GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.136.484/01 arrest van 22 juli 2014 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. B.H. Vader te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, tegen [uitzendbureau] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom te Utrecht, op het bij exploot van dagvaarding van 23 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Middelburg gewezen vonnis van 25 september 2013 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [uitzendbureau] - als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 253791/13-1477) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met twee producties; - de memorie van antwoord met vier producties; - het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd; - de bij brief van 17 april 2014 door de advocaat van [appellant] toegezonden producties, die bij het pleidooi in het geding te zijn gebracht. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. De feiten a. [appellant] heeft achtereenvolgens de volgende arbeidsovereenkomsten gesloten: 1. met Orionis B.V. (hierna: Orionis) voor de duur van één jaar met ingang van 15 juni 2009 in de functie van algemeen medewerker tegen een salaris van € 1.104,96 bruto per maand; 2. met Orionis voor de duur van een half jaar met ingang van 15 juni 2010 in de functie van algemeen medewerker tegen een salaris van € 1.126,08 bruto per maand; 3. met [uitzendbureau] voor de duur van een jaar met ingang van 15 december 2010 in de functie van voorman zwerfvuil [plaats] tegen een salaris van € 1.976,-- bruto per maand; 4. met [uitzendbureau] voor de duur van een jaar met ingang van 15 december 2011 in de functie van voorman tegen een salaris van € 2.038,-- bruto per maand. b. Er is een ‘Trajectverslag SDWerk Ervaringsplaats’ opgemaakt met betrekking tot [appellant] vanaf 15 juni 2009. In dat verslag is melding gemaakt van onder meer: - het test- en trainingstraject gedurende de eerste twee maanden van de arbeidsovereenkomst; - de eerste leerwerkplek met ingang van 16 juli 2009 als conciërge; - POP-gesprekken in oktober 2009; - het door [appellant] gevolgde coachingstraject van november 2009 tot 20 april 2010 bij ‘Het Betere Werk’ met onder meer het doel ‘leren kort en bondig aan te geven wat besproken dient te worden en over te brengen aan de ander’; - het aansturen door [appellant] van een klusploegje met ingang van 24-11-2009; - het behalen door [appellant] van het VCA-diploma voor operationeel leidinggeven op 12 maart 2010; - de verlenging van het dienstverband met zes maanden met als doel het doorgroeien naar meewerkend voorman. c. Bij brief van 3 juni 2010 heeft Orionis de verlenging van het (eerste) dienstverband als volgt aan [appellant] bevestigd: “(…) U krijgt een contract aangeboden voor de duur van zes maanden met als doel binnen die periode te ontwikkelen richting de functie van meewerkend voorman binnen Orionis. Er zijn met u afspraken gemaakt om proces vorm te geven. Afspraken: - doorgroeien naar meewerkend voorman; - operationeel en structureel deelnemen in de groep leidinggevende buitenploeg, dit wil zeggen ook deelnemen aan de benodigde cursussen en overlegstructuren voor deze leidinggevenden; - specifieke afspraken richting ontwikkeling als leidinggevende kunnen nog concreet bepaald worden door uw klantmanager; - behalen van rijbewijs B. Tegen het einde van uw dienstverband zal er, bij goed functioneren en tevredenheid van beide kanten, een contract binnen de Walflex aangeboden worden als meewerkend voorman.” [appellant] heeft deze brief voor akkoord getekend. d. Bij brief van 22 december 2010 heeft de projectleider van Orionis aan [appellant] meegedeeld dat het dienstverband eindigt per 15 december 2010, dat [appellant] met ingang van die datum een arbeidsovereenkomst is aangegaan met [uitzendbureau], dat daarmee het doel van de SDWerk Ervaringsplek is behaald, te weten uitstroom naar een reguliere werkplek. e. Bij brief van 12 december 2012 berichtte Orionis Walcheren aan [appellant] dat de arbeidsovereenkomst (4.) voor bepaalde tijd met [uitzendbureau] van rechtswege eindigt per 14 december 2012. 4.2. Het geschil in eerste aanleg [appellant] heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat tussen Orionis en [uitzendbureau] sprake is van opvolgend werkgeverschap, terwijl de werkzaamheden in de verschillende functies min of meer dezelfde vaardigheden vereisten. Van verschillende functies is niet of nauwelijks sprake geweest. Met de vierde arbeidsovereenkomst is derhalve een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaan. [appellant] maakt aanspraak op doorbetaling van zijn loon c.a. ingaande 15 december 2012, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging (25%). De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Hij overwoog daartoe onder meer, samengevat, dat sprake is van een omslagpunt tussen de tweede arbeidsovereenkomst (met Orionis) en de derde arbeidsovereenkomst (met [uitzendbureau]), dat [appellant] vanuit een Wwb-situatie bij Orionis aan de slag is gegaan als algemeen medewerker op een leerwerkplek tegen het minimumloon met als doel het doorgroeien naar regulier werk, dat die doorgroei is gerealiseerd met de indiensttreding bij [uitzendbureau] als voorman zwerfvuil tegen een substantieel hoger salaris dan [appellant] bij Orionis verdiende, en dat die functie wezenlijk andere vaardigheden en verantwoordelijkheden van [appellant] vroeg, waarvoor hij het leerwerktraject had doorlopen. 4.3. Tegen de door [appellant] aangevoerde grief heeft [uitzendbureau] allereerst aangevoerd dat het om een algemene of veeggrief gaat die niet voldoende is om het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof verwerpt dat verweer. Uit de grief en de toelichting daarop blijkt dat en waarom [appellant] het niet mee eens is met het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 7:668a lid 2 jo. lid 1 BW. Dat is de kern van het geschil en met de grief is dat geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. 4.4. De grief van [appellant] komt er op neer dat hij van mening is dat hij vanaf 24 november 2009 als meewerkend voorman met een klusploeg heeft gewerkt en deze heeft aangestuurd en dat die werkzaamheden steeds hetzelfde zijn gebleven tot 14 december 2012, dus ook toen hij voor [uitzendbureau] werkte. Zijn werk bij [uitzendbureau] eiste volgens [appellant] wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden als zijn werk bij Orionis. Dat het er op papier anders uit ziet doet er volgens [appellant] niet toe. [uitzendbureau] heeft het standpunt van [appellant] gemotiveerd bestreden. 4.5. Het hof oordeelt als volgt. 4.5.1. Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van artikel 7: 668a lid 2 BW aansluiting gezocht dient te worden bij de maatstaf die de Hoge Raad heeft ontwikkeld met het oog op de beantwoording van de vraag of een proeftijdbeding rechtsgeldig is in geval van rechtsopvolging aan de zijde van de werkgever. Dit betekent dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.