GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.141.521/01 arrest van 23 september 2014 in de zaak van 1De Molenwiek B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant 2],wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna afzonderlijk aan te duiden als De Molenwiek respectievelijk [appellant 2] sr., advocaat: mr. A.W. van Dooren-Korenstra te Vught, tegen [geïntimeerde] h.o.d.n. Restaurant [Restaurant] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als huurder, advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2013, gewezen tussen De Molenwiek en [appellant 2] sr. als eisers en huurder als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 869923/CV EXPL 13-1) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven, tevens houdende (deels voorwaardelijke) wijziging van eis, met producties; - de memorie van antwoord, met producties; - het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd; - de bij formulier H12 van 15 juli 2014 door De Molenwiek en [appellant 2] sr. toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof slaat geen acht op de door De Molenwiek en [appellant 2] sr. aan de pleitnotitie gehechte productie. Tegen het overleggen van deze productie is door huurder bezwaar gemaakt. Uit het oogpunt van de eisen van hoor en wederhoor acht het hof het overleggen van de productie bij het pleidooi te laat. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. [appellant 2] sr. is directeur en enig aandeelhouder van De Molenwiek. Hij is de vader van huurder. [appellant 2] sr. is eigenaar van twee percelen in [plaats] . [appellant 2] sr. heeft bij notariële akte van 29 april 1980 aan De Molenwiek voor de duur van 20 jaar een recht van opstal verleend op een gedeelte van de percelen. Op de percelen zijn vier opstallen gesitueerd: de privéwoning van [appellant 2] sr., een restaurant, een aan het restaurant grenzende (voormalige) bedrijfswoning en een eveneens aan het restaurant grenzende molen, die is aangemerkt als rijksmonument. Per 1 juni 1996 is De Molenwiek het restaurant aan huurder gaan verhuren. De huurovereenkomst is vastgelegd in een notariële akte van 23 september 1996. Deze notariële akte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:“(…)Artikel 10.De verhuurder of diens gemachtigde heeft te allen tijde vrije toegang tot het gehuurde ter bezichtiging of inspectie. Voor iedere weigering van toegang tot het gehuurde voor het uitoefenen van voormelde inspectie of bezichtiging, zal de huurder ten behoeve van de verhuurder een dadelijk opeisbare boete verbeuren van eenhonderd gulden (f.100,00) per dag (-een gedeelte van de dag voor een gehele dag gerekend).(…)” Gelijktijdig met het sluiten van de huurovereenkomst hebben De Molenwiek als verkoper en huurder als koper een koopovereenkomst gesloten. Deze koopovereenkomst houdt onder meer het volgende in:“(…)omschrijving van het verkochteDe gehele horeca-inventaris, de voorraden en de goodwill, welke hebben gehoord tot de door de verkoper voorheen geëxploiteerde horeca-onderneming.- hierna te noemen “het verkochte”.KoopsomDe koopsom voor het verkochte bedraagt:- voor wat betreft de inventaris en goodwill: een bedrag ad in totaal eenhonderdduizend gulden (fl. 100.000,00) exclusief omzetbelasting;- voor wat betreft de voorraden: een bedrag ad tien duizend gulden (fl. 10.000,00) exclusief omzetbelasting;(…)”. Vanaf 1998 huurt huurder tevens de naast het restaurant gelegen bedrijfswoning. De bedrijfswoning werd tot 2003 door huurder bewoond en is thans in gebruik als opslag en kantine voor het personeel van het restaurant. Het gehuurde is bestemd voor de uitoefening van een restaurant en betreft een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Huurder exploiteert in het gehuurde samen met zijn echtgenote in vof-verband het restaurant “ [Restaurant] ”. Het recht van opstal is geëindigd op 30 april 2000. De huurovereenkomst is na ommekomst van twee termijnen van vijf jaren met ingang van 1 juni 2006 voortgezet voor onbepaalde tijd. Bij aangetekende brief van 11 oktober 2012 van hun gemachtigde hebben De Molenwiek en [appellant 2] sr. de huurovereenkomst met huurder opgezegd tegen 1 november 2013, althans tegen 1 juni 2014. 3.2.1. In de onderhavige procedure vorderen De Molenwiek en [appellant 2] sr. (na deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke wijziging van eis in hoger beroep) onder meer het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen, het tijdstip van ontruiming van het gehuurde vast te stellen, vast te stellen dan wel te verklaren voor recht dat géén sprake is van ‘casco’-huur, zodat huurder bij zijn ontruiming de vaste keukeninrichting/ installatie behorend tot het restaurant in tact dient te laten en huurder te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 42,53 per dag, ingaande op 11 juli 2011, wegens het niet te allen tijde verlenen van vrije toegang tot het gehuurde. 3.2.2. Aan deze vorderingen hebben De Molenwiek en [appellant 2] sr., kort samengevat, onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant 2] sr. verhuurder is en dat hij, dan wel een bloedverwant in eerste graad, het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen. 3.2.3. Huurder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.4. Voor het geval de vorderingen van De Molenwiek en [appellant 2] sr. worden toegewezen, heeft huurder gevorderd De Molenwiek, althans De Molenwiek en [appellant 2] sr. hoofdelijk te veroordelen om ter zake een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten ex artikel 7:297 lid 1 BW aan huurder te voldoen een bedrag in geld overeenkomend met € 120.000,-, althans een door de rechter in redelijkheid te bepalen bedrag, zo nodig te bepalen aan de hand van een nader deskundigenbericht, te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat De Molenwiek, althans De Molenwiek en [appellant 2] sr. hoofdelijk een bedrag van € 1.770.000,-, althans een door de rechter in redelijkheid te bepalen bedrag, zo nodig te bepalen aan de hand van een nader deskundigenbericht aan huurder verschuldigd is/zijn, indien de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest, en de uitspraak met de toewijzing van de vordering van De Molenwiek en [appellant 2] sr. voor dat gedeelte niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.3. In het eindvonnis van 31 oktober 2013 heeft de rechtbank de vorderingen van De Molenwiek en [appellant 2] sr. afgewezen en hen – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten en in de nakosten veroordeeld. 3.4. De Molenwiek en [appellant 2] sr. hebben in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van hun (gewijzigde) vorderingen. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen toewijsbaar zijn. 3.5. Het hof ziet aanleiding eerst grief III te bespreken. 3.5.1. In deze grief bepleiten De Molenwiek en [appellant 2] sr. het standpunt dat [appellant 2] sr. en niet De Molenwiek aangemerkt moet worden als verhuurder van het gehuurde. Daartoe voeren zij onder meer aan dat met het eindigen van het opstalrecht van rechtswege ook het verhuurderschap van De Molenwiek is geëindigd en is overgegaan op [appellant 2] sr. als eigenaar van de percelen én van de opstallen. 3.5.2. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 5:94 lid 2 BW is na het einde van de erfpacht de eigenaar verplicht een bevoegdelijk aangegane verhuur of verpachting gestand te doen. Met andere woorden: de eigenaar zet de huurovereenkomst als verhuurder met huurder voort. Artikel 5:94 BW is ingevolge artikel 5:104 BW van overeenkomstige toepassing op het recht van opstal. Het hof is van oordeel dat ingevolge deze artikelen [appellant 2] sr. de huur met huurder voortgezet heeft nadat het recht van opstal was geëindigd. [appellant 2] sr. heeft in dezen dus als verhuurder te gelden. 3.5.3. Huurder heeft aangevoerd dat ondanks het einde van het opstalrecht de huurovereenkomst met De Molenwiek (stilzwijgend) is blijven bestaan, dan wel dat er (stilzwijgend) een nieuwe huurovereenkomst met De Molenwiek tot stand is gekomen. Deze stelling heeft huurder naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat tot oktober 2009 de huur is betaald op de bankrekening van De Molenwiek is daartoe ontoereikend. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat in een andere gerechtelijke procedure tussen De Molenwiek en huurder De Molenwiek als verhuurder is opgetreden. Anders dan huurder meent, kan dit niet worden gekwalificeerd als een gerechtelijke erkenning van het feit dat De Molenwiek als verhuurder aangemerkt dient te worden. In dit verband acht het hof verder van belang dat beide partijen in hun contacten over de huurovereenkomst in feite geen verschil maakten tussen De Molenwiek en [appellant 2] sr. in persoon. Dit blijkt uit de huurallonge en de gevoerde correspondentie. Weliswaar is in de onderhavige procedure in eerste aanleg De Molenwiek als verhuurder aangemerkt, maar het hoger beroep dient er mede toe om fouten en omissies van de eerste aanleg te herstellen. 3.5.4. Grief III slaagt. 3.6 Nu De Molenwiek niet (langer) als verhuurder geldt, dienen haar de vorderingen te worden ontzegd. 3.7. Nu grief III slaagt, hebben partijen geen belang meer bij een beoordeling van grief I. Het hof laat een beoordeling van die grief dan ook achterwege. 3.8. Het hof bespreekt vervolgens grief II. 3.8.1. In deze grief bepleit [appellant 2] sr. het standpunt dat het gehuurde ook het medegebruik van de parkeerplaats van ca. 500 m² omvat. 3.8.2. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat het medegebruik van de parkeerplaats tot het verhuurde hoort. Voor de beslissing op het te berechten geschil is dit verder niet relevant. 3.8.3. Grief II faalt. 3.9. Het hof bespreekt vervolgens grief IV. 3.9.1. In deze grief bepleit [appellant 2] sr. het standpunt dat de huurovereenkomst met huurder beëindigd kan worden op de grond dat [appellant 2] sr. het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en het gehuurde daartoe dringend nodig heeft. Daartoe voert hij onder meer aan dat hij een economisch belang heeft en dat de molen duur in onderhoud is, dat de huidige exploitatie van de molen als individueel object niet rendabel is en dat bij het exploiteren van molen, restaurant, museum en bedrijfswoning als één geheel de rendementen zullen verbeteren. Daartoe is een bedrijfsplan opgesteld dat gedegen en uitvoerbaar is en het voornemen om het plan te verwezenlijken is serieus en oprecht, aldus [appellant 2] sr.. 3.9.2. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 7:296 BW kan de vordering tot beëindiging van de verhuurder worden toegewezen, indien hij aannemelijk maakt dat hijzelf of iemand anders die in nauwe relatie tot hem staat het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij het gehuurde daartoe dringend nodig heeft. Het voorgenomen gebruik door de verhuurder dient dus, kort gezegd, te voldoen aan drie vereisten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.