GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.128.210/01 arrest van 9 december 2014 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats 1], appellant, hierna aan te duiden als [appellant], advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars te Zundert, tegen [geïntimeerde], h.o.d.n. [handelsnaam], wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 8 april 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Breda van 9 januari 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 712368 CV EXPL 12-2604) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de tussenvonnissen van 9 mei 2012 en 8 augustus 2012. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met één productie; - de memorie van antwoord met vier producties. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. De feiten In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende door de kantonrechter in het vonnis van 8 augustus 2012 vastgestelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht. Deze feiten zijn voor zover nodig door het hof aangevuld en komen op het volgende neer. - [appellant], geboren op [datum] 1989, is op 1 februari 2010 voor bepaalde tijd, te weten één jaar, bij [geïntimeerde] in dienst getreden in de functie van automonteur voor de duur van 40 uur per week, waarvan 8 scholingsuren (leer-werkovereenkomst). Op grond van artikel 8, lid 1 van de arbeidsovereenkomst had [appellant] aanspraak op 25 verlofdagen per jaar. De arbeidsovereenkomst is vervolgens met één jaar verlengd tot en met 31 januari 2012. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2012 niet zou worden verlengd. Het laatst verdiende loon bedraagt € 1.450,= bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Op de overeenkomst is de CAO Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf van toepassing. - Op 27 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen. - [geïntimeerde] heeft bij brief van dezelfde datum aan [appellant] - voor zover hier relevant - bericht: “Middels dit schrijven laten wij u weten dat wij u op staande voet ontslaan. De belangrijkste reden voor dit ontslag is de onhoudbare arbeidssituatie die vandaag op ons bedrijf is ontstaan. Tijdens het gesprek dat hedenochtend plaatsvond op ons kantoor, was u ineens niet meer voor rede vatbaar en heeft [u, hof] vervolgens de nodige vernielingen aangebracht aan de kantoorruimte. U heeft onder andere het koffieapparaat en ander serviesgoed op de grond gegooid. Vervolgens wilde u het tot een handgemeen laten komen, waarbij ik u de deur gewezen heb. Gezien de redenen die wij hierboven hebben aangevoerd, is er op dit moment een situatie ontstaan die dusdanig ernstig is dat een verdere samenwerking met u per direct onmogelijk is gemaakt. Wij zijn daarom genoodzaakt om u op staande voet te ontslaan.” - [appellant] heeft bij brief van 27 oktober 2011 de nietigheid van het gegeven ontslag ingeroepen en zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van werkzaamheden. - [appellant] heeft in kort geding doorbetaling van zijn loon gevorderd, waarbij [geïntimeerde] in reconventie betaling van de gefixeerde schadevergoeding heeft gevorderd. Beide vorderingen zijn door de kantonrechter te Breda bij vonnis van 15 december 2011 (met kenmerk 691670 VV EXPL 11-149) afgewezen. 3.2. Het geschil in eerste aanleg [appellant] heeft - kort gezegd - bij inleidende dagvaarding, naast een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, betaling gevorderd van: - het loon over de periode 1 november 2011 tot 1 februari 2012 van totaal € 4.350,= bruto, - het vakantiegeld over de periode van 1 juni 2012 tot 1 februari 2012 van € 928,= bruto; - de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen; - de wettelijke verhoging over het gevorderde loon en vakantiegeld; - de buitengerechtelijke incassokosten van € 450,= exclusief btw; - de wettelijke rente over alle voormelde posten; - de proceskosten. [geïntimeerde] heeft in reconventie op de voet van artikel 7: 677 lid 3 en 4 BW betaling gevorderd van de gefixeerde schadevergoeding van € 1.450,= en de proceskosten. Bij vonnis van 8 augustus heeft de kantonrechter overwogen dat niet in geschil is dat het gehele incident op 27 oktober 2011 aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] in conventie opgedragen om de dringende reden voor het ontslag te bewijzen, te weten dat [appellant] op 27 oktober 2011: a.- heeft geprobeerd goederen van [geïntimeerde] te vernielen en/of b.- [geïntimeerde] in het gezicht heeft geslagen of heeft geprobeerd te slaan en/of c.- [geïntimeerde] heeft bedreigd. De beoordeling in reconventie werd aangehouden. Nadat [geïntimeerde] zeven getuigen had doen horen, te weten zichzelf, zijn echtgenote, [echtgenote geïntimeerde], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], en [appellant] had afgezien van contra-enquête, heeft de kantonrechter bij vonnis van 9 januari 2013 geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het bewijs sub a. en b. De kantonrechter achtte het bewijs sub c. niet geleverd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het enkel vernielen van goederen geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, maar het (daarnaast) slaan van [geïntimeerde] in het gezicht wel. De vordering in conventie werd voor wat betreft de verklaring voor recht en de doorbetaling van het loon afgewezen. De vordering tot betaling van het vakantiegeld werd toegewezen over de periode van 1 juni 2011 tot en met 27 oktober 2011, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011. De gevorderde betaling van de niet-genoten vakantiedagen werd als onvoldoende onderbouwd afgewezen. De gevorderde betaling van buitengerechtelijke incassokosten werd eveneens afgewezen, omdat [geïntimeerde] onweersproken heeft betwist dat de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden meer omvatten dan verrichtingen ter instructie van de zaak. [appellant] werd veroordeeld in de proceskosten in conventie. De vordering in reconventie werd toegewezen. De proceskosten in reconventie werden wegens de nauwe verbondenheid met de conventie gecompenseerd. 3.3. De grieven I t/m III en V [appellant] stelt in deze grieven dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] in het bewijs sub a. en b. is geslaagd. In dat kader heeft Van der [appellant] op de laatste pagina van de memorie van grieven een bewijsaanbod gedaan. Het hof kan dat bewijsaanbod, gelet op de (toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.