GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.114.048/01 arrest van 6 mei 2014 in de zaak van [Health & Racquet Club] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem, tegen [de man], wonend te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. R.P. Baetens te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 8 maart 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg gewezen vonnissen van 5 oktober 2011 en 14 december 2011 tussen appellante – [Health & Racquet Club] – als gedaagde – en geïntimeerde – [de man] – als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 656282 CV EXPL 11-3334) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 18 mei 2011. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven, met een productie; - de memorie van antwoord. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [geïntimeerde] is sinds 26 januari 2004 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam voor [appellante] in de functie van medewerker technische dienst. [appellante] is een grootschalig complex met sportfaciliteiten, zoals tennis- en squashbanen, fitnessruimtes, sauna’s en dansruimtes. In de ochtend van 25 maart 2008 is [geïntimeerde] een ongeval overkomen. Hij is gevallen in de doucheruimte van de herenkleedruimte van het complex. Bij dit ongeval heeft [geïntimeerde] letsel opgelopen aan zijn linkerbeen. Bij controle in het ziekenhuis is gebleken dat de pees van zijn linker bovenbeen was afgescheurd. [geïntimeerde] is vervolgens geopereerd. Na een revalidatieperiode is hij weer fulltime gaan werken. [geïntimeerde] is nog altijd werkzaam bij [appellante]. De Arbeidsinspectie heeft een Ongevallenboeterapport gedateerd 30 juli 2008 opgemaakt. In dat rapport is geconstateerd dat sprake is van overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 3.2 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Als bevinding is in het rapport opgenomen dat [appellante] ‘in de natte ruimte niet zodanige maatregelen [heeft] getroffen als redelijkerwijs nodig is, om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden gevaar zou oplopen als gevolg van een val door gladheid, in dit geval ontstaan door water’. Ook is als bevinding in het rapport opgenomen dat ‘[d]e vloer in het natte gedeelte van de kleedruimte (…) niet glad [is] wanneer de vloer droog is. Hij is in combinatie met een schoen zonder antislipzool wel glad, indien de vloer nat is’. Als waarneming van de rapporteur is opgenomen dat de rapporteur ‘voelde dat deze vloer [in de natte ruimte achterin de kleedkamer, hof] een lichte structuur bevatte, bestaande uit kleine korreltjes op de tegels’. Ook is als waarneming van de rapporteur in het rapport opgenomen: ‘mijn collega en ik [hebben] de vloer (op de plek waar het slachtoffer is gevonden) nat gemaakt. Op dat moment droeg ik veiligheidsschoenen met een antislip zool (twee densiteiten PU). Ik bewoog mijn schoen over de natte vloer en ik merkte dat mijn schoen niet weg gleed’. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij beschikking van 27 januari 2009 besloten [appellante] geen boete op te leggen. Daartoe heeft de Minister overwogen dat ‘niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de vloer waar het slachtoffer is gevallen op dat moment door water glad was geworden. Dit gevoegd bij de waarneming van de rapporteurs dat de structuur van de vloer in droge toestand voldoende wrijving tegen uitglijden bood maakt dat er geen direct verband is aan te tonen tussen de oorzaak van het ongeval en de in het beboetbare feit omschreven overtreding’. Bij brieven van 18 september 2008, 23 juni 2009 en 16 april 2010 heeft [geïntimeerde] [appellante] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval. [appellante] heeft aansprakelijkheid afgewezen. 4.2. [geïntimeerde] heeft [appellante] in rechte betrokken en, kort gezegd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht gevorderd dat [appellante] aansprakelijk is voor de schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, thans lijdt en in de toekomst nog zal lijden. Voorts heeft hij verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd alsmede veroordeling van [appellante] in de proceskosten. 4.3. [geïntimeerde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [appellante] tekort is geschoten in haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW jegens hem. Ten aanzien van de toedracht van het ongeval heeft [geïntimeerde] het volgende gesteld. In de ochtend van 25 maart 2008 begon hij om 06:30 uur met zijn werkzaamheden. Toentertijd begon hij zijn werkzaamheden met het vervangen van lampen in de doucheruimte van de herenkleedruimte. Hij wilde vervolgens een grotere schroevendraaier gaan halen om het zeepbakje in de doucheruimte te repareren. Hij liep in de doucheruimte richting de technische ruimte. Echter na enkele stappen schoof hij met zijn linkerbeen uit. Hij trachtte zich tijdens het wegglijden nog te corrigeren maar dit lukte niet en hij kwam ten val. Hij droeg ten tijde van het ongeval nieuw aangeschafte sportschoenen, zonder antislipzolen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] nimmer geschikt schoeisel aan hem verstrekt om te voorkomen dat hij zou uitglijden. Voorts heeft [appellante] nimmer veiligheidsinstructies gegeven. Ook heeft [appellante] geen aanwijzingen en/of richtlijnen aan hem gegeven toen zij hem toestemming gaf om voor rekening van [appellante] nieuwe schoenen aan te schaffen voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, aldus [geïntimeerde]. 4.4. Bij voormeld vonnis van 5 oktober 2011 heeft de kantonrechter met betrekking tot de primaire stelling van [appellante] dat zij aan de in redelijkheid op haar rustende verplichting ingevolge artikel 7:658 BW heeft voldaan en dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, overwogen dat [appellante] tekort is geschoten in haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat weergegeven, overwogen dat in het onderhavige geval van [appellante] mocht worden verwacht dat zij de benodigde voorzorgsmaatregelen had genomen om uitglijden te voorkomen, hetgeen op eenvoudige wijze had gekund door het voorschrijven van het dragen van schoenen met antislipzolen, of het geven van aanwijzingen bij de aanschaf van nieuw schoeisel, hetgeen zij niet heeft gedaan. Subsidiair heeft [appellante] gesteld dat wanneer een schending van de zorgplicht zou worden aangenomen, zij niet aansprakelijk is omdat nadere maatregelen, welke dan ook, het ongeval niet hadden kunnen voorkomen. [geïntimeerde] is ten val gekomen op een vloer die voldoende stroef was, zodat schoenen met antislipzool in deze situatie de val niet hadden kunnen voorkomen. [geïntimeerde] heeft zich kennelijk verstapt, hetgeen [appellante] met geen enkele maatregel had kunnen voorkomen, aldus [appellante]. Met betrekking tot deze subsidiaire stelling heeft de kantonrechter overwogen dat de bewijslast op [appellante] rust. De kantonrechter heeft geconstateerd dat (vooralsnog) in rechte niet is vast komen te staan, dat de vloer droog was. De kantonrechter heeft [appellante] toegelaten te bewijzen dat de vloeren van de ruimten waarin [geïntimeerde] de ochtend van het ongeval is geweest voor zijn werkzaamheden, waaronder de vloer waarop [geïntimeerde] ten val is gekomen, droog waren. 4.5. [appellante] heeft afgezien van bewijslevering. In voormeld vonnis van 14 december 2011 heeft de kantonrechter geoordeeld dat gelet op hetgeen daartoe in het vonnis van 15 oktober 2011 is overwogen [appellante] in strijd met haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW heeft gehandeld en dat [appellante] daarom aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde], nu niet vast is komen te staan dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. 4.6. [appellante] heeft vijf grieven tegen de vonnissen waarvan beroep aangevoerd. De eerste vier grieven hebben betrekking op de vraag of [appellante] tekort is geschoten in haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW jegens [geïntimeerde]. De vijfde grief is gericht tegen de verwijzing door de kantonrechter van de zaak naar de schadestaatprocedure. Het hof zal eerst de eerste vier grieven bespreken, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, als volgt. 4.7. Voorop wordt gesteld dat ingevolge het tweede lid van art. 7:658 BW op het stuk van de stelplicht en bewijslastverdeling het volgende geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.