GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 20 november 2014 Zaaknummer : F 200.153.633/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/280206 / JE RK 14/958MZ04 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te[woonplaats], appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. M.S. Krol, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd en tevens kantoorhoudende te Eindhoven, verweerster, hierna te noemen: de stichting. Als belanghebbende kan worden aangemerkt: - mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder). Als betrokkene in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt: - de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2014. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2]; - de moeder, bijgestaan door mr. N. Vinke. 2.3.1. De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2.3.2. De vader en diens advocaat zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. 2.3.3. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V2-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 15 september 2014; het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 29 oktober 2014. 3De beoordeling 3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – geboren: - [de zoon] (hierna te noemen: [de zoon]), op [geboortedatum] 2002, te [geboorteplaats] (België). De moeder en de vader zijn na de echtscheiding aanvankelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] blijven uitoefenen. 3.2. [de zoon] staat sinds 6 augustus 2012 onder toezicht van de stichting. 3.3. Bij beschikking van 1 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en de moeder voortaan alleen belast met het gezag over [de zoon]. 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de zoon] verlengd met ingang van 6 augustus 2014 voor de duur van één jaar. 3.5. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6. Nu de vader niet (langer) belast is met het ouderlijk gezag over [de zoon], heeft het hof alle partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep bericht dat tijdens deze mondelinge behandeling slechts de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep zal worden behandeld. 3.7. De vader heeft met betrekking tot zijn ontvankelijkheid in het door hem ingestelde hoger beroep – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen. De vader is belanghebbende nu hij door de rechtbank als zodanig is aangemerkt. De vader voert verder aan dat een ouder op grond van artikel 1:254 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om een ondertoezichtstelling kan verzoeken en in dit artikel niet expliciet staat vermeld dat deze ouder een gezaghebbende ouder dient te zijn. Nu de vader als ouder van de minderjarige bevoegd is zelf een ondertoezichtstelling te verzoeken, is hij ook gerechtigd zich, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te verweren tegen een dergelijk verzoek van een (andere) op grond van artikel 1:254 lid 4 BW bevoegde persoon of instelling. De vader verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710) waarin het hof conform het vorenstaande heeft beslist. 3.8. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De moeder kan zich verenigen met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de zoon]. 3.9. De stichting heeft zich ter zitting in hoger beroep bij het standpunt van de moeder – omtrent de niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep – aangesloten. 3.10. Het hof overweegt als volgt. 3.10.1. De vader stelt dat hij ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep en verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710). Nadien heeft de Hoge Raad op 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) in een andere procedure van het hof 's-Hertogenbosch antwoord gegeven op de navolgende door het hof gestelde prejudiciële vraag: “Dient in een procedure tot (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.