GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.135.712/01 arrest van 2 december 2014 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr.drs. E.R. Knoester te Steenbergen (Noord-Brabant), tegen 1 [V.O.F.] v.o.f.,gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. Participatiemaatschappij [vestigingsplaats 2] I. B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 3. [X.] Projectontwikkeling B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 4. Jawel Ontwikkeling B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 4] , 5. PDMS I B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 5] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna geïntimeerde sub 1 afzonderlijk aan te duiden als [V.O.F.] en de geïntimeerden 1 t/m 4 gezamenlijk als [geïntimeerden] , advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom, op het bij exploot van dagvaarding van 10 september 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juni 2013, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/02/253100/HA ZA 12-578) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het daaraan voorafgaande vonnis van 5 december 2012. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - het exploot van anticipatie van [geïntimeerden] van 14 oktober 2013; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging van eis met de producties 13 t/m 19; - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte uitlating wijziging van eis; - het pleidooi van 17 september 2014, waarbij [appellante] en [geïntimeerden] pleitnotities hebben overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. De rechtbank heeft in onderdeel 3.2 van het beroepen vonnis de feiten vastgesteld waarvan in dit geschil moet worden uitgegaan. Met de grieven I, II en III wordt dit overzicht (deels) bestreden. Grief I verwijt de rechtbank de feiten anders dan door [appellante] weergegeven te hebben vastgesteld. Nog daargelaten dat [appellante] onvoldoende heeft toegelicht in hoeverre het feitenoverzicht van de rechtbank onvolledig dan wel onjuist is, merkt het hof op dat noch de rechtbank noch het hof gehouden is alle aspecten die één van partijen van belang acht voor de beoordeling van het geschil in het feitenoverzicht op te nemen. Het hof is evenwel van oordeel dat naast de door de rechtbank vastgestelde feiten nog andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vast te staan. Hierna volgt een wat uitgebreidere weergave van de relevante feiten. Bij deze weergave is rekening gehouden met de grieven II en III, voor zover deze terecht zijn opgeworpen. In het feitenoverzicht zijn citaten cursief weergegeven en daarin zijn kennelijke verschrijvingen gecorrigeerd. 3.2. In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten. a. Op 18 juli 2008 hebben [appellante] en projectontwikkelaar [V.O.F.] , daarbij vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger V.O.F. 1] (hierna: [vertegenwoordiger V.O.F. 1] ), een koopovereenkomst gesloten (prod. 1 CvA/CvE). Op grond van deze overeenkomst heeft [appellante] voor een koopprijs van € 423.000,00 een gedeelte van het aan haar toebehorende perceel met opstallen aan de [straatnaam][huisnummer 1] te [woonplaats] (hierna: het perceel) aan [V.O.F.] verkocht. [V.O.F.] is voornemens op dit perceel woningen te realiseren/bouwen. Het perceel van [appellante] heeft een agrarische bestemming en voor de bouw van woningen is een bestemmingswijziging naar woningbouw nodig. b. In de koopovereenkomst, die is ondertekend door [appellante] en door [vertegenwoordiger V.O.F. 1] en [vertegenwoordiger V.O.F. 2] namens [V.O.F.] , staat dat bij de levering door [V.O.F.] een bedrag van € 94.000,00 zal worden betaald en dat het restant ad € 329.000,00 uiterlijk 1 juli 2012 zal worden voldaan of zo veel eerder als bij bestemmingswijziging naar woningbouw. De koopovereenkomst vermeldt voorts:“Indien 1 juli 2012 wel/geen bestemmingswijziging heeft plaatsgevonden;A. Koper verkoopt aan verkoper ( [appellante] ) voor € 94.000,00, alle kosten voor levering zijn voor [V.O.F.]B. Koper en verkoper treden uiterlijk 1 maand voor 1-7-2012 in overleg met elkaar indien er geen zicht is op bestemmingswijziging, dan wel dat er een redelijk zicht is op bestemmingswijziging na 1-7-2012, om eventuele nadere afspraken te maken.C. Koper betaalt restant koopsom € 329.000,-- uiterlijk 1-7-2012 bij bestemmingswijziging naar woningbouw.”Verder vermeldt de overeenkomst dat [appellante] het perceelsgedeelte tot 1 juli 2012 niettegenstaande de levering aan [V.O.F.] om niet kan gebruiken en dat alle kosten voor bestemmingswijziging, inclusief planschadevergoedingen, voor rekening van koper zijn. c. Op 15 oktober 2008 is voornoemd perceelsgedeelte aan [V.O.F.] , althans aan haar vennoten, ieder voor een deel, geleverd. De akte van levering (prod. 1 inl. dagv.) vermeldt dat van de koopprijs een bedrag van € 94.000,00 aan [appellante] betaald is en dat de betaling van het restant van de koopprijs plaatsvindt “zodra de bestemming van het verkochte onherroepelijk is gewijzigd in woonbestemming, doch uiterlijk één juli tweeduizend twaalf, tenzij koper een beroep doet op na te melden ontbindende voorwaarde” (pagina 3 van de akte). De bepaling over de ontbindende voorwaarde luidt, voor zover relevant (pagina 6 en 7 akte): Ontbindende voorwaarden uit onderliggende overeenkomsten: “1. Deze overeenkomst van koop en verkoop is aangegaan onder de ontbindende voorwaarden: a. dat aan koper niet uiterlijk één juli tweeduizend twaalf de desbetreffende bestemmingswijziging van het verkochte in woningbouw niet onherroepelijk heeft plaatsgevonden en koper daarop een beroep heeft gedaan. Koper zal ter verkrijging van bedoelde bestemmingswijziging al het hem mogelijke verrichten en kan op deze ontbindende voorwaarde alleen een beroep doen door aan verkoper een schriftelijke afwijzing van het bevoegde gezag over te leggen. (…) 5. Indien deze koopovereenkomst wordt ontbonden ingevolge het in vervulling gaan van (een van) de (…) gemelde voorwaarden, zal het verkochte voor een koopprijs van vierennegentig duizend euro (€ 94.000,00) worden teruggeleverd aan verkoper en zullen de kosten van de teruglevering van het verkochte voor rekening zijn van koper.” d. Het perceel van [appellante] grenst aan percelen die toebehoren aan Aannemingsbedrijf [Aannemingsbedrijf] (verder [Aannemingsbedrijf] ), althans die [Aannemingsbedrijf] kon verkrijgen. Deze percelen worden in de stukken aangeduid als de locaties [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] (zie de kadastrale kaart, prod. 4 CvA/CvE). Volgens [V.O.F.] heeft zij samen met [Aannemingsbedrijf] plannen gemaakt voor de ontwikkeling van de percelen van [Aannemingsbedrijf] en het perceel dat [appellante] had geleverd in verband de daarop te realiseren woonwijk. [Aannemingsbedrijf] heeft daarover gesprekken gevoerd met de gemeente [woonplaats] . e. Op 7 februari 2012 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [vertegenwoordiger V.O.F. 1] en [appellante] . Daarbij was ook de heer [Y.] (hierna: [Y.] ) aanwezig. Naar aanleiding daarvan heeft [vertegenwoordiger V.O.F. 1] namens [V.O.F.] bij brief van 17 februari 2012 (prod. 2 inl. dagv.) [appellante] het volgende medegedeeld: “Hierbij bevestigen wij voor de goede orde hetgeen wij 7 februari j.l. met u hebben besproken. Tijdens dit gesprek hebben wij aangegeven dat de gemeente [woonplaats] niet voor 1 juli 2012 zal meewerken aan een bestemmingswijziging naar woningbouw op het bovengenoemde perceel. De verwachting is dat dit nog wel enige jaren op zich laat wachten. De door partijen ondertekende koopovereenkomst zullen wij dan ook ontbinden op basis van het bovengenoemde. Conform de overeenkomst dienen wij de grond terug te leveren voor een koopprijs van € 94.000,00 waarbij de kosten voor teruglevering voor onze rekening zullen komen. Wij hebben afgesproken dat u aan de slag gaat met de financiering, zodat wij voor 1 juli 2012 het perceel aan u kunnen terugleveren. (…)” f. In een e-mailbericht van 19 april 2012 (prod. 3 inl. dagv.) heeft de heer [stedebouwkundige gemeente] , Stedebouwkundige/Adviseur, Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente [woonplaats] (hierna: [stedebouwkundige gemeente] ), aan [appellante] geschreven: “Zoals 18 april jl. afgesproken tijdens het gesprek met wethouder dhr. [wethouder] en behandelend ambtenaar zou de gemeente uitzoeken in hoeverre het ontwikkelbedrijf “ [V.O.F.] ” in de periode 2008-2012 voorstellen had ingediend om het gebied achter het pand [straatnaam][huisnummer 2] te [woonplaats] , te ontwikkelen voor bijvoorbeeld woningbouw of iets dergelijks. Voor zover ik heb kunnen achterhalen (in het gemeentelijk archief en diverse afdelingen) zijn er voor de hierboven aangehaalde locatie en periode geen voorstellen bij de gemeente ingediend c.q. bekend. (…)” g. In reactie op de brief van 17 februari 2012 heeft [appellante] in een brief van 14 mei 2012 (prod. 3 CvA/CvE) aan [vertegenwoordiger V.O.F. 1] van [V.O.F.] onder meer het volgende geschreven: “ In (…) werd door u aangegeven dat de gemeente [woonplaats] niet voor 1 juli 2012 zal meewerken aan een bestemmingsplanwijziging naar woningbouw (…). Eveneens werd door u te kennen gegeven dat dit nog wel enige jaren op zich laat wachten. De overeenkomst van koop en verkoop is echter destijds aangegaan onder de in lid 1.a ontbindende voorwaarde: (…) Voor zover ik heb kunnen achterhalen (via het gemeentelijk archief) zijn er echter voor de hierboven aangehaalde locatie en periode geen voorstellen bij de gemeente ingediend c.q. bekend. Gebaseerd hierop diende de aflevering (feitelijke levering) en het door koper aan verkoper te betalen restant-koopprijs van driehonderdnegenentwintigduizend euro (€ 329.000,00) per één juli tweeduizend twaalf expliciet doorgang te vinden.” h. Daarop heeft [vertegenwoordiger V.O.F. 1] namens [V.O.F.] in een brief van 27 juni 2012 (prod. 2 CvA/CvE) aan [appellante] als volgt gereageerd:“(…) Zoals ik eerder heb aangegeven, hebben wij met en via bouwbedrijf [Aannemingsbedrijf] gezamenlijk een ontwikkeling trachten te realiseren voor de locaties [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] en jullie locatie. Zie de bijgevoegde mail van de heer [Aannemingsbedrijf] . Hiervoor hebben wij vanaf 2008 verschillende verkavelingstudies opgesteld en hebben deze met de gemeente besproken. Tevens heb ik die met u besproken. Uiteindelijk wil de gemeente nu nog niet meewerken aan een bestemmingswijziging voor alle genoemde locaties. Zie de bijgevoegde brief van de gemeente, die formeel door het college is ondertekend.De ontbinding is hiermee een feit en ik verzoek u om op korte termijn de leveringsakte te passeren.(…)” i. In de bij de brief van 27 juni 2012 bijgevoegde brief van de gemeente, gericht aan [V.O.F.] , t.a.v. [vertegenwoordiger V.O.F. 1] , staat:“Op 8 juni 2012 heeft u een gesprek gehad met wethouder [wethouder] van onze gemeente over de ontwikkelingen rond de locatie ten noorden van de [straatnaam] in [woonplaats] , hierna te noemen de locatie [Aannemingsbedrijf] . Tijdens dit overleg heeft u gevraagd naar de stand van zaken van dit woningbouwplan. U gaf aan dat u een optie heeft op het perceel achter huisnummer [huisnummer 1] en u zou graag willen weten wanneer deze percelen ontwikkeld kunnen gaan worden. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat door de initiatiefnemer van het plan, de heer [Aannemingsbedrijf] , een schetsplan voor alle percelen tussen de [straatnaam 2] , de [straatnaam] en de begraafplaats is gemaakt. Door de heer [Aannemingsbedrijf] is het noordelijke perceel (hof: het noordelijk gedeelte van genoemd schetsplan, zijnde perceel [locatie 1] , hierna ook genoemd: locatie [Aannemingsbedrijf] ) verder uitgewerkt. Het plan is om hier 44 woningen te realiseren.De kern [woonplaats] heeft enkele grote ontwikkelingslocaties. Op de locaties [locatie 4] en [locatie 5] moet een groot aantal woningen gerealiseerd worden. De gemeenteraad heeft uitgesproken dat zij, naast deze grote plannen, ook ruimte wil geven aan lokale initiatieven. De locatie [Aannemingsbedrijf] is daar een voorbeeld van.In de huidige economische situatie is het niet goed als er teveel woningen ineens op de markt komen. Om dit te voorkomen, is met de heer [Aannemingsbedrijf] afgesproken dat zijn plan in vier fasen ontwikkeld zal worden. Op dit moment is de planning dat de laatste woningen in 2018 gerealiseerd zullen worden. Pas nadat de locatie [Aannemingsbedrijf] gerealiseerd is, kan gestart worden met de ontwikkeling van de overige percelen van de locatie, waaronder de percelen die u in optie heeft. Wij kunnen u dan ook aangeven dat er in ieder geval niet voor 2018 gestart zal worden met de ontwikkeling van de door u aangegeven percelen. Of er op de locatie ooit woningen gerealiseerd kunnen worden en zo ja hoeveel, is op dit moment niet aan te geven. Ook een planning is niet aan te geven, anders dan dat de ontwikkeling pas van start kan gaan nadat de locatie [Aannemingsbedrijf] is afgerond.” j. In de eveneens bij de brief van 27 juni 2012 gevoegde e-mail van [Aannemingsbedrijf] van 15 mei 2012 wordt door [Aannemingsbedrijf] bevestigd hetgeen [vertegenwoordiger V.O.F. 1] in een e-mail van 15 mei 2012 aan [Aannemingsbedrijf] heeft geschreven, te weten dat [V.O.F.] met [Aannemingsbedrijf] in gesprek is geweest over de ontwikkeling van de locaties van [locatie 1] , [locatie 2] , [appellante] en [locatie 3] , dat zij samen regelmatig overleg hebben gehad met onder meer de gemeente [woonplaats] over die ontwikkeling en dat er in dat verband diverse verkavelingstudies zijn gemaakt en voorgelegd aan de gemeente [woonplaats] . [Aannemingsbedrijf] heeft verder bevestigd dat de gemeente [woonplaats] uiteindelijk mede gezien de voorraad aan nieuwbouwplannen gekozen heeft voor een beperkte invulling van het gebied, in die zin dat alleen de locatie van [locatie 1] in aanmerking komt voor (beperkte) woningbouw en dat, als er al ontwikkeling mogelijk is voor de andere locaties, dit niet binnen twee tot drie jaar het geval zal zijn, maar eerder over vijf tot tien jaar. k. Tot zekerheid van verhaal van haar vordering tot betaling van de restant koopsom van € 329.000,00, heeft [appellante] - na verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda - op 4 juli 2012 conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [V.O.F.] en geïntimeerden sub 2 t/m 5. 3.3.1. [appellante] heeft bij dagvaarding van 19 juli 2012 de onderhavige procedure jegens [geïntimeerden] aanhangig gemaakt en daarin gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag van € 329.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2012 en de proceskosten, waaronder de beslagkosten. 3.3.2. Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, ten grondslag gelegd, dat [V.O.F.] in weerwil van de gemaakte afspraken niet al het mogelijke heeft verricht om de bestemmingswijziging te verkrijgen, waarbij meeweegt dat [V.O.F.] een professionele projectontwikkelaar is en bekend is met het klappen van de zweep. Vaststaat dat [V.O.F.] niet eens een verzoek tot bestemmingswijziging of zelfs maar een uitgewerkt plan bij de gemeente heeft ingediend. Uit de overgelegde correspondentie tussen [V.O.F.] en [Aannemingsbedrijf] moeten volgens [V.O.F.] blijken van een samenwerkingsverband tussen hen beiden en het plaatshebben van overleg met de gemeente over de ontwikkeling van de plannen. Uit de brief van de gemeente blijkt alleen dat [Aannemingsbedrijf] initiatiefnemer is van een plan dat uiteindelijk 44 woningen omvat, maar waarvan het litigieuze perceel geen deel uitmaakt. Volgens [appellante] rijzen er vooral veel vragen: wanneer is [Aannemingsbedrijf] het noordelijke perceel verder gaan uitwerken, wat heeft [V.O.F.] sindsdien gedaan, waarom heeft inzake het litigieuze perceel geen uitwerking plaatsgevonden en wie heeft daartoe het besluit genomen? Vooralsnog lijkt het erop dat [V.O.F.] de herontwikkeling van het litigieuze perceel te snel heeft laten varen, aldus [appellante] . [V.O.F.] komt derhalve geen beroep toe op de ontbindende voorwaarde sub 1 a. 3.3.3. [geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Primair heeft zij betoogd dat zij tijdens de bespreking op 7 februari 2012 een beroep op de ontbindende voorwaarde heeft gedaan, dat [appellante] daar toen mee heeft ingestemd, zodat sprake is van een overeenkomst. Subsidiair heeft [V.O.F.] betwist dat op haar een inspanningsverplichting rust. Een dergelijke verplichting is niet in de koopovereenkomst opgenomen en de omschrijving van de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst is minder uitgebreid dan in de akte van levering. Nu de overeenkomst is opgesteld door een door [appellante] ingeschakelde makelaar, is de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst uitgangspunt. Meer subsidiair, voor het geval de ontbindende voorwaarde in de leveringsakte uitgangspunt is, heeft te gelden dat [V.O.F.] aan die voorwaarde heeft voldaan. Zij is met [Aannemingsbedrijf] , die al in gesprek was met de gemeente, gaan samenwerken met als doel medewerking van de gemeente te krijgen voor het ontwikkelen van het gebied inclusief het litigieuze perceel. [V.O.F.] heeft samen met [Aannemingsbedrijf] plannen bedacht en besproken en er zijn stedenbouwkundige plannen opgesteld. Vervolgens heeft [Aannemingsbedrijf] die plannen met de gemeente besproken. Al hetgeen [Aannemingsbedrijf] met de gemeente had besproken, werd teruggekoppeld en met [V.O.F.] besproken. [V.O.F.] heeft derhalve de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden op 7 februari 2012, althans per 17 februari 2012, althans per 27 juni 2012, althans per 1 juli 2012. Daarbij is ook een schriftelijke afwijzing van het bevoegd gezag overgelegd. 3.3.4. [V.O.F.] heeft vervolgens in reconventie, na eiswijziging, kort samengevat, gevorderd: I (primair) te verklaren voor recht dat zij de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden op 7 februari 2012, althans per 17 februari 2012, althans per 27 juni 2012, althans per 1 juli 2012, althans (subsidiair) deze overeenkomst alsnog te ontbinden, althans (meer subsidiair) [appellante] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van 7 februari 2012; II [appellante] te veroordelen ter uitvoering van haar ongedaanmakingsverplichtingen vanwege de ontbinding van de overeenkomst van 18 juli 2012, althans teneinde alsnog te voldoen aan de overeenkomst van 7 februari 2012, om binnen twee weken na dagtekening van het vonnis van [V.O.F.] het litigieuze perceel af te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke is, onder gelijktijdige voldoening aan [V.O.F.] van € 94.000,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum ontbinding, althans vanaf 1 juli 2012; III [appellante] te veroordelen tot betaling van € 500,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2012. 3.4.1. In het tussenvonnis van 5 december 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 13 maart 2013 is gehouden. 3.4.2. In het eindvonnis van 12 juni 2013 heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.