GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.098.714/01 arrest van 18 februari 2014 in de zaak van 1 [appellant 1],wonende te [woonplaats],, 2. [appellante 2.],wonende te [woonplaats],, appellanten, advocaat: mr. H.M.J. Offermans te Roermond, tegen mr. [advocaat], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch, op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 30 maart 2011 tussen appellanten – [appellanten] c.s. – als eisers en geïntimeerde – mr. [geïntimeerde] – als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 204847/HA ZA 10-76) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met productie; - de memorie van antwoord; - het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Aan het hof zijn niet de drie ordners overgelegd die betrekking hebben op de procedure van [appellanten] c.s. tegen mrs. [advocaat 2.] en [advocaat 3.]. In eerste aanleg hebben [appellanten] c.s. producties in het geding gebracht. Achter de tabbladen 8 en 9 bij de conclusie van repliek en 11 en 12 bij de pleitnota in eerste aanleg bevinden zich geen producties. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 4.1.1 [appellanten] c.s. huurden van verhuurder [verhuurder] een appartement en atelier (onderdeel uitmakend van een carré-boerderij) in [plaats]. Bij brief van 22 mei 2001 heeft [verhuurder] de huurovereenkomsten opgezegd tegen 1 december 2001. Aan deze opzegging heeft [verhuurder] ten grondslag gelegd: a. dat [appellanten] c.s. stelselmatig tekortschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen en b. dat zij zich schuldig maakten aan wangedrag, onder meer door een deel van de gemeenschappelijke ruimten, bestemd om door alle bewoners van de appartementen in de carré-boerderij te worden gebruikt, uitsluitend voor zichzelf te reserveren. Omdat [appellanten] c.s. niet instemden met de beëindiging van de huur heeft [verhuurder] [appellanten] c.s. gedagvaard voor de kantonrechter te Maastricht. Hij vorderde daar op genoemde grondslagen de ontruiming door [appellanten] c.s. van het appartement en het atelier. In die procedure werden [appellanten] c.s. bijgestaan door mr. [advocaat 2.], advocaat te [vestigingsplaats]. 4.1.2 Bij de aanvang van de door [verhuurder] gestarte procedure bedroeg de huurachterstand van [appellanten] c.s. circa ƒ 2.500,= (circa € 1.135,=) (arrest van dit hof van 2 maart 2004 tussen [appellanten] c.s. en [verhuurder], r.o. 4.8.2). Op het moment van het door de kantonrechter gewezen ontruimingsvonnis van 4 september 2002 hadden [appellanten] c.s. de huur over de maanden april, mei, juni, juli en augustus 2002 onbetaald gelaten. Na het ontruimingsvonnis heeft de gemeente Gulpen-Wittem de huurachterstand van [appellanten] c.s. van € 2.451,05 aan [verhuurder] betaald. Op 27 september 2002 hebben [appellanten] c.s. de per 1 september 2002 over de maand september 2002 verschuldigde huur aan [verhuurder] betaald (concl. v. repliek van [appellanten] c.s. no. 36). [verhuurder] baseerde het gestelde wangedrag onder meer op een vonnis van de rechtbank Maastricht van 6 december 2001 tussen [appellanten] c.s. en bewoners van andere appartementen. Bij dat vonnis zijn [appellanten] c.s. veroordeeld om een afscheiding van de gemeenschappelijke ruimten te verwijderen. Van dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 4.1.3 Nadat in de ontruimingsprocedure mr. [advocaat 2.] bij conclusie van antwoord voor [appellanten] c.s. verweer had gevoerd en zijdens [verhuurder] was geconcludeerd voor repliek, verzuimde mr. [advocaat 2.] voor dupliek te concluderen. Bij vonnis van 4 september 2002 heeft de kantonrechter als vermeld [appellanten] c.s. uitvoerbaar bij voorraad tot ontruiming veroordeeld. 4.1.4 Vervolgens heeft mr. [advocaat 2.] op 4 september 2002 namens [appellanten] c.s. hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter ingesteld en heeft hij op de eerste roldatum, 24 september 2002, de memorie van grieven genomen. Tevens heeft mr. [advocaat 2.] namens [appellanten] c.s. een executie-kortgeding gestart, waarin de schorsing van de executie werd gevorderd. De voorzieningenrechter te Maastricht heeft die vorderingen op 1 oktober 2002 afgewezen. De ontruiming heeft hierna op 2 oktober 2002 plaatsgevonden. 4.1.5 [appellanten] c.s. hebben mr. [advocaat 2.] aansprakelijk gesteld voor hun schade ten gevolge van zijn fout om in de kantonzaak niet voor dupliek te concluderen. Als gevolg daarvan is Nationale Nederlanden, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van mr. [advocaat 2.], in de zaak betrokken geraakt. In de zaak in hoger beroep van [appellanten] c.s. tegen [verhuurder] had de advocaat van [verhuurder] op 7 januari 2003 de memorie van antwoord genomen. Ten gevolge van de opgetreden vertrouwensbreuk tussen [appellanten] c.s. en mr. [advocaat 2.], heeft mr. [advocaat 2.] zich bij brief d.d. 8 januari 2003 aan die zaak onttrokken. [appellanten] c.s. hebben vervolgens contact opgenomen met Nationale Nederlanden. Via Nationale Nederlanden is mr. [geïntimeerde] ingeschakeld om in de plaats van mr. [advocaat 2.] het hoger beroep tegen verhuurder [verhuurder] verder te behandelen. Mr. [advocaat van NN], advocaat van Nationale Nederlanden, zond met een brief d.d. 28 januari 2003 het dossier aan mr. [geïntimeerde] en gaf in die brief een visie op de zaak. 4.1.6 Mr. [geïntimeerde] kwam na bestudering van de zaak tot de bevinding dat de door mr. [advocaat 2.] opgestelde memorie van grieven te beperkt was en dat het procesrecht geen ruimte meer liet om formeel nadere grieven tegen het vonnis van de kantonrechter in te brengen. Zij heeft daarom besloten om schriftelijk te pleiten en in dat schriftelijk pleidooi aanvullende feiten naar voren te brengen op grond waarvan het Hof, zonder die als verkapte grieven te hoeven aan te merken, de zaak wellicht breder zou willen beoordelen. In die opzet is zij niet geslaagd. In zijn arrest van 2 maart 2004 (r.o. 4.3) overweegt het hof dat de aanvullende feiten deels als grieven moeten worden aangemerkt. Het hof heeft deze buiten beschouwing gelaten. Vervolgens heeft het Hof de wel aangevoerde grieven verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. 4.1.7 In de thans aanhangige procedure verwijten [appellanten] c.s. mr. [geïntimeerde] een beroepsfout te hebben begaan bij de verdere behandeling van het hoger beroep tegen [verhuurder]. [appellanten] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat mr. [geïntimeerde] is tekortgeschoten bij haar behandeling van de zaak van [appellanten] c.s. tegen [verhuurder] in hoger beroep en haar te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellanten] c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure. 4.2. Met zes grieven komen [appellanten] c.s. op tegen het bestreden vonnis. Alvorens de grieven te behandelen overweegt het hof als volgt. Beide partijen zijn het erover eens dat mr. [geïntimeerde] op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling van de zaak tegen [verhuurder] in hoger beroep heeft overgenomen. [appellanten] c.s. stellen zich daarbij op het standpunt dat zijzelf geen overeenkomst met mr. [geïntimeerde] hebben gesloten (en zij dus kennelijk hun vorderingen baseren op onrechtmatige daad). Mr. [geïntimeerde] erkent zelf met [appellanten] c.s. geen overeenkomst te hebben gesloten, waarbij zij stelt dat er een overeenkomst tussen haar toenmalige werkgever [toenmalige werkgever] advocaten en [appellanten] c.s. tot stand is gekomen. Het hof zal dit punt laten rusten nu het voor de behandeling van de zaak geen verschil maakt. In beide gevallen moet de dienstverlening van mr. [geïntimeerde] als advocaat getoetst worden aan dezelfde maatstaf, te weten de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. 4.3 Het hof overweegt voorts dat het de overwegingen en beslissingen van de rechtbank overneemt en tot de zijne maakt voor zover in het navolgende niet uitdrukkelijk wordt overwogen. Voor zover het gestelde in de memorie van grieven uitsluitend tot doel heeft het oordeel van de rechtbank te (laten) heroverwegen, faalt het om die reden. Voor zover [appellanten] c.s. in hoger beroep nieuwe stellingen hebben ingenomen en voor zover het vonnis van de rechtbank aanvulling behoeft, overweegt het hof als volgt. 4.4.1 Met hun eerste grief klagen [appellanten] c.s. over r.o. 4.9 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank de verwijten van [appellanten] c.s. aan het adres van mr. [geïntimeerde] over een mogelijk belangenconflict tussen Nationale Nederlanden en [appellanten] c.s. ongegrond oordeelde. 4.4.2 De grief faalt om meerdere redenen. In haar, in zoverre niet bestreden, r.o. 4.1, waarmee het hof overigens instemt, overweegt de rechtbank dat het niet had uitgemaakt hoe mr. [geïntimeerde] het hoger beroep verder zou hebben behandeld omdat het vonnis van de kantonrechter toch zou zijn bekrachtigd. Hieruit volgt reeds dat een eventuele belangenverstrengeling niet van belang is. Daarbij komt dat de algemene verwijten die [appellanten] c.s. aan mr. [geïntimeerde] maken zouden gelden voor iedere advocaat die op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling zou hebben overgenomen. Nationale Nederlanden heeft, nadat [appellanten] c.s. haar benaderd had, mr. [geïntimeerde] gevraagd de zaak verder te behandelen. [appellanten] c.s. hebben dit geaccepteerd en mr. [geïntimeerde] informatie gegeven om de zaak verder te behandelen. Het gaat dan niet aan om thans mr. [geïntimeerde] te verwijten dat zij op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling van de zaak heeft overgenomen. Ook de feitelijke grondslag voor de grief ontbreekt. Uit niets blijkt dat mr. [geïntimeerde] eventuele belangen van Nationale Nederlanden zou hebben behartigd in plaats van die van [appellanten] c.s.. In de brief van mr. [advocaat van NN], advocaat van Nationale Nederlanden, van 28 januari 2003 aan mr. [geïntimeerde] (prod. 1 concl. van repliek) staan suggesties voor door mr. [geïntimeerde] te nemen processtappen, door [appellanten] c.s. ten onrechte “instructies” genoemd. Deze suggesties dienen alle het belang van [appellanten] c.s.. In een brief van mr. [advocaat van NN] van 28 januari 2003 aan Nationale Nederlanden (prod. 2 concl. van repliek) schrijft deze onder meer het volgende: ‘ Ik meen dat er aanleiding is voor het vragen van pleidooi. Op de eerste plaats kan op die wijze worden vermeden dat [appellanten] aan een eventuele aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. [advocaat 2.] tevens ten grondslag legt dat mr [advocaat 2.] tekort zou zijn geschoten in de behandeling van het hoger beroep. Op de tweede plaats bestaan inhoudelijke argumenten voor het vragen van pleidooi, In het bijzonder lijkt het mij raadzaam om bij pleidooi gestructureerd en zo mogelijk met stukken onderbouwd de verwijten van de verhuurder aan de familie [appellanten] te weerleggen (…)’. Uitsluitend hetgeen als “op de eerste plaats” vermeld staat zou het belang van Nationale Nederlanden kunnen dienen, maar dat enkele gegeven maakt nog niet dat een verwijt aan mr. [geïntimeerde] van belangenverstrengeling op zijn plaats is. Die passage staat in een brief van de eigen advocaat van Nationale Nederlanden aan Nationale Nederlanden. Weliswaar is die brief kennelijk ook ter beschikking gesteld aan mr. [geïntimeerde], maar de passage moet gezien worden in het geheel van de tekst van deze brief en de brief van mr. [advocaat van NN] aan mr. [geïntimeerde]. In verband met de inhoud en strekking van beide brieven is duidelijk dat ook mr [advocaat van NN] zocht naar argumenten om het voor [appellanten] c.s. nadelige vonnis van de kantonrechter vernietigd te krijgen. En overigens liet mr. [advocaat van NN] de beoordeling daarvan over aan mr. [geïntimeerde] als de nieuwe behandelend advocaat. [appellanten] c.s. hebben in hun toelichting op de eerste grief nog aangevoerd dat mr. [geïntimeerde] hen een negatief procesadvies had moeten geven. Het hof neemt deze opmerking mee bij de verdere beoordeling van de grieven. 4.5.1 De tweede tot en met zesde grief zijn in essentie gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat mr. [geïntimeerde] geen beroepsfout verweten kan worden. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. 4.5.2 De grieven falen. Het hof verwijst naar zijn voorgaande overwegingen en naar het navolgende. Het hof begrijpt de stellingen van [appellanten] c.s. aldus dat zij mr. [geïntimeerde] in wezen verwijten dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.