze vordering dus niet ter zake. 8.31.De schade aan badkamer, onderwerp van vordering sub f), werd ook reeds genoemd in het opleve-ringsrapport. De rechtbank heeft het beroep op de exoneratie in de algemene voorwaarden gehonoreerd en de schade mitsdien beperkt tot € 815,-- met afwijzing van het meer of anders gevorderde. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat [appellant] het beroep op de exoneratie afwijst aangezien hij het beroep op de algemene voorwaarden als geheel afwijst. Dat verweer is echter verworpen. Voor het overige heeft hij geen grief tegen de beslissing inzake deze post gericht, vanzelfsprekend niet tegen toewijzing van een deel, en evenmin tegen afwijzing van het meer of anders gevorderde. Mitsdien geldt ook voor deze post dat de vraag of er is opgeleverd niet ter zake doet. 8.32.De rechtbank heeft onder verwijzing naar het opleveringsverslag de vordering sub
- b)inzake de scheefstaande spantpaal afgewezen (tussenvonnis r.o. 2.8.3). Immers, door [appellant] was waargenomen dat deze paal scheef stond doch hij heeft daarmee ingestemd. Tegen de overweging van de rechtbank is geen grief gericht. 8.33.Wat de vordering sub
- c)inzake de ventilatie betreft: De rechtbank overwoog dat en waarom deze vordering van [appellant] in reconventie diende te worden afgewezen c.q. met deze te verrekenen tegenvordering van [appellant] in conventie geen rekening gehouden behoefde te worden. De rechtbank noemde daartoe een reeks van redenen: -door [appellant] is niet betwist dat de gevelventilatie in de ZO-gevel niet kan worden afgesloten omdat [Stallenbouw] op uitdrukkelijk verzoek van [appellant] de balkjes op de kilgoot heeft verwijderd, en [appel-lant] had kunnen begrijpen dat daardoor het windbreekgordijn te kort zou worden en er een opening zou blijven; -uit de prijsaanbieding van 22 juni 2005 blijkt dat overeen was gekomen om de NW-gevel deels open te laten; -uit het deskundigenbericht is niet gebleken dat een eventueel tekort aan ventilatie in de stal aan [Stallen-bouw] kan worden toegerekend; -dit "gebrek" moet bij de oplevering zichtbaar zijn geweest, doch [appellant] heeft daartegen noch destijds, noch bij zijn brief van 29 maart 2006 bezwaar gemaakt. 8.34.Enkel de laatstgenoemde kwestie heeft iets met oplevering te maken. Naar 's hofs oordeel recht-vaardigden de drie eerstgenoemde redenen reeds de afwijzing van deze vordering door de rechtbank. Tegen die overwegingen heeft [appellant] echter geen enkele grief gericht. Dit betekent dat uiteindelijk ook voor deze kwestie geldt dat de vraag of er is opgeleverd niet ter zake doet. 8.35.Dan resteert het gebrek aan de schuifpoort, onderwerp van vordering sub d); deze klacht werd in het opleveringsverslag niet genoemd. De rechtbank overwoog in het tussenvonnis van 27 april 2011 onder 2.3, tweede alinea en onder 2.8.5 dat voor [appellant] bij de oplevering zichtbaar moet zijn geweest dat de schuifpoort niet goed sloot (doordat onderaan een opening van 15 cm over bleef). Daartegen is geen grief gericht. De rechtbank verbond daaraan de conclusie dat dit onder het bereik van de in de oplevering besloten liggende decharge was begrepen en wees deswege de vordering af. 8.36.Als die redenering wordt gevolgd zou de vraag of er sprake is geweest van oplevering relevant kun-nen zijn. Het hof komt evenwel via een andere redenering tot hetzelfde resultaat. 8.37.Het hof stelt voorop dat er, voor wat de schuifpoort aan gaat, in geen enkel stadium van de procedu-re - dat geldt ook voor het hoger beroep - sprake geweest van een afzonderlijke, in reconventie ingestelde vorde-ring, een in conventie verrekende vordering met een beroep op opschorting in afwachting van zodanige verreke-ning, of een vordering tot herstel met een beroep op opschorting in afwachting van zodanig herstel. In de brief van DAS van 3 mei 2006 ligt ook geen sommatie tot herstel van die schuifpoort besloten. De vordering in reconventie (en naar aangenomen moet worden: de vordering welke [appellant] in conventie wenst te verrekenen, in afwachting waarvan hij wenst op te schorten) sluit geheel aan bij nader te noemen begroting van de door [appellant] als deskundige ingeschakelde aannemer Bremen, waarin geen afzonderlijke kosten voor herstel van de schuifpoort zelf zijn opgenomen. 8.38.Bremen rapporteerde op blad 3/5 en 4/5 in één hoofdstuk omtrent de gebreken aan de schuifpoort, 2.4, en aan de mestput, 2.5. Door Bremen wordt niets gezegd omtrent de noodzaak tot vervanging van de poort, wel omtrent de noodzaak tot herstel van bestrating, hetgeen (zie hiervoor onder r.o. 8.28) door Bremen op € 22.989,91 incl. btw wordt begroot. Voor herstel van de poort neemt Bremen geen kosten op. 8.39.In de conclusie van antwoord onder 2.4 legde [appellant] - onder verwijzing naar het rapport van Bremen - uit dat de poort aan de rechterkant niet aansluit op de vloer aan de binnenzijde, omdat de buitenvloer naar rechts oploopt. Volgens [appellant] is het gebrek niet eenvoudig te herstellen nu fundering, bestrating en vloer van de stal als één geheel zijn gestort. In het rapport van Bremen ligt echter besloten dat met herstel van de bestrating ook het "gebrek" aan de schuifpoort geheel of gedeeltelijk zal zijn opgelost. Uit de conclusie na deskundigenbericht van [Stallenbouw] sub 6 blijkt dat ook deskundige Ekris de kwestie van de bestrating en de schuifpoort in onderlinge samenhang en verband heeft bezien en het door hem genoemde bedrag heeft dan ook betrekking op beide kwesties. Ook daarom komt voor de schuifpoort geen afzonderlijk bedrag in aanmerking. 8.40.Het hof komt dan ook, zij het op grond van andere overwegingen, tot dezelfde slotsom als de recht-bank, namelijk dat deze vordering dient te worden afgewezen. Daarom geldt ook voor deze vordering dat de vraag of er een oplevering heeft plaatsgevonden niet ter zake doet. 8.41.Dit alles leidt ertoe dat wat er van de met grief 3 aangevallen overwegingen ook zij, deze grief niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden. 8.42.Grief 4 stelt de opschorting aan de orde. 8.43.Vast staat dat van de aanneemsom (inclusief verrekening meer- en minderwerk) er een bedrag van € 35.351,33 incl. btw onbetaald was gebleven. 8.44.De rechtbank had in het tussenvonnis van 27 april 2011 reeds in het voetspoor van het rapport van Ekris geoordeeld (zie hiervoor r.o. 8.29) dat in verband met de bestrating rekening kon worden gehouden met een bedrag van € 13.750,--. Of dat exclusief of inclusief btw was maakte de rechtbank daarbij niet duidelijk en omdat het rapport van Ekris niet is overgelegd kan het hof dat ook niet nagaan. In het eindvonnis van 28 december 2011 berekent de rechtbank de kosten in verband met de ontbrekende kolom-men op € 4.000,-- excl. btw of € 4.760,-- incl. btw. Vervolgens telde de rechtbank bij elkaar op het bedrag van € 4.760,--, een bedrag inclusief btw, een bedrag van € 815,-- voor schade aan de badkamer, zijnde het door de verzekeraar toegekende bedrag, waarvan niet bekend is of het om een bedrag inclusief of exclusief btw gaat, en een bedrag groot € 6.875,-- (de helft van € 13.750,--) waarvan evenmin duidelijk is of het om een bedrag inclusief of exclusief btw gaat. In totaal € 12.450,--. De rechtbank verre-kent dit met de totaalbedragen van twee facturen inclusief btw. Geen van partijen heeft hier echter bezwaar tegen gemaakt. Dat betekent tegelijk dat het niet nodig is om ten be-hoeve van deze kwestie het rapport alsnog te doen overleggen. 8.45.Dat betekent dat tegenover elkaar staan een pro resto aanneemsom groot € 35.351,33 incl. btw en een tegenvordering groot € 12.450,--. De vraag is dus of gelet op de hoogte van de uiteindelijk vastgestelde tegen-vordering het beroep op opschorting van de betaling van de resterende aanneemsom gerechtvaardigd was. Het bedrag waarvan de betaling werd opgeschort bedroeg bijna het drievoudige van de toewijsbare tegenvordering waarvoor werd opgeschort. Uitzonderingen, die hier niet zijn gesteld of gebleken, daargelaten is dat disproportioneel te noemen. 8.46.Mitsdien faalt grief 4. Overigens is de opschortingsbevoegdheid is vooral van belang voor de vraag wanneer de rente gaat lopen. 8.47.Voor alle duidelijkheid wijst het hof erop dat in r.o. 2.5 van het eindvonnis naast elkaar bedragen worden genoemd van € 12.450,-- en € 12.540,--. Dat betreft geen typefout. Beide bedragen samen belopen een bedrag groot € 24.990,--, en als daarvan het eerste bedrag wordt afgetrokken blijft het tweede over. 8.48.Gelet op het vorenoverwogene zijn de overwegingen van de rechtbank, in r.o. 2.6, ten aanzien van de data waarop de rente is gaan lopen, correct. 8.49.Het nog niet besproken deel van grief 5 is een verzamelgrief zonder bijzondere inhoud. 8.50.In grief 6 noemt [appellant] abusievelijk een bedrag van € 12.540,-- in plaats van € 12.450,--. Rente daarover behoeft niet te worden toegekend, aangezien immers bij de berekening van de rente waarop [Stallenbouw] recht heeft reeds rekening wordt gehouden met het gegeven dat de rente niet over € 24.990,--, maar slechts over € 12.540,-- aan [Stallenbouw] zal worden toegekend. 8.51.Grief 7 betreft de proceskosten. De beslissing van de rechtbank om [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken is juist. Van zijn vordering in reconventie werd slechts een fractie toewijsbaar geacht. De vordering in conventie werd geheel toewijsbaar geacht. 8.52.Nu alle grieven falen, althans geen van de grieven tot vernietiging van het vonnis leidt, wordt dit bekrachtigd met verwijzing van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. 8. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op € 1.815,-- aan vast recht en € 2.632,-- voor salaris advocaat; verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en P.Th. Gründemann en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 mei 2013.