GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.113.278/01 arrest van 6 mei 2014 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats], appellant, hierna aan te duiden als [appellant], advocaat: mr. A.L.W.G. Houtakkers te Maastricht, tegen [B.V.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (Limburg), geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy te Beek (Limburg), op het bij exploot van dagvaarding van 23 augustus 2012 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht, Sector Kanton, Locatie Sittard-Geleen, van 30 mei 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 437654 CV EXPL 11-3077) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 14 september 2011. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met veertien producties (nrs. 1-14); - de memorie van antwoord met tien producties (nrs. 1-10); - de akte van [appellant] met drie producties (nrs. 15-17); - de antwoordakte van [geïntimeerde] met een productie (nr. 11). Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [appellant], geboren op [geboortedatum] 1956, is op 23 april 1979 in dienst getreden bij [geïntimeerde]. Vanaf 1999 is [appellant] bij [geïntimeerde] werkzaam geweest in de functie Hoofd Administratie. Op 29 september 2010 heeft [geïntimeerde] bij het UWV Werkbedrijf toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen. Op donderdag 30 september 2010 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat diens arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd en dat hij met onmiddellijke ingang betaald verlof zou krijgen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst beëindigd zou zijn. Bij brief van 27 oktober 2010 heeft de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat [appellant] bereid is om te overleggen over een terugbrenging van zijn dienstverband van 40 uur per week naar 20 uur per week. [geïntimeerde] is niet op dat voorstel ingegaan. Op 16 november 2010 heeft het UWV Werkbedrijf aan [geïntimeerde] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen. Bij brief van 24 november 2010 heeft de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] voorgesteld om in het kader van een minnelijke regeling de arbeidsovereenkomst van [appellant] formeel te laten ontbinden per 1 februari 2011 onder toekenning van een vergoeding van € 75.000,- bruto aan [appellant]. Ook op dat voorstel is [geïntimeerde] niet ingegaan. [geïntimeerde] heeft bij brief van 25 november 2010, met gebruikmaking van de op 16 november 2010 door het UWV Werkbedrijf verleende toestemming, de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd per 1 mei 2011. [appellant] heeft op 17 januari 2011 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een vergoeding van € 158.074,80 aan [appellant]. Bij beschikking van 24 februari 2011 heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Met ingang van 1 mei 2011 is de arbeidsovereenkomst van [appellant] door de opzegging van 25 november 2010 geëindigd. [appellant] heeft daarop bij dagvaarding van 14 juli 2011 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen [geïntimeerde]. 4.2.1. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in het geding in eerste aanleg: een verklaring voor recht dat het ontslag van [appellant] kennelijk onredelijk is; veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 150.000,- bruto; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en eventuele beslagkosten. Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst door [geïntimeerde] kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [geïntimeerde] bij de opzegging (het in artikel 7:681 lid 2 sub a BW neergelegde gevolgencriterium). 4.2.2. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 4.3.1. In het tussenvonnis van 14 september 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. 4.3.2. In het eindvonnis van 30 mei 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] niet kennelijk onredelijk is geweest. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep 4.4.1. [appellant] heeft in de dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd, voor zover thans van belang: “dat het gerechtshof het vonnis, op 30 mei 2012 (…) gewezen (…) zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest (…); alsdan de vorderingen van appellant zal toewijzen en geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van beide instanties (…)” Aan het slot van de memorie van grieven heeft [appellant] vervolgens geconcludeerd: “Tot persitit!” 4.4.2. [geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord (alinea’s 5 tot en met 15) aangevoerd dat niet duidelijk is wat [appellant] in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep bedoelt met “de vorderingen van appellant”. Volgens [geïntimeerde] is deze onduidelijkheid ook in de memorie van grieven niet opgeheven. [geïntimeerde] concludeert op grond daarvan dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn – niet benoemde – vorderingen. 4.4.3. Het hof verwerpt dit beroep van [geïntimeerde] op niet-ontvankelijkheid van [appellant]. Naar het oordeel van het hof moet het voor [geïntimeerde] in redelijkheid duidelijk zijn geweest dat [appellant] in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep met de woorden “de vorderingen van appellant” doelt op de vorderingen die hij in het geding in eerste aanleg had ingesteld. Deze uitleg van die woorden ligt in de gegeven omstandigheden zeer voor de hand terwijl voor enige andere uitleg geen aanknopingspunten aanwezig zijn. Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep kan daarom in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [appellant] daarin concludeert dat hetgeen hij in eerste aanleg heeft gevorderd alsnog moet worden toegewezen. Daaruit volgt dat ook de conclusie aan het slot van de memorie van grieven duidelijk is; die conclusie strekt er eveneens toe dat hetgeen [appellant] in eerste aanleg heeft gevorderd (en wat in rov. 4.2.1 van het onderhavige arrest is weergegeven) alsnog wordt toegewezen. 4.4.4. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordakte in hoger beroep betoogd dat [appellant] pas bij haar akte in hoger beroep zijn eis heeft gewijzigd en dat die wijziging van eis te laat heeft plaatsgevonden. Ook dit betoog van [geïntimeerde] gaat niet op. [appellant] heeft bij de genoemde akte zijn eis niet gewijzigd maar slechts bevestigd wat al was opgenomen in zijn dagvaarding in hoger beroep en zijn memorie van grieven: dat hij wenst dat hetgeen hij in eerste aanleg heeft gevorderd in hoger beroep alsnog wordt toegewezen. Naar aanleiding van grief V: overweging ten overvloede. 4.5.1. [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het eindvonnis. Het hof zal eerst grief V behandelen en daarna, gezamenlijk, de grieven I tot en met IV. 4.5.2. De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 3.2.1 tot en met 3.2.6 van het eindvonnis geoordeeld dat de opzegging door [geïntimeerde] van de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet kennelijk onredelijk is. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft daarnaast in het vonnis een overweging ten overvloede opgenomen (rov. 3.2.7). In die overweging heeft de kantonrechter voorop gesteld dat niet hoeft te worden geoordeeld over de door [appellant] gestelde schade. Vervolgens heeft de kantonrechter in die overweging echter toch bepaalde vraagtekens plaatst bij de hoogte van het door [appellant] gevorderde bedrag. 4.5.3. [appellant] is met grief V opgekomen tegen deze overweging van de kantonrechter. Deze grief behoeft geen behandeling omdat de overweging geen oordeel over de gevorderde schadevergoeding bevat maar, kort gezegd, daar alleen vraagtekens plaatst. Het hof deelt overigens het standpunt van [appellant] dat de kantonrechter deze overweging achterwege had moeten laten. Uitgaande van zijn oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet kennelijk onredelijk was, was het plaatsen van vraagtekens door de kantonrechter bij de gevorderde schadevergoeding niet aan de orde. Grief V is hiermee voldoende besproken. Naar aanleiding van de grieven I tot en met IV: kennelijk onredelijk ontslag. 4.6.1. Het hof zal de grieven I tot en met IV gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellant] naar de kern genomen dat de opzegging van zijn dienstverband door [geïntimeerde] kennelijk onredelijk was wegens schending van het zogeheten gevolgencriterium (art. 7:681 lid 2 sub b BW). [appellant] heeft tevens uitdrukkelijk betoogd dat hij aan zijn vordering niet ten grondslag heeft gelegd dat de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden (art. 7:681 lid 2 sub a BW). 4.6.2. [geïntimeerde] heeft als reactie daarop aangevoerd dat veel van de door [appellant] aangevoerde argumenten inhouden dat er geen bedrijfseconomische noodzaak was voor het ontslag van [appellant]. Volgens [geïntimeerde] houden deze argumenten dus in dat sprake was van een valse of voorgewende reden voor de opzegging. [geïntimeerde] concludeert dat al deze argumenten buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat [appellant] zelf expliciet heeft gesteld dat hij zich er niet op beroept dat aan de opzegging een valse of voorgewende reden ten grondslag lag. 4.6.3. Het hof volgt [geïntimeerde] hier niet in. Een deel van de door [appellant] aangevoerde argumenten zou inderdaad gekwalificeerd kunnen worden als een beroep op de aanwezigheid van een valse of voorgewende reden voor de opzegging. Dat laat echter onverlet dat die argumenten evenzeer een rol kunnen spelen bij toetsing van de opzegging aan het gevolgencriterium. Als er geen bedrijfseconomische noodzaak voor het ontslag aanwezig was, zal dat immers een rol kunnen/moeten spelen bij de belangenafweging die het hof bij toepassing van het gevolgencriterium moet verrichten. Er is dus geen aanleiding om bepaalde stellingen op dit punt van [appellant] op voorhand buiten beschouwing te laten. 4.7. Bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het gevolgencriterium geldt als maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts worden meegewogen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. 4.8.1. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij zwaarwegende belangen had bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellant]. Haar betoog komt kort samengevat op het volgende neer. Door de economische crisis is met name in de bedrijfstak van de bouw sprake geweest van een vermindering van werk. De klanten van [geïntimeerde], die in de bouw werkzaam zijn, hebben daardoor zware klappen gehad. De betreffende klanten hebben daardoor minder producten afgenomen van [geïntimeerde], als gevolg waarvan de omzet bij [geïntimeerde] is gedaald. [geïntimeerde] heeft daardoor in 2009 een verlies geleden van € 398.442,-- na belastingen. In de eerste helft van 2010 was sprake van een negatief resultaat van € 113.540,-- voor belastingen terwijl de prognose voor de rest van 2010 ook negatief was. Deze trend heeft zich in 2011 voortgezet. [geïntimeerde] was daardoor genoodzaakt om te bezuinigen op haar personeelskosten. De tussenlaag die [geïntimeerde] in de loop der jaren had gevormd tussen de directie en de rest van de organisatie moest daarom verdwijnen en in dat kader moest ook de functie van Hoofd Administratie/Controller, die [appellant] vervulde althans waar [appellant] naar toe zou groeien, vervallen. De betreffende taken zijn nu overgenomen door de directie. [geïntimeerde] was vanwege haar financiële situatie niet in staat om een vergoeding aan [appellant] te betalen en [geïntimeerde] is daar nog steeds niet toe in staat. 4.8.2. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat er aan de zijde van [geïntimeerde] zwaarwegende bedrijfseconomische belangen waren om de arbeidsovereenkomst met hem op te zeggen. Volgens [appellant] waren de gevolgen van de opzegging voor hemzelf mede gezien het ontbreken van elke voorziening te ernstig in verhouding tot de belangen aan de zijde van [geïntimeerde], zodat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk moet worden geacht. Het hof deelt dat standpunt van [appellant]. Het hof overweegt daartoe het volgende. 4.8.3. Het hof stelt voorop dat [appellant] gemotiveerd betwist heeft dat de bedrijfsresultaten van [geïntimeerde] zo slecht zijn geweest als [geïntimeerde] heeft doen voorkomen. [appellant] heeft in dat kader onder meer het volgende aangevoerd: [geïntimeerde] heeft in 2009 een verbouwing laten uitvoeren die ruim twee miljoen euro heeft gekost en die € 345.000,-- duurder is uitgevallen dan begroot, welk laatstgenoemd bedrag rechtstreeks uit de rekening-courant van [geïntimeerde] is betaald; [geïntimeerde] heeft in 2009 tot een bedrag van € 394.271,-- aan investeringen gepleegd; de kosten van automatisering zijn in 2009 ten opzichte van 2008 fors verhoogd; de huur die [geïntimeerde] als huurder voor haar bedrijfsgebouwen moet voldoen aan haar moedermaatschappij, die tevens de verhuurder is, is gestegen van € 157.500,-- in 2008 tot € 291.600,-- in 2009, waardoor ten gunste van de moedermaatschappij gelden worden afgeroomd bij [geïntimeerde]; de bruto marge van [geïntimeerde] is in 2010 ten opzichte van 2009 verbeterd; als gevolg waarvan een deel van de omzetdaling is gecompenseerd door de margeverbetering; de kortlopende schuld van [geïntimeerde] is opgelopen omdat aan de heer [directeur van B.V.], directeur van [geïntimeerde], € 6.000,-- extra per maand als aanvulling op zijn loon werd voldaan, ofwel € 72.000,-- per jaar; [geïntimeerde] is in oktober 2011 verkozen tot [plaatselijke] ondernemer van het jaar; [geïntimeerde] heeft in juli 2012 een nieuwe vestiging geopend in [vestigingsplaats]. [geïntimeerde] heeft pas bij memorie van antwoord de beslissing tot het doen uitvoeren van de genoemde verbouwing verdedigd. Tegenover de andere gemotiveerde stellingen van [appellant] heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende verweer gevoerd. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat er eind 2010 en in het voorjaar van 2011 daadwerkelijk een dringende bedrijfseconomische noodzaak bestond om juist de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen. Het hof neemt daar ook de hierna te melden omstandigheden bij in aanmerking. 4.8.4. [appellant] heeft in zijn processtukken het vermoeden geuit dat [geïntimeerde] van [appellant] af wilde omdat [appellant] kampte met de ziekte van Menière en daaraan verwante gezondheidsproblemen. Als [appellant] op enige moment gedurende langere tijd zou uitvallen, zou dat voor [geïntimeerde] nadelige financiële gevolgen hebben. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] een spel gespeeld om hem te kunnen ontslaan. [appellant] heeft daartoe het volgende aangevoerd. In 2008 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] voorgehouden dat hij vanuit zijn bestaande functie als Hoofd Administratie zou kunnen doorgroeien naar een functie als Hoofd Administratie / Controller. Begin 2010 kwam [geïntimeerde] daarop terug. Om voor die doorgroei ruimte te maken zou [appellant] zijn operationele taken moeten overdragen. In dat kader heeft [appellant] per 1 januari 2010 een deel van zijn taken overgedragen aan [collega 1], die daarvoor uitbreiding van haar aanstelling kreeg met 14 uur per week (van 26 naar 40 uur per week). Daarnaast heeft [appellant] per 1 mei 2010 een deel van zijn taken overgedragen aan [collega 2], die voor 32 uur per week in dienst kwam terwijl ze iemand met een aanstelling voor 20 uur per week opvolgde. Hier was dus sprake van een uitbreiding van 12 uren per week waarin taken werden verricht die voorheen tot het takenpakket van [appellant] behoorden. Daarnaast is per 1 september 2010 [collega 3] aangenomen in een administratieve functie. Gedurende deze periode waarin taken van [appellant] werden belegd bij anderen, is nooit werk gemaakt van de doorgroei van [appellant] naar de functie van Controller. Toen [appellant] eind september op non-actief werd gesteld en een ontslagvergunning werd aangevraagd, was een belangrijk deel van zijn taken dus al doorgeschoven naar andere medewerkers. 4.8.5. [appellant] heeft er voorts onder overlegging van producties op gewezen dat [geïntimeerde] direct nadat op 17 mei 2011 de termijn verstreek van de wederindienstnemingsvoorwaarde die het UWV aan de ontslagvergunning had verbonden, op 18 mei 2011 al weer een boekhoudkundig medewerker is gaan werven, voor directe indiensttreding, “wegens economische groei”, voor “dynamische en sterk groeiende hout- en bouwmaterialenhandel”. [appellant] leidt hieruit af dat [geïntimeerde] bij het UWV ten onrechte heeft gesteld dat de reductie van het personeelsbestand permanent zou zijn. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] vervolgens per 1 september 2011 een administratieve kracht aangenomen. 4.8.6. [geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd betwist dat zij het ertoe heeft geleid dat [appellant] taken heeft overgedragen aan [collega 1]. Ook de andere bovengenoemde stellingen van [appellant] heeft [geïntimeerde] niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof wijzen die stellingen er op dat een doorgroei van [appellant] naar een functie van controller niet echt aan de orde is geweest, dat de taken van [appellant] deels zijn belegd bij andere werknemers en dat [geïntimeerde] onmiddellijk nadat de wederindiensttredingsvoorwaarde was verstreken, “per direct” een personeelslid is gaan werven mede om het gat dat door het vertrek van [appellant] nog resteerde op te vullen. Van een afname van het aantal fte op de administratie is dus al met al geen sprake geweest. In zoverre kan dus ook niet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] vanwege bedrijfseconomische omstandigheden gedwongen was om haar personeelsbestand op de administratie in te krimpen. 4.8.7. Het gevolg van het vertrek van [appellant] en de uitbreiding van taken van lager ingeschaalde werknemers en de indienstneming van nieuwe werknemers was wel dat de loonkosten voor [geïntimeerde] afnamen. [appellant] verdiende immers meer dan de genoemde nieuwe medewerkers. Hiermee werd uiteraard een financieel belang van [geïntimeerde] gediend. Het staat een werkgever vrij om de werkzaamheden anders in te richten dan voorheen, zeker ook wanneer daar uit kostenoogpunt een financieel voordeel tegenover staat, maar dat laat onverlet dat daarbij tevens wel het belang van de getroffen werknemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.