GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 13/01057 tot en met 13/01062 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 3 september 2013, nummers AWB 12/1250 tot en met AWB 12/1255, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst Oost-Brabant, hierna: de Ontvanger, betreffende na te noemen beschikkingen aansprakelijkstelling. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende is op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) door de Ontvanger aansprakelijk gesteld bij beschikkingen van 27 mei 2011, onder nummer [nummer 1], voor een bedrag van € 40.343 voor de door [A] B.V. te [B] (hierna: de Holding) verschuldigde loonbelasting over de tijdvakken februari 2008, april tot en met september 2008, onder nummer [nummer 2], voor een bedrag van € 142.365 voor de door [C] B.V. te [D] (hierna: [C]) verschuldigde loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met september 2008, onder nummer [nummer 3], voor een bedrag van € 212.182 voor de door [E] B.V. te [B] (hierna: [E]) verschuldigde loonbelasting over de tijdvakken maart 2008, april 2008, juni tot en met september 2008 en, onder nummers [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] elk voor een bedrag van € 493.719 voor door de onder 2.8 vermelde fiscale eenheid verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 2008 (hierna: de beschikkingen (aansprakelijkstelling)). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Ontvanger bij uitspraken van 6 februari 2012 de beschikkingen gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken bij brief van 14 maart 2012 in beroep gekomen bij de Rechtbank, welke beroepen de Rechtbank heeft geregistreerd onder de nummers 12/1250 tot en met 12/1255. In de brief van 14 maart 2012 is ook beroep ingediend betreffende een tweetal beschikkingen, waarbij de echtgenote van belanghebbende aansprakelijk is gesteld, welke beroepen bij de Rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 12/1240 en 12/1247. Ter zake van de voor belanghebbende ingestelde beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van hem eenmaal in de zaak met nummer 12/1255 een griffierecht van € 42 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende bij brief van 20 oktober 2013 hoger beroep ingesteld bij het Hof, welke hoger beroepen het Hof heeft geregistreerd onder de kenmerken 13/01057 tot en met 13/01062. In de brief van 20 oktober 2013 is ook hoger beroep ingediend betreffende de twee ten name van de echtgenote van belanghebbende gestelde beschikkingen, welke hoger beroepen bij het Hof zijn geregistreerd onder de kenmerken 13/1055 en 13/1056. Ter zake van de voor belanghebbende ingestelde hoger beroepen heeft de griffier van het Hof van hem eenmaal in de zaak met kenmerk 13/01057 een bedrag van € 118 aan griffierecht geheven. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting bij brief van 28 juli 2014 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.5. Het onderzoek ter zitting (van de zaken met de kenmerken 13/01057 tot en met 13/01062, alsmede van de zaken van de echtgenote van belanghebbende met de kenmerken 13/01055 en 13/01056) heeft plaatsgehad op 21 augustus 2014 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, mevrouw [F], alsmede, namens de Ontvanger, de heren [G] en [H]. 1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende heeft een MBO-opleiding bouwkunde afgerond en een aannemerscursus BOB gevolgd. Hij heeft eerst in loondienst gewerkt bij [J]. Zijn werkzaamheden waren van bouwkundige aard: het verbouwen van supermarkten. In 1993 is hij een eigen onderneming gestart gericht op het inrichten en verbouwen van supermarkten. De echtgenote van belanghebbende is verpleegkundige van beroep.Belanghebbende en zijn echtgenote hebben geen opleiding genoten op financieel gebied. 2.2. Tot 2005 heeft de echtgenote van belanghebbende de financiële en boekhoudkundige werkzaamheden van deze onderneming verzorgd, deels in samenwerking met de externe accountant de heer [K]. Vanwege ziekte van de heer [K] heeft zijn compagnon, de heer [L] (hierna: [L]) de werkzaamheden als externe accountant overgenomen. [L] heeft zich aangesloten bij [M] te [N]. Op advies van [L] zijn vanaf 2005 de diverse ondernemingsactiviteiten in een dertiental rechtspersonen ondergebracht. 2.3. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn, ieder voor 50%, houders van de certificaten van aandelen in [O]. Deze stichting was houdster van alle aandelen in de Holding. De Holding was onder meer houdster van 100% van de aandelen in [C] en voorts middellijk houdster van 66% van de aandelen in [E]. Voornoemde vennootschappen vormden samen met andere vennootschappen een concern. Het concern bestond uit dertien vennootschappen (hierna: het concern). 2.4. De activiteiten van het concern bestonden onder meer uit managementactiviteiten, het verlenen van diensten op bouwkundig en interieurgebied, het adviseren en begeleiden van opdrachtgevers op zowel bouwkundig als interieurgebied en uit het ontwerpen en produceren van interieurs voor onder meer de detailhandel, de horeca en de zorgsector. Het concern werkte op projectmatige basis, veelal met turnkey-projecten voor de detailhandel. Het concern had ongeveer 85 werknemers in dienst. 2.5. Belanghebbende en zijn echtgenote waren de bestuurders van de vennootschappen. Belanghebbende was algemeen directeur. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit het leiden van het concern. Er was een hoofd projecten in dienst, met als achtergrond een technische MBO-opleiding. In verband met de groei van het concern en met name de uitbreiding van de werkzaamheden in België, waaraan belanghebbende leiding gaf, is in 2006 een interimmanager aangetrokken. In september 2006 is het contract met de interimmanager, na een gerezen arbeidsconflict, opgezegd. 2.6. Het concern had een eigen financiële afdeling - met een hoofd boekhouding met een SPD-diploma en vier medewerkers - die de boekhouding van de afzonderlijke vennootschappen verzorgde. De dertien vennootschappen van het concern factureerden elkaar onderling voor verleende diensten (beheersvergoedingen) en leveringen. Het administratiesysteem van het concern was zodanig ingericht, dat van iedere vennootschap wel de (jaar)cijfers (subadministraties) konden worden bepaald, maar het was binnen het concern niet mogelijk om de subadministraties te consolideren. De geconsolideerde (jaar)cijfers werden door de externe accountant, [L] voornoemd, samengesteld. 2.7. In 2007 is de omzet van het concern ten opzichte van het voorgaande jaar sterk gestegen: van circa € 5,2 miljoen in 2005, respectievelijk ruim € 7,7 miljoen in 2006, tot ruim € 12 miljoen in 2007. De omzet was afkomstig van opdrachten van onder andere [P], [Q] en [R]. Vanaf begin 2008 bleven echter mede als gevolg van de crisis nieuwe opdrachten weg en is de omzet vanaf maart 2008 gekelderd. 2.8. De Holding, [C] en [E] maakten samen met andere dochtervennootschappen van de Holding deel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: FE OB). 2.9. Namens de vennootschappen van het concern is op 11 april 2008 voor alle openstaande (naheffings)aanslagen een verzoek om een betalingsregeling bij de Ontvanger ingediend. De Holding, [C] en [E] hebben de loonbelasting over tijdvakken gelegen in de periode februari 2008 tot en met september 2008, die op aangifte moest worden afgedragen, niet betaald. Over deze tijdvakken zijn naheffingsaanslagen opgelegd conform de ingediende aangiften. Tevens is omzetbelasting over 2008 van de FE OB, die op aangifte moest worden voldaan, niet betaald. Ook hiervoor is een naheffingsaanslag opgelegd. 2.10. Het concern, dat tot dan toe bij [S] bankierde, ging in het voorjaar 2008, op aanraden van de externe accountant [L], op zoek naar een nieuwe kredietverschaffer. Nadat door de [T-bank] op 10 juli 2008 aan het concern een offerte is uitgebracht voor een externe financiering, welke offerte opgesteld was naar aanleiding van de door de externe accountant [L] aan de [T-bank] gepresenteerde prognosecijfers 2008, hebben belanghebbende en zijn echtgenote namens een aantal vennootschappen van het concern met de [T-bank] te [N] een kredietovereenkomst gesloten, waarvoor de vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk waren. De bestaande kredietovereenkomst met de [S] Bank is toen opgezegd. 2.11. Bij brief van 22 oktober 2008 heeft de [T-bank] de kredietovereenkomst eenzijdig en per direct opgezegd. Argumenten daarvoor waren onder meer, dat de onderneming slechts 50% van haar geprognotiseerde jaaromzet 2008 van € 12 miljoen realiseerde met handhaving van de kostenstructuur, die bij die prognose hoort, de waardering van onderhanden werk in het jaarverslag 2007 te rooskleurig was voorgesteld, waardoor een vertekend beeld van het aansprakelijke vermogen was gegeven, en dat er een opeisbare belastingschuld was van ruim € 800.000. 2.12. Op 4 november 2008 is op eigen aanvraag het faillissement van de Holding uitgesproken. De faillissementen van negen andere vennootschappen, waaronder [C] en [E], zijn op 6 november 2008 uitgesproken. De opgelopen loon- en omzetbelastingschulden van het concern bedroegen begin november 2008 ongeveer € 1.700.000. Op de faillissementsdatum had het onderhanden werk een boekwaarde van ruim € 1.000.000, terwijl de werkelijke waarde volgens de curator nagenoeg nihil was. 2.13. Namens de Ontvanger is op 11 maart 2009 bij de curator van onder meer Holding, [C] en [E] een boekenonderzoek ingesteld in het kader van de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurders. Bij dat onderzoek was alleen belanghebbende aanwezig. Hij heeft geen bijstand van de externe accountant noch van zijn - inmiddels voormalige - hoofd boekhouding gehad.Van dit onderzoek is met dagtekening 17 mei 2011 per onderzochte vennootschap een rapport opgesteld, welke rapporten tot de stukken van het geding behoren. In elk rapport is geconcludeerd, dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. 2.14. In het rapport opgesteld ter zake van de Holding is onder meer vermeld: “5.2. Verwijtbaarheden / onbehoorlijk bestuur De bestuurders zijn in ernstige mate te kort geschoten in het leiden van de ondernemingen. Ze hebben zich onvoldoende op de hoogte gehouden van de financiële positie. Het overzicht op de financiën en het betalingsverkeer werd volledig overgelaten aan het hoofd van de boekhouding. Terwijl voor de controle op de financiële administratie en de interpretatie daarvan volledig werd vertrouwd op de externe adviseur/accountant. Verklaringen over hoe bepaalde kosten en waarderingen tot stand zijn gekomen, konden niet gegeven worden. Met name onder andere de waardering onderhanden werk en de opbouw beheersvergoedingen. (…) De achterstanden in het betalen van de lopende verplichtingen zijn feitelijk al ontstaan in 2006. In dat jaar is de totale belastingschuld volgens de jaarstukken opgelopen met een bedrag van € 507.740 tot € 610.574. Ondanks de gerealiseerde winst in 2006 en 2007 zijn de belastingschulden toch opgelopen. Vermoedelijk zijn de af te dragen bedragen op een andere wijze besteed, dan wel zijn deze bedragen gebruikt om de diverse ondernemingen te financieren. In 2007 zijn de belastingschulden over het jaar 2006 grotendeels voldaan, maar wel ten koste van de verschuldigde loon- en omzetbelasting over 2007, waarbij zelfs de belastingschuld nog is opgelopen tot een bedrag van € 683.317. Ook in 2008 worden de lopende verplichtingen (het betalen van de verschuldigde loon- en omzetbelasting op aangifte) niet voldaan. (…) Van een bestuurder wordt verlangd dat hij zich met het besturen van de onderneming en het toezicht op de gang van zaken binnen de onderneming bezig houdt. Als hij hierin in ernstige mate nalatig is, maakt hij zich volgens vaste jurisprudentie schuldig aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bovendien hebben de bestuurders door hun handelwijze, het steeds uitstellen van voldoening van hun schulden, willens en wetens de kans aanvaard dat de belastingaanslagen onbetaald zouden blijven. Daarnaast zijn (…) door de gedragingen van het bestuur (…) de schulden onnodig verder opgelopen.” 2.15. Naar aanleiding van het onderzoek bij de Holding heeft de Ontvanger belanghebbende op grond van artikel 36 van de IW bij beschikking aansprakelijk gesteld voor de bedragen die verschuldigd zijn ingevolge onderstaande naheffingsaanslagen loonbelasting: Beschikkingsnummer: [nummer 1]; naheffingsaanslagen van de Holding Tijdvak Dagtekening Belasting Boete Aanslag Aansprakelijk feb-08 19-jun-08 € 6.065 € 51 € 6.116 € 5.844 apr-08 31-jul-08 € 3.234 € 32 € 3.266 € 3.234 mei-08 21-aug-08 € 10.505 € 105 € 10.610 € 10.505 jun-08 10-sep-08 € 5.190 € 51 € 5.241 € 5.190 jul-08 1-okt-08 € 5.190 € 51 € 5.241 € 5.190 aug-08 22-okt-08 € 5.190 € 51 € 5.241 € 5.190 sep-08 24-nov-08 € 5.190 € 51 € 5.241 € 5.190 Totaal € 40.343. Beschikkingsnummer: [nummer 2]; naheffingsaanslagen van [C] Tijdvak Dagtekening Belasting Boete Aanslag Aansprakelijk feb-08 19-jun-08 € 16.047 € 160 € 16.207 € 16.047 mrt-08 9-jul-08 € 17.439 € 174 € 17.613 € 17.439 apr-08 30-jul-08 € 16.213 € 156 € 16.369 € 16.213 mei-08 20-aug-08 € 33.344 € 330 € 33.674 € 33.344 jun-08 10-sep-08 € 15.147 € 151 € 15.298 € 15.147 jul-08 1-okt-08 € 13.596 € 135 € 13.731 € 13.596 aug-08 22-okt-08 € 14.218 € 142 € 14.360 € 14.218 sep-08 24-nov-08 € 16.361 € 163 € 16.524 € 16.361 Totaal € 142.365. Beschikkingsnummer: [nummer 7]; naheffingsaanslagen van [E] Tijdvak Dagtekening Belasting Boete Aanslag Aansprakelijk mrt-08 9-jul-08 € 40.891 € 405 € 41.296 € 17.239 apr-08 30-jul-08 € 41.947 € 419 € 42.366 € 41.947 jun-08 10-sep-08 € 39.417 € 394 € 39.811 € 39.417 jul-08 1-okt-08 € 38.500 € 385 € 38.885 € 38.500 aug-08 22-okt-08 € 37.217 € 370 € 37.587 € 37.217 sep-08 24-nov-08 € 37.862 € 378 € 38.240 € 37.862 Totaal € 212.182. 2.16. De Holding, [C] en [E] zijn elk aansprakelijk gesteld voor de volgende niet betaalde omzetbelastingschulden van de FE OB en belanghebbende is op grond van artikel 36b van de IW op zijn beurt daarvoor weer aansprakelijk gesteld (hierna: aansprakelijkheidsschuld): Beschikkingsnummer: [nummer 8], [nummer 9], [nummer 10] Tijdvak Dagtekening Bedrag van de aanslag Aansprakelijk 2008 27-jun-2008 € 40.520 € 40.520 2008 18-jul-2008 € 54.141 € 54.141 2008 19-mrt-2009 € 399.058 € 399.058 Totaal € 493.719. 2.17. Belanghebbende is niet aansprakelijk gesteld voor boetes, invorderingsrente en kosten. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor onbetaald gebleven belastingschulden vanwege aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 36 van de IW. Belanghebbende is van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.1.2. Tussen partijen is niet in geschil, dat belanghebbende in de jaren, waarop de niet betaalde belastingschulden betrekking hebben, bestuurder was van de Holding. De hoogte van de betreffende bedragen aan verschuldigde belasting is evenmin in geschil. Voorts is tussen partijen niet in geschil, dat het verzoek om een betalingsregeling van 11 april 2008 dient te worden aangemerkt als de in artikel 36, lid 2, van de IW bedoelde melding van betalingsonmacht voor de belastingschulden van de vennootschappen van het concern. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van de bij de Rechtbank ingestelde beroepen, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de beschikkingen. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 36, lid 1, van de IW is, voor zover hier van belang, iedere bestuurder van een rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor door die rechtspersoon verschuldigde maar niet betaalde loonbelasting en omzetbelasting. In het tweede lid van voornoemd artikel 36 is bepaald, dat de rechtspersoon verplicht is om onverwijld, nadat gebleken is dat het niet tot betaling van - onder meer - loonbelasting en omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger. Op grond van artikel 7, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 moet deze mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag, waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan. Indien de rechtspersoon op de juiste wijze aan deze meldingsverplichting heeft voldaan, is de bestuurder, ingevolge artikel 36, lid 3, van de IW, aansprakelijk, indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil, dat de in artikel 36, lid 2, van de IW bedoelde melding van betalingsonmacht van de belastingschulden in ieder geval vanaf april 2008 aan de Ontvanger geacht moet worden te zijn gedaan. Nu het Hof niet is gebleken, dat dit standpunt van partijen berust op een onjuist juridisch uitgangspunt, sluit het Hof zich daarbij aan. Verder is niet in geschil, dat na april 2008 sprake bleef van betalingsproblemen met betrekking tot nieuw opkomende belastingverplichtingen. In het arrest van 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982 (hierna: het arrest 09/03451), heeft de Hoge Raad overwogen, dat nadat een mededeling van betalingsonmacht is gedaan, deze haar geldigheid behoudt, zolang nog sprake is van een betalingsachterstand. Hieruit volgt, dat de mededeling van betalingsonmacht tijdig is gedaan ten aanzien van de belastingschulden, waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Voorts is het Hof van oordeel dat de mededeling ook betreft de onder 2.16 vermelde aansprakelijkheidsschuld. 4.3. Aangezien voor de onbetaald gebleven belastingschulden is voldaan aan de meldingsregeling, dient de Ontvanger - op wie dienaangaande de bewijslast rust - ter zake van de bedragen, waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, aannemelijk te maken dat het niet betalen van deze belastingschulden het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren, voorafgaande aan de mededeling. 4.4. Bij zijn beoordeling neemt het Hof in aanmerking, dat de bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 36 van de IW inhoudelijk een ongewijzigde voortzetting is van de bestuurdersaansprakelijkheid, zoals deze bij Wet van 21 mei 1986, Stb. 276 (hierna: WBA), was neergelegd in de artikelen 32 en 32a van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 41a en 41b van de Wet op de omzetbelasting 1968. Gelet op de strekking van de WBA - bestrijding van misbruik van met name de besloten vennootschappen, leidend tot benadeling van onder meer de fiscus - vormt het opzettelijk achterwege laten van de inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting en premies en het opzettelijk niet voldoen van verschuldigde omzetbelasting kennelijk onbehoorlijk bestuur (vgl. het arrest 09/03451, alsmede de in de onderdelen 3 en 5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest van 22 december 1993, nr. 28 672, BNB 1994/151, vermelde wetsgeschiedenis). 4.5. Voorts neemt het Hof tot uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 8 december 2006, nr. C05/256HR, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, te weten: "3.5. (…) Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.