Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003443-13 Uitspraak : 7 juli 2014 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 augustus 2011, parketnummer 02-800457-11 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] [in 1989], wonende te [adres]. Verloop van de procedure Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van 1. primair: doodslag en 2. overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994: verlaten van de plaats van het ongeval) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan hem de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest. Tot slot heeft de rechtbank de in beslag genomen personenauto van verdachte verbeurd verklaard. De officier van justitie en de verdachte hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 3 april 2012 (parketnummer 20-003368-11) heeft dit gerechtshof verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag, en bewezen verklaard het onder 1 subsidiair (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994): het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, bestaande die schuld in roekeloosheid, met dodelijke afloop, terwijl verdachte reed onder invloed van alcohol) en het onder 2 ten laste gelegde en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof aan verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest en de in beslaggenomen personenauto van verdachte verbeurd verklaard. Tegen dit arrest is namens verdachte onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep in cassatie is vervolgens bij akte ingetrokken voor zover het betreft de vrijspraak van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag. Bij arrest van 15 oktober 2013 (nr. S 12/01937) heeft de Hoge Raad voormeld arrest van het hof, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Hoge Raad achtte het middel dat de bewijsvoering te kort schiet voor de door het hof bewezenverklaarde ‘roekeloosheid’ gegrond. Omvang van de beoordeling door het hof na de terugwijzing door de Hoge Raad Door de intrekking van het cassatieberoep voor zover het betreft de vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde – waardoor dit onderdeel van het arrest van het hof van 3 april 2012 niet meer aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen – is deze door het hof in zijn arrest van 3 april 2012 gegeven vrijspraak onherroepelijk geworden, zodat deze thans niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het hof zal thans in hoger beroep een oordeel moeten geven over het onder 1 subsidiair (artikel 6 WVW 1994) en het onder 2 (artikel 7 WVW 1994) ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 subsidiair (bestaande de schuld in roekeloosheid) en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en een rijontzegging voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte is ingevorderd geweest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de in beslaggenomen auto zal verbeurdverklaren. De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde schuldvorm “roekeloosheid” zal worden vrijgesproken, maar dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde voor het overige bewezen kan worden verklaard. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat: 1. subsidiair hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/ Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, althans (kort) na het inwendig gebruik van een (te grote) hoeveelheid alcohol en/of terwijl hij, verdachte, pas sinds relatief korte tijd bevoegd was een personenauto te besturen (en derhalve is aan te merken als beginnend bestuurder), met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk te rijden - met een (zeer) hoge snelheid, althans een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de verkeerssituatie passend was en/of - vervolgens (met (nagenoeg) onverminderde snelheid) het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk op te rijden en/of (vervolgens) in botsing te komen met [slachtoffer] en/of haar fiets, althans tegen [slachtoffer] en/of haar fiets aan te rijden, (mede) waardoor die [slachtoffer] is gedood, zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008, althans voor het eerst op of na 30 maart 2002, een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en/of zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed, althans van hem verdachte, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram, in ieder geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn; 2.hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op/nabij de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [slachtoffer]) is gedood, althans aan voornoemde [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en terwijl hij, verdachte, is aan te merken als beginnend bestuurder, met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Nieuwe Kadijk te rijden - met een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur, een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en gelet op de verkeerssituatie passend was en - vervolgens met onverminderde snelheid het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk op te rijden en vervolgens in botsing te komen met [slachtoffer] en haar fiets waardoor die [slachtoffer] is gedood, zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008 een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram (hoger dan 0,2 milligram) alcohol per milliliter bloed bleek te zijn; 2.hij op 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander, te weten [slachtoffer], is gedood. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezenverklaring van roekeloosheid bepleit. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde roekeloosheid en naar voren gebracht dat voor het overige tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Het hof overweegt het volgende. Het hof stelt voorop dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn. Zoals de Hoge Raad in de onderhavige zaak heeft overwogen (rechtsoverweging 3.5) moeten, om tot het oordeel te komen dat in het in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van 23 april 2011 eerst drie glazen alcoholhoudende drank bij zijn neef heeft gedronken in Oosterhout en dat hij daarna naar Tilburg is gereden. Vervolgens heeft hij in Tilburg in een loungecafé nog eens vijf glazen alcoholhoudende drank gedronken, waarna hij naar Oosterhout is gereden om [naam] op te halen. Verdachte is daarna naar België gereden, waar hij op 24 april 2011, omstreeks 00.15 uur, in discotheek Highstreet was. Volgens verdachte zelf heeft hij daar, samen met [naam], een fles Bacardi gedronken. Op enig moment is verdachte met zijn Volkswagen Golf vanuit België naar Breda gereden (verklaring verdachte, dossierpagina: 159-162). Verdachte heeft verklaard dat hij na het ongeval – dat plaats vond op 24 april 2011 omstreeks 05:11 uur – geen alcohol meer heeft gedronken. Diezelfde dag om 09:11 uur is van verdachte bloed afgenomen. Het resultaat van de analyse van dit bloed bedroeg 1,26 milligram ethanol per milliliter bloed. Dit was vier uur na het ongeval. Gelet op de natuurlijke afbraak in de tijd van ethanol in bloed moet het ethanol-bloed-gehalte ten tijde van het ongeval aanzienlijk hoger zijn geweest. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden op 24 april 2011, omstreeks 05.10 uur, na hun dienst in een privévoertuig in Oosterhout en waren onderweg naar Breda. Zij werden in de bebouwde kom van Oosterhout waar een maximum snelheid van 50 kilometer geldt, met zeer hoge snelheid rechts over de fietsstrook ingehaald door een Volkswagen Golf. Naar later bleek was dit de Volkswagen Golf waarmee verdachte korte tijd later het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Hierop heeft verbalisant [verbalisant 2] de Gemeenschappelijke Meldkamer, onder vermelding van het kentekennummer van de Volkswagen Golf, op de hoogte gesteld van het rijgedrag en zijn ze achter de Volkswagen Golf aangereden, steeds onder mededeling van hun positie aan de meldkamer. Ze reden op een gegeven moment 130 kilometer per uur en liepen toch niet in op de Volkswagen. Toen de verdachte de bebouwde kom van Teteringen inreed, zijn verbalisanten het zicht op de Volkswagen verloren en zijn ze rustig gaan rijden. Op het moment dat bij de kruising Nieuwe Kadijk, Terheijdenseweg, Crogtdijk arriveerden, zagen ze de gevolgen van een zojuist plaatsgevonden ernstig verkeersongeluk met een dodelijk slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer] (proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 35-37 en van verbalisant [verbalisant 2], dossierpagina 38-40). [slachtoffer] stak samen met twee vrienden en een vriendin met haar fiets de weg over op het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk in Breda, waarbij zij voorop reed. Verdachte naderde deze kruising op datzelfde moment met zijn auto en is op de kruising in botsing gekomen met de overstekende [slachtoffer] en haar fiets. [slachtoffer] is ongeveer 53 meter verderop op het wegdek terechtgekomen en, als gevolg van een schedelbasisfractuur, overleden. Op de weg waarover verdachte reed richting voornoemde kruising was de maximaal toegestane snelheid 70 km/u. Uit technisch onderzoek is gebleken dat verdachte kort voor de botsing met een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur heeft gereden en dat hij met onverminderde snelheid het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk is opgereden. Uit technisch onderzoek en verklaringen van getuigen is voorts gebleken dat [slachtoffer] met haar fiets is begonnen met oversteken terwijl het fietserslicht voor haar groen was. Op dat moment was het licht voor verdachte rood. Gebleken is dat verdachte tussen de 72 en 66 meter voor het voor hem bestemde verkeerslicht groen licht kreeg. In het rapport (p. 19) van ir. A.C.E. Spek (NFI) “Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Breda op 24 april 2011” wordt het volgende geconcludeerd: “Als de auto de kruising tegen het einde van het rood licht een snelheid had van ongeveer 120 km/u of minder, en als de bestuurder op het moment waarop het licht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.