GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.153.438/01 arrest van 11 november 2014 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Meerssen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 september 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter te Maastricht (rechtbank Limburg) onder nummer 2781712 CV EXPL 14-1543 gewezen vonnis van 16 juli
- 5Het tussenarrest van 23 september 2014 Bij genoemd tussenarrest is de zaak naar de rol verwezen voor antwoordakte aan de zijde van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6Het verdere verloop van de procedure [appellant] heeft een antwoordakte genomen, waarna is bepaald dat wederom arrest wordt gewezen. 7De verdere beoordeling In het incident 7.
- Bij antwoordakte heeft [appellant] bevestigd, zoals door [geïntimeerde] bij antwoordmemorie in het incident gesteld, dat ontruiming van de woning - zij het onder uitdrukkelijk protest van [appellant] - inmiddels heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat hij en zijn gezinsleden tijdelijk elders onderdak hebben kunnen vinden, dat hij dat verblijf evenwel zonder meer kan beëindigen en dat hij daarom nog steeds (spoedeisend) belang heeft bij terugkeer in de woning en dus ook bij toewijzing van zijn vordering in het incident. 7.
- Nu vaststaat dat [appellant] de woning inmiddels heeft ontruimd en verlaten, is (staking van de) tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis niet (meer) aan de orde. [appellant] heeft daarom naar het oordeel van het hof thans geen belang bij zijn vordering in het incident. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat toewijzing van de vordering in het incident op zichzelf - afgezien van de uitkomst van de hoofdzaak - er niet toe zou kunnen leiden dat [appellant] kan terugkeren in de woning. Bij de onderhavige beoordeling moeten de in het bestreden vonnis vervatte beslissingen (waaronder de uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst) en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen immers tot uitgangspunt worden genomen. 7.
- Gelet op het voorgaande moet de vordering in het incident worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. In de hoofdzaak 7.
- Op de rol is bepaald is dat de hoofdzaak doorloopt en dat de memorie van antwoord moet worden genomen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in de hoofdzaak: verstaat dat de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van de memorie van antwoord; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.