GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.135.166/01 arrest van 22 juli 2014 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats 1], appellant, advocaat: mr. M.G. Spijker te Gennep, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, advocaat: mr. C.T.E. Verhaeg te Horst, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 januari 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/118031/HA ZA 12-271 gewezen vonnis van 3 juli 2013. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 21 januari 2014; - de memorie van antwoord; - het op 26 juni 2014 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 7De verdere beoordeling 7.1. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incident. 7.2. De rechtbank heeft in rov. 2 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht en die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. 7.2.1. Op 23 juni 1999 is in België bij ING een zogenaamde en/of bankrekening (nummer [rekeningnummer 1]) geopend op naam van [appellant] en de oom van [appellant], de heer [erflater]. Bij opening van die bankrekening is in opdracht van [erflater] € 69.482,23 gestort. 7.2.2. Op 31 mei 2000 heeft [erflater] een concept van een testament laten opmaken. In het op 27 september 2000 verleden (definitieve) testament is [appellant] benoemd tot executeur-testamentair. Hierna zal worden aangegeven in welk (relevant) opzicht het concept verschilt van het op 27 september 2000 verleden testament. In het testament is onder andere het volgende opgenomen: ‘ LEGATEN Ik legateer niet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden aan: De Heer [appellant] voornoemd een perceel cultuurgrond met opstallen aan de [straatnaam] te [plaats] kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer A] groot een hectare, achttien are en tweeënzeventig centiare (1.18.72 ha.) alsmede de paarden en/of pony’s, de trailer en alle verdere roerende zaken die gebruikt worden voor het houden van paarden en pony’s. ERFSTELLING Onder de last van het vorenstaande benoem ik tot mijn erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen mijn zussen: 1. [zus 1] (…) 2. [zus 2] (…) en bij haar vooroverlijden vóór mij benoem ik in haar plaats tezamen en voor gelijke delen: a. mijn zus [zus 3] (…) b. mijn zus [zus 4] (…) c. mijn zus [geïntimeerde] (…) Ten aanzien van de erfstelling sub 2.a tot en met 2.c. verzoek ik mijn voornoemde zussen van hetgeen zij, na de betaling van het verschuldigde Successierecht overhouden, aan ieder van hun kinderen gelijkelijk te schenken rekening houdend met de schenkingsvrijstellingen.’ In het concept van het testament was nog een passage opgenomen onder het kopje legaten na ‘paarden en pony’s’ dat als volgt luidde: ‘alsmede een bedrag in contanten groot…..’. De puntjes waren niet ingevuld. 7.2.3. Op 16 mei 2005 is [erflater] (hierna te noemen erflater) overleden. Erflater was een broer van [geïntimeerde], die de hiervoor onder 2c genoemde zus is van erflater. 7.2.4. De Belgische bankrekening is op 27 juli 2005 opgeheven. Op dat moment bedroeg het saldo van de rekening € 79.557,56. Dit bedrag is overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. 7.3. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] kort gezegd gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om € 79.557,56 te betalen aan de nalatenschap/gemeenschap van erflater, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering in hoofdsom toegewezen. De nevenvorderingen zijn deels toegewezen. [appellant] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen en heeft onder aanvoering van zeven grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afgewezen nevenvorderingen (€ 500,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten, kosten van een ingeschakelde derde, een latere dan de gevorderde ingangsdatum ter zake wettelijke rente, waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel), zodat deze vorderingen geen onderdeel uitmaken van het geschil in hoger beroep. 7.4. Kern van het geschil is de vraag hoe het testament van erflater dient te worden verstaan. Evenals de rechtbank (en niet met grieven bestreden) stelt het hof voorop dat nu erflater is overleden na inwerkingtreding op 1 januari 2003 van het huidige erfrecht, de maatstaf voor de uitleg van het testament wordt gegeven door artikel 4:46 BW, dat immers ingevolge artikel 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft. Ingevolge de in artikel 4:46 BW neergelegde systematiek dient voor de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wil duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitleg van de uiterste wil worden gebruikt indien deze zonder deze verklaringen geen duidelijke zin hebben. Dit betekent dat eerst indien de bewoordingen van een testament - gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt - onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater mag en moet worden achterhaald. 7.5. In zijn toelichting op grief I betoogt [appellant] dat onder ‘roerende zaken’, zoals vermeld in het legaat uit het testament, ook kan, en in dit geval moet, worden verstaan het geld dat op de bankrekening stond. [appellant] stelt onder verwijzing naar artikel 3:3 BW dat roerende zaken alle zaken zijn, die niet onroerend zijn en volgens hem valt daaronder ook geld. 7.6. De grief faalt omdat ‘geld op een bankrekening’ geen (roerende) zaak is, maar een vermogensrecht, te weten een vorderingsrecht op de bank. Omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in het onderhavige geval door de instrumenterende notaris een vergissing is begaan worden niet gesteld en zijn niet gebleken. Dat de notaris het verschil tussen een ‘goed’ en een ‘zaak’ overeenkomstig de wettelijke definities van Boek 3 BW (goed) heeft toegepast blijkt ook uit pagina 1 van het testament waarin [appellant] het recht van inbezitneming van alle ‘goederen’ wordt gegeven. Aangenomen moet dan worden dat met ‘zaak’ in de legaatsbepaling niet ‘goed’ wordt bedoeld. 7.7. Uit de toelichting op de grieven grief II en III blijkt dat [appellant] van mening is dat erflater de bedoeling had om [appellant], naast hetgeen in het legaat wordt genoemd, tevens een geldbedrag na te laten ter verzorging van de paarden en pony’s en het onderhoud van de trailer, het perceel en de opstallen. [appellant] leidt dat af uit het concept-testament van 31 december 2000. 7.8. Het hof verwerpt ook deze grieven, omdat in het concept-testament was vermeld ‘alsmede een bedrag in contanten groot…..’, terwijl die zinsnede in het definitieve testament is vervallen. Het hof kan daaruit niet anders dan concluderen dat het juist niet de wil van erflater is geweest om nog een geldbedrag aan [appellant] te legateren. Niet valt in te zien waarom erflater deze zinsnede anders heeft (doen) verwijderen. [appellant] geeft ook geen verklaring. 7.9. [appellant] verwijst in de toelichting op deze grieven naar een schriftelijke verklaring van [getuige 1] en een schriftelijke verklaring van [getuige 2], waarin wordt vermeld hetgeen erflater zou hebben verklaard tegen deze personen. Kort gezegd komen die verklaringen erop neer dat erflater tegen hen heeft gezegd dat hij geld op een bankrekening in België zou zetten of had gezet waarmee [appellant] na erflaters overlijden de gemeenschappelijke hobby van erflater en [appellant] (pony’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.