GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.132.974/01 arrest van 15 april 2014 in de zaak van Sportcentrum [sportcentrum] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur, tegen: [de vrouw] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. R.E. Izeboud te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 23 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Bergen op Zoom gegeven rolbeslissing van 7 augustus 2013 en de daarop gevolgde beslissing van 12 augustus 2013 in de zaak tussen appellante - Sportcentrum [sportcentrum] - als gedaagde en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: 776665/CV EXPL 13-2525) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde beslissingen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van Sportcentrum [sportcentrum] van 23 augustus 2013 met grieven en producties; - de conclusie van eis van Sportcentrum [sportcentrum] van 17 september 2013; - de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 26 november 2013 met een productie. Sportcentrum [sportcentrum] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding. 4De beoordeling 4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [geïntimeerde] heeft Sportcentrum [sportcentrum] bij dagvaarding van 2 mei 2013 voor de kantonrechter te Bergen op Zoom gedagvaard. Op 21 mei 2013 is [geïntimeerde] in staat van faillissement verklaard. De curator in het faillissement van [geïntimeerde] heeft te kennen gegeven het geding niet over te nemen en geen bezwaar te hebben tegen voortzetting van het geding door [geïntimeerde] op persoonlijke titel en buiten bezwaar van de boedel. De gemachtigde van Sportcentrum [sportcentrum] heeft bij brief van 9 juli 2013 de kantonrechter verzocht op de voet van artikel 27 lid 2 Fw ontslag van instantie te verlenen. Bij rolbeslissing van 7 augustus 2013 heeft de kantonrechter Sportcentrum [sportcentrum], in het kader van het doorprocederen - op eigen titel - door eiseres, in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord te nemen. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat een ontslag van instantie niet aan de orde is. Bij brief van 12 augustus 2013 heeft de griffier laten weten dat de kantonrechter een verzoek van Sportcentrum [sportcentrum] tot herziening van de rolbeslissing van 7 augustus 2013 niet honoreert. Tegen deze beslissingen komt Sportcentrum [sportcentrum] in dit hoger beroep op. 4.2 De rolbeslissing van 7 augustus 2013 is aan te merken als een vonnis, waarbij het verzoek tot het verlenen van ontslag van instantie is geweigerd. Deze beslissing is, anders dan Sportcentrum [sportcentrum] meent, geen eindbeslissing aangezien hierbij niet door een uitdrukkelijk dictum een einde werd gemaakt aan het proces omtrent enig deel van het gevorderde. Hetzelfde geldt overigens voor de beslissing van de kantonrechter om niet van deze beslissing terug te komen. De rolbeslissing van 7 augustus 2013 is daarom aan te merken als een tussenvonnis. Van dit tussenvonnis staat ingevolge artikel 337 lid 2 Rv geen hoger beroep open anders dan tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep is opengesteld. Gesteld noch gebleken is evenwel dat in dit geval tussentijds hoger beroep is opengesteld. Dit betekent dat Sportcentrum [sportcentrum] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in het hoger beroep van de rolbeslissing van 7 augustus 2013. De brief van 12 augustus 2013 is in dit verband verder niet van belang. 4.3 Sportcentrum [sportcentrum] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal de zaak terug verwijzen naar de kantonrechter te Bergen op Zoom voor verdere behandeling en afdoening. 5De uitspraak Het hof: verklaart Sportcentrum [sportcentrum] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep; veroordeelt Sportcentrum [sportcentrum] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op 683,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat; verwijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Bergen op Zoom, voor verdere behandeling en afdoening. Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, P.Th. Gründemann en I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2014.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.