GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.120.334/01 arrest van 4 februari 2014 in de zaak van 1 [appellante 1.],wonende te [woonplaats], 2. [appellante 2.],wonende te [woonplaats], 3. [appellante 3.],wonende te [woonplaats], 4. [appellant 4.],wonende te [woonplaats], 5. [appellant 5.],wonende te [woonplaats], 6. [appellante 6.],wonende te [woonplaats], appellanten in principaal appel, tevens geïntimeerden in incidenteel appel, advocaat: mr. F.H. Barwegen te Utrecht, tegen Stichting Hogeschool Zuyd, , gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel, tevens appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. N.J.A.P.B. Niessen te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton locatie Heerlen gewezen vonnis van 25 april 2012 tussen appellanten – de studenten – als eisers en geïntimeerde – HZ – als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 380284/CV EXPL 10-4928) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis in incident van 15 december 2010, van welk vonnis bij vonnis van 26 januari 2011 van de kantonrechter tussentijds hoger beroep is opengesteld. Bij arrest van dit hof van 13 december 2011 (zaaknr. HD 200.084.095) is HZ niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen voormeld incidenteel vonnis voor zover dit was ingesteld tegen thans appellanten 2, 3 en 5 in principaal appel en is het vonnis in incident van 15 december 2010 ten aanzien van de overige eisers (thans appellanten 1, 4 en 6 in principaal appel) bekrachtigd. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven (met acht grieven en aanvulling grondslag van de eis); - de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van eis in het incidenteel appel (met vijf grieven); - de memorie van antwoord in incidenteel appel (met een productie); - het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd; - de bij brieven van 21 en 23 oktober 2013 door HZ toegezonden producties (in totaal drie producties) en de bij brief van 28 oktober 2013 door de studenten toegezonden producties (twee producties), die partijen bij het pleidooi in het geding hebben gebracht. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven in het principaal en het incidenteel appel wordt verwezen naar de respectieve memories van grieven. 4De beoordeling 4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende: De studenten (van wie ieder afzonderlijk zal worden aangeduid door toevoeging van het nummer dat in de aanhef van dit arrest voor zijn/haar naam is vermeld) zijn/waren student aan de Hoge Hotelschool Maastricht (verder: HHM). HHM maakt onderdeel uit van HZ. HHM is een door de overheid gefinancierde onderwijsinstelling die valt onder het regime van de Wet op het Hoger Onderwijs en wetenschappelijk Onderzoek (verder: WHW). In de voor het onderhavige geding relevante jaren was in art. 7.46 van de toenmalige WHW (thans art. 7.50 WHW) bepaald:“1. De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43, eerste en tweede lid, 7.44, eerste lid en 7.45, eerste lid bedoelde bedragen.2. In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur van een hogeschool met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 7.26, tweede lid, en 7.26a, eerste lid, een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur bepaalt op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.3. Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.”De in lid 1 genoemde artikelen betreffen - voor zover in dit geval relevant - het door de studenten te betalen collegegeld. Een algemene maatregel van bestuur als vermeld in lid 2 is voor de HHM niet tot stand gekomen. In een brief van 26 juli 1989 (prod. 15 inl. dagv.) schrijft de minister van onderwijs en wetenschappen, drs. W.J. Deetman, aan de Colleges van Bestuur en de Centrale Directies van de Hogescholen met betrekking tot heffingen van de Hogescholen naast collegegeld:“(...) De Wet op het Hoger beroepsonderwijs (W.H.B.O.) gaat er duidelijk van uit dat in principe alle kosten verbonden aan het volgen van hoger beroepsonderwijs door de overheid gesubsidieerd worden. De enige financiële bijdrage van studenten die daar tegenover mag staan is het wettelijk vastgestelde collegegeld. (....) Niettemin is het mogelijk dat aan de door u aan studenten op vrijwillige basis aangeboden extra voorzieningen en activiteiten kosten verbonden zijn die in beginsel niet uit de rijksbijdrage betaald worden. Deze kosten kunt u aan studenten doorberekenen indien zij vooraf expliciet te kennen geven, dat zij van die voorzieningen gebruik wensen te maken. Voorbeelden van dergelijke additionele voorzieningen c.q. activiteiten zijn onder andere readers die komen in de plaats van boeken die anders door studenten zouden moeten worden aangeschaft. (...)Wat betreft dergelijke extra kosten biedt de W.H.B.O. u geen mogelijkheid die dwingend op te leggen aan studenten die aan uw instelling (gaan) studeren en kan er zeker geen sprake van zijn de inschrijving van een student aan uw instelling direct noch indirect van de betaling van een dergelijke extra bijdrage afhankelijk te stellen.. Evenmin kan een student in een dergelijk geval uitgesloten worden van (bepaalde) aan de inschrijving verbonden rechten. Ik wijs u er nogmaals met nadruk op dat u in uw informatie aan (de ouders van) studenten er op dient te wijzen dat het gaat om een vrijwillige, onverplichte bijdrage van studenten. Ten overvloede wijs ik u op het feit dat u de eventuele kosten voor additionele voorzieningen c.q. activiteiten duidelijk dient te specificeren opdat studenten een weloverwogen keuze kunnen maken of zij van deze voorzieningen al dan niet gebruik wensen te maken. De heffing en inning van het wettelijk vastgestelde collegegeld en de eventuele vrijwillige bijdrage voor additionele voorzieningen c.q. activiteiten dient dan ook volstrekt separaat te gebeuren (...). ” In een brief van 25 augustus 1994 over eigen bijdragen studenten (prod. 4 concl.v.antw.) schrijft de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen, dr. ir. J.M.M. Ritzen, aan de colleges van bestuur en centrale directies van de hogescholen en universiteiten:“(...) Ik wijs u erop dat het bepaalde in die brief (hof: voormelde brief van 26 juli 1989) ... nog altijd onverkort van toepassing is op al het bekostigde hoger onderwijs dat onder de reikwijdte van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) valt. (....)1. Kosten die voortvloeien uit wettelijke verplichtingen die instellingen op grond van de WHH hebben en die derhalve niet mogen worden doorberekend aan studenten. (....) De kosten verbonden aan het verzorgen van onderwijs verdienen echter enige nuancering. Studenten worden geacht zelf de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen, zoals de kosten van boeken, materialen en bepaalde kosten verbonden aan praktica. In hoeverre kosten verbonden aan onderwijsvoorzieningen kunnen worden doorberekend is niet eenduidig aan te geven. De aard van de opleiding is hier bepalend of de kosten rechtstreeks voortvloeien uit de wettelijke taak van de instelling, dan wel vallen onder de kosten die kunnen worden doorberekend. (....)2. De kosten verbonden aan onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen die mogen worden doorberekend aan studenten.Afhankelijk van de aard van de opleiding kunnen bepaalde kosten worden doorberekend doch uitsluitend op vrijwillige basis. De student moet kunnen beslissen of hij zelf bepaalde boeken aanschaft of dat hij deze betrekt van de instelling. (...) Waar bijvoorbeeld excursies, waar kosten aan verbonden zijn, een onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma moet de student een alternatief worden aangeboden. In een enkel uitzonderingsgeval is een alternatief niet mogelijk. Ik denk hierbij aan internaten en voedingspraktica. (....)3. Kosten verbonden aan extra diensten en voorzieningen die de student worden aangeboden al dan niet tegen betaling.Deze kosten houden geen rechtstreeks verband met het onderwijs. De student is vrij om al dan niet van deze diensten gebruik te maken. De instelling is vrij deze diensten al dan niet tegen betaling aan te bieden. (....) voorbeelden zijn festiviteiten, fonds studentenbelangen, faciliteitenfonds, gastsprekers, .., introductiedagen, ...(....)Voor zover eigen bijdragen worden gevraagd dienen de instellingen zorg te dragen voor adequate voorlichting terzake. (...) De heffing en inning dienen dan ook separaat te geschieden van de heffing en inning van het collegegeld. Dit om te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de inschrijving afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een eigen bijdrage. (...)(...) In algemene zin dient de hoogte van een bijdrage tezamen met de overige kosten voor leermiddelen in redelijke verhouding te staan tot de normvergoeding in de studiefinanciering. Mochten de kosten deze norm overschrijden dan zal, indien de desbetreffende student niet wenst in te gaan op de vraag om een vrijwillige bijdrage, en er sprake is van een activiteit of voorziening die deel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding, hem een gelijkwaardig alternatief aangeboden moeten worden dat wel bij de desbetreffende norm past. Ook kan door de instelling financiële ondersteuning worden geboden aan studenten (...)”. In een brief van 3 februari 2009 van minister dr. Ronald H.A. Plasterk aan het College van Bestuur van HZ (prod. 3 bij de productie bij mem.v. antw. in inc. appel) schrijft de minister naar aanleiding van Kamervragen over extra vergoedingen voor voedingspractica en stages onder meer:”(...) Een instelling moet de student na inschrijving alle voorzieningen bieden, waarop hij ingevolge de wet recht heeft (art. 7.34 WHW). (....) De werving van stageplaatsen maakt daarvan deel uit. Hoewel de wet duidelijk is over hetgeen tot de verplichtingen van een instelling behoort, wijst de praktijk uit dat het niet altijd mogelijk is een eenduidig antwoord te geven op de vraag welke kosten dan wel in rekening mogen worden gebracht. Ook in het verleden is daarover door enkele van mijn ambtsvoorgangers een uitspraak gedaan. Ik onderschrijf het door hen ingenomen standpunt. Dat behelst het volgende:- (...)- (...)- Als aan een onderdeel van de opleiding kosten zijn verbonden, moet de student een alternatief worden geboden. Slechts in een enkel uitzonderingsgeval kan geen alternatief worden geboden; daarbij gaat het bijvoorbeeld om voedingspractica. Dit betekent voor de door u aangeboden opleiding dat u voor het volgen van voedingspractica een vergoeding aan de studenten kunt vragen;- (...)De instelling dient elke keer dat men kosten in rekening wil brengen, de afweging te maken om welke soort activiteiten het gaat en of als het een onderdeel van de opleiding betreft, een alternatief geboden kan worden. Als extra kosten in rekening worden gebracht, moeten deze qua hoogte redelijk en billijk zijn en studenten moet desgevraagd financiële ondersteuning geboden worden. (.....)”. In een brief van 2 april 2009 (prod. 12 inl. dagv.) van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschap, dr. R.H.A. Plasterk, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van Kamervragen over de door HZ aan studenten in rekening gebrachte kosten, schrijft de minister:“ (...) heb ik het college van bestuur van de hogeschool Zuyd bij brief van 3 februari jl. uiteengezet in welke gevallen een instelling een extra vergoeding kan vragen en onder welke voorwaarden dat kan plaatsvinden. Daarbij ben ik specifiek ingegaan op de voedingspractica, een van de activiteiten waarvoor de instelling wel een vergoeding kan vragen. Het is mogelijk dat ik in mijn antwoorden op de Kamervragen ten onrechte de indruk heb gewekt dat in het geval van voedingspractica ook een alternatief geboden moet worden.(...) Graag licht ik de strekking van deze brief hieronder toe.Het staand beleid met betrekking tot het vragen van een vergoeding van door de instelling gemaakte kosten, houdt in grote lijnen het volgende in:– Voor verrichtingen door de instelling die behoren tot de primaire taken, mag geen extra vergoeding worden gevraagd. Daaronder valt onder andere de werving van stageplaatsen;– Studenten worden verondersteld zelf de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen, zoals boeken en bepaalde kosten verbonden aan practica (bijvoorbeeld een veiligheidsbril);– Bepaalde kosten voor onderwijsbenodigdheden kunnen worden doorberekend, doch slechts op basis van vrijwilligheid. Een student moet zelf kunnen beslissen of hij zelf bepaalde boeken en materialen aanschaft of dat hij deze betrekt van de instelling;– Als aan een onderdeel van de opleiding extra kosten zijn verbonden, moet de student een alternatief worden geboden. Slechts in een enkel uitzonderingsgeval kan geen alternatief worden geboden; daarbij gaat het bijvoorbeeld om voedingspractica. Daarbij geldt tevens als argument dat het hier gaat om materiaal dat door de studenten wordt verbruikt (genuttigd) in tegenstelling tot andere materialen die worden gebruikt in het kader van een opleiding; de voeding die tijdens een voedingspracticum wordt gemaakt vervangt een maaltijd voor de student;– Ingeval van activiteiten en voorzieningen die geen deel uitmaken van de opleiding, vindt deelname daaraan respectievelijk gebruikmaking daarvan plaats op vrijwillige basis. Vanzelfsprekend geldt hetzelfde voor de daaraan verbonden kosten.De door de instelling in rekening te brengen extra kosten moeten qua hoogte redelijk en billijk zijn en studenten moet desgevraagd financiële ondersteuning geboden worden. Ook is het de taak van de instelling de (aanstaande) studenten op adequate en tijdige wijze te informeren over de aard en omvang van (mogelijk) extra kosten en de geboden alternatieven. (....).” In antwoord op Kamervragen verwijst staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart voorts op 16 april 2010 (prod. 5 bij de productie bij mem.v.antw. inc. appel) naar (onder meer) voormelde brief van 2 april 2009 en schrijft zij: “ (...) Daarin heb ik duidelijk aangegeven welke soorten kosten naar mijn mening aan de studenten doorberekend zouden mogen worden. Als de hotelschool zich daar niet aan houdt vind ik dat niet acceptabel, ongeacht de hoogte van de in rekening gebrachte extra kosten. Ik was op de hoogte van het feit dat de instelling studenten een bijdrage vraagt voor voedingspractica. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 2 april 2009 verwoord, vormt het voedingspracticum één van de uitzonderingen op de regel dat indien extra kosten in rekening worden gebracht, de instelling de student daarvoor een alternatief moet bieden. (...)”. De HHM bracht naast het collegegeld extra bijdragen in rekening voor:- de introductieweek en excursies in het eerste jaar resp. € 125,= en € 100,=),- het Four Seasons Restaurant in alle jaren (1e jaar € 660,= voor internen en € 330,= voor externen, 2e en 4e jaar € 165,= en 3e jaar € 330,=),- de praktijkstage in het tweede jaar en in het vierde jaar (2x € 275,=),- excursie derde jaar € 315,=). Voormelde gegevens zijn door HZ vermeld op haar website in een gespecificeerd overzicht van alle kosten voor de verschillende studiejaren (prod. 12 concl.v.antw.). HZ bracht de extra kosten bij afzonderlijke facturen aan de studenten in rekening (prod. 1 inl. dagv.). De studenten verklaarden zich bij een door hen ondertekende schriftelijke overeenkomst akkoord met de in het kostenoverzicht vermelde kosten en de bij factuur in rekening te brengen extra kosten (prod. 4 concl.v.dupliek, een door student 5 op 15-07-2005 ondertekende akkoordverklaring voor de extra kosten van het 1e studiejaar). Bij de eerste nota voor de vaste studentenbijdragen voor de HHM werd een toelichtende brief meegestuurd (prod. 2 inl. dagv.). In een brief d.d. december 2007 (voormelde productie) is onder meer vermeld:“Vaste bijdrage practica(...) Tot de voorbereiding behoort een uitgebreid verplicht voedingspracticum. Dit is inherent aan de aard van de opleiding. Ten aanzien van aangeboden diensten wordt in beginsel de rechtsverhouding tussen een student en de Hoge Hotelschool Maastricht beheerst door regels van privaatrecht. Dat betekent dat daar naar keuze wel of niet gebruik van kan worden gemaakt. De voormalige Minister van Onderwijs en Wetenschappen Ritzen heeft echter bepaald dat in uitzonderingsgevallen, lees voedingspractica, geen alternatief kan worden aangeboden. Derhalve worden de kosten van de aangeboden dienst aan studenten in rekening gebracht. Uit deze bijdrage wordt o.a. de keukeninfrastructuur gefinancierd voor de bereiding van maaltijden voor en door studenten van de Hoge Hotelschool Maastricht. (....).” In een brief van 1 juni 2007 (prod. 3 inl. dagv.) schrijft de directeur van de HHM aan een student: “(...) Iedere student, behalve diegenen die op stage zijn, moet de vaste practica betalen. Iedere student betaalt dus zijn aandeel in de indirecte kosten en bij een maaltijdverstrekking betaalt de student alleen voor de foodcost. Het argument voor het meedragen door studenten aan de dekking van de indirecte kosten is dat bij onderbezetting op de indirecte kosten dit verschil doorberekend moet worden aan de maaltijdverstrekking deelnemende studenten dan wel gekort dient te worden op de uitgaven van het initiële onderwijs. (...).” Naar aanleiding van een brief d.d. 10 september 2007 van de studenten [student 1.] en [appellant 5.] over de vraag of de HHM wel practicumbijdragen en stagebijdragen aan de studenten in rekening mag brengen heeft het College van Bestuur van HZ hierover de mening van haar Ombudsman gevraagd. Deze heeft medio mei 2008 een rapportage uitgebracht over haar bevindingen gerapporteerd. In het rapport (prod. 7 inl. dagv.) is onder meer het volgende vermeld:“Bevindingen. In bijlage1 staat een overzicht van alle kosten die aan de studenten in rekening gebracht worden voor het studiejaar 2007/2008 uit de studiegids HHM. Aankomende studenten dienen een overeenkomst te ondertekenen dat zij akkoord gaan met de genoemde betalingsverplichtingen. Vervolgens worden ze per factuur geïnd. (...) Over blijft dan: 1. Vaste bijdragen voedingspractica 2. Excursies 3. Stagebijdragen voor praktijkstage en managementstage 4. Diversen zoals introductieweek en Funda uitreiking incl. verklaring Sociale Hygiëne.(...)Conclusies mbt de rechtmatigheid van de gevraagde betalingen (..)1. De vaste bijdragen voor voedingspractica, die zoals gezegd, bedoeld zijn om de voorzieningen om het voedingspracticum mogelijk te maken mogen niet worden doorberekend aan de student. Alleen kosten voor materialen die voor eigen gebruik zijn zoals messenset, speciale kleding en de inkoopkosten van de ingrediënten van de maaltijden die ze zelf gebruiken zijn voor rekening van de student. Zij kunnen niet verplicht worden deze via de school te betrekken.2. Kosten voor excursies mogen alleen worden doorberekend aan de studenten op vrijwillige basis. De opleiding wordt geadviseerd deze kosten op vrijwillige basis door te berekenen aan de studenten en een alternatief aan te bieden voor studenten die deze kosten niet vrijwillig willen betalen. (..)3. Kosten doorberekenen die bedoeld zijn voor de totstandkoming en instandhouding van reguliere onderdelen van een opleiding zoals de stage is niet toegestaan. Daarvoor dient de overheidsbekostiging. Wel kunnen bijkomende diensten zoals het aanvragen van een visum, het regelen van beurzen in rekening gebracht worden, op vrijwillige basis.(...).” 4.1.2. De studenten hebben in eerste aanleg teruggave gevorderd van door hen betaalde vaste bijdragen voor voedingspractica, stagebijdragen, excursies en kosten introductieweek en Funda uitreiking. Zij stelden dat zij de desbetreffende bedragen onverschuldigd hebben betaald. Zij hebben zich daartoe beroepen op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van hun akkoordverklaring met die bijdragen op grond van art. 3:40 lid 1 of lid 2 BW dan wel de vernietigbaarheid van de desbetreffende overeenkomsten op grond van dwaling als voorzien in art. 6:228 lid 1 sub a en sub c BW. 4.1.3. De kantonrechter heeft het beroep van de studenten op vernietigbaarheid op grond van art. 3:40 lid 2 BW gegrond bevonden ten aanzien van de overeengekomen kosten voor het voedingspracticum. De kantonrechter achtte de vorderingen van de studenten, voor zover die bijdragen betreffende gegrond doch achtte de gevorderde bedragen slechts toewijsbaar voor zover betaald in een periode van drie jaren vóór de dagvaarding in eerste aanleg. Voor het eerder betaalde achtte de kantonrechter het beroep op verjaring van HZ gegrond. De kantonrechter verwierp het verweer van HZ dat die vorderingen dienden te worden verrekend met een aan HZ toekomende vergoeding voor het genot dat de studenten van de door HZ geleverde diensten hebben gehad. Het vonnis waarvan beroep resulteerde erin dat werd toegewezen: aan student 1 een bedrag van € 480,=, aan student 2 een bedrag van € 545,70, aan student 3 een bedrag van € 645,= en aan student 4 een bedrag van € 322,50. 4.1.4. De studenten hebben in principaal appel tegen de beslissing van de kantonrechter acht grieven aangevoerd en aan hun vorderingen aanvullend ten grondslag gelegd dat HZ jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond de gevorderde bedragen bij wege van schadevergoeding verschuldigd is. 4.1.5. HZ heeft ten aanzien van de studenten 2, 3 en 5 in de eerste plaats aangevoerd dat zij in hun hoger beroep niet ontvankelijk dienen te worden verklaard nu hun vorderingen lager zijn dan het voor de appellabiliteit van de beslissing in eerste aanleg vereiste beloop van de vordering van € 1.750,= (art. 332 Rv). HZ heeft de vorderingen van de studenten ook voor wat betreft de in hoger beroep geponeerde aanvullende grondslag gemotiveerd betwist. Zij heeft verder in incidenteel appel vijf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter van 25 april 2012 aangevoerd. 4.2.1. Het beroep van HZ op de niet ontvankelijkheid van de studenten 2, 3 en 5 is gegrond. Het hof zal het principaal en het incidenteel appel verder alleen bespreken voor zover dit de andere studenten betreft. Het hof gaat er daarbij vanuit dat HZ het incidenteel appel ook alleen heeft willen richten tegen de in het principaal appel ontvankelijke appellanten, de studenten 1, 4 en 6. 4.2.2. Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel appel hieronder ten dele gezamenlijk behandelen. 4.3.1. Het hof stelt voorop dat het enkele sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen HZ en de studenten waarbij de studenten instemmen met het betalen van een vergoeding voor van HZ/HHM af te nemen diensten of activiteiten als zodanig niet in strijd is met het bepaalde in art. 7.46 (oud) WHW. Een dergelijke overeenkomst kan wel naar haar strekking in strijd komen met voormelde wettelijke bepaling indien daarbij betalingen door studenten worden overeengekomen voor zaken waarvoor de vergoeding in het collegegeld begrepen moet worden geacht en/of indien de inschrijving voor de HHM van het aangaan van een dergelijke overeenkomst afhankelijk wordt gesteld. 4.3.2. HZ heeft gemotiveerd betwist dat zij de inschrijving voor de HHM afhankelijk heeft gesteld van ondertekening door de studenten van een akkoordverklaring met de jaarlijks te betalen bedragen. De studenten hebben hier tegenover geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit wel het geval is geweest. De studenten hebben dienaangaande niet meer gesteld dan dat die indruk bij hen is gewekt en dat HZ hen er nimmer uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het hun vrijstond de aan hen voorgelegde akkoordverklaring met de voor enig jaar door HHM in rekening te brengen kosten - naast het collegegeld een aantal bij separate facturen aan de studenten in rekening te brengen bedragen - al dan niet te ondertekenen. Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat HZ de inschrijving wel, in strijd met art. 7.46 (oud) WHW, van enige andere geldelijke bijdrage afhankelijk heeft gesteld, naar de studenten overigens zelf ook concluderen op p. 6 van de conclusie van repliek. In het navolgende zal het hof het beroep van de studenten op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten van akkoordverklaring op grond van art. 3:40 lid 2 BW verder beoordelen in verband met de vraag of en in hoeverre in die overeenkomsten bijdragen zijn overeengekomen die in strijd met de strekking van art. 46 WHW moeten worden geacht. 4.3.3. Het hof overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat, indien en voor zover enige overgekomen bijdrage strijdig mocht zijn met de strekking van art. 7.46 (oud) WHW, dit voor de studenten een grond voor vernietiging van de overeenkomst oplevert als voorzien in art 3:40 lid 2 BW. 4.3.4. In r.o. 8 van het beroepen eindvonnis van 25 april 2012 formuleert de kantonrechter - voor het geval van een vernietigingsgrond ex artikel 3:40 BW - het juiste uitgangspunt voor de verjaring van een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan (art. 3:52 lid 1 onder d BW). Met HZ is het hof van oordeel dat de verjaringstermijn voor een beroep op nietigheid/ vernietigbaarheid van een overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW een aanvang neemt op het moment dat de overeenkomst is aangegaan. Vanaf dat moment staat het middel ten dienste aan degene die daarop een beroep kan doen. Het gaat hier niet om een vordering tot schadevergoeding, voor de aanvang waarvan bij de gerechtigde (daadwerkelijke) bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon is vereist, zodat de verwijzing door de studenten naar rechtspraak daarover niet relevant is. Overigens merkt de kantonrechter bij haar verwijzing naar een van die arresten (NJ 2012, 193) terecht op dat de Hoge Raad in dat - wel op schadevergoeding betrekking hebbende - arrest eveneens overweegt dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden niet is vereist. 4.3.5. Het hof verwerpt het in hoger beroep door de studenten gevoerde verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat het beroep van HZ op verjaring wordt geaccepteerd. Het hof stelt daarbij voorop dat bij een buiten toepassing laten van een wettelijke regel grote terughoudendheid moet worden betracht. Dit geldt temeer indien het gaat om wettelijke bepalingen waarbij maatstaven van redelijkheid en billijkheid al een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die bepalingen, zoals bij de wettelijke bepalingen inzake verjarings- en vervaltermijnen. Bij dergelijke termijnen is enerzijds meegewogen het belang van de rechtszekerheid, het belang dat op enig moment kan worden uitgegaan van hetgeen in het verleden zijn beslag heeft gekregen, en anderzijds het belang van een betrokkenen bij een voldoende lange termijn om een rechtshandeling wegens onregelmatigheden te kunnen aantasten. Een dergelijke terughoudendheid is, mede gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad (NJ 2012, 193), te meer geboden in een geval als het onderhavige waarin de studenten zich ten gevolge van rechtsdwaling niet eerder op de vernietigingsgrond van art. 3:40 lid 2 BW hebben beroepen. 4.3.6. De studenten stellen, kort samengevat, dat het beroep van HZ op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht omdat hun rechtsdwaling is veroorzaakt doordat HZ haar informatieplicht heeft verzaakt en aan hen bewust misleidende informatie heeft verstrekt. Nog afgezien van de vraag of een dergelijke omstandigheid in het geval van rechtsdwaling voldoende zwaarwegend kan worden geacht om het beroep op verjaring van HZ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten, hebben de studenten naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan tot enige bewuste misleiding van de studenten door HZ kan worden geconcludeerd. Anders dan in de uitspraak van de kantonrechter Den Haag in een tegen de Hogere Hotelschool Den Haag ingestelde procedure waarnaar door de studenten wordt verwezen - waarin de inschrijving aan de school, althans volgens de tekst van het Studentenstatuut, afhankelijk werd gesteld van de ondertekening door de studenten van een instituutsverklaring waarin zij zich verplichtten tot betaling van additionele kosten - heeft HZ een dergelijke koppeling niet aangebracht. HZ heeft ten behoeve van de door haar gevraagde extra bijdragen privaatrechtelijke overeenkomsten met de studenten gesloten en, zoals in de brieven van de ministers van 1989 en 1984 geadviseerd, de heffing en inning van de extra bijdragen separaat gedaan ‘om te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de inschrijving afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een eigen bijdrage’. Door HZ is voorts duidelijk aangegeven voor welke activiteiten zij welke bijdragen vroeg. Door de studenten is niet, althans onvoldoende, gesteld dat HZ bijdragen zou hebben gevraagd waarvan zij wist dat zij deze niet boven het collegegeld van de studenten mocht vragen. Uit het verweer van HZ blijkt daarentegen dat zij van alle door haar - via de privaatrechtelijke overeenkomst - gevraagde extra bijdragen ervan is uitgegaan dat zij deze kon vragen omdat het ofwel bijdragen waren voor extra, niet verplicht af te nemen, voorzieningen ofwel kosten voor wel verplicht af te nemen voorzieningen die mogen worden doorberekend aan de student omdat een alternatief daarvoor niet goed mogelijk is. Voor zover een of meer van de extra bijdragen in strijd met de strekking van art 7.46 (oud) WHW moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.