Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001937-14 Uitspraak : 12 december 2014 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juni 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-155346-13 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op[geboortedag] 1988, wonende te[adres]. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht (het primair ten laste gelegde), veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Het subsidiair ten laste gelegde kan volgens de verdediging wel worden bewezen, maar daarvoor dient een lagere straf te worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd, enerzijds omdat dit een lichter feit is dan waarvan de advocaat-generaal bij zijn vordering is uitgegaan, anderzijds vanwege de ouderdom van de zaak Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: primair:zij op of omstreeks 28 maart 2012 te Sint-Oedenrode als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het Hoogeind, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, vanaf een aan die weg gelegen uitrit, ter hoogte van perceelnummer[huisnummer] terwijl het zicht op het voor haar van rechts komende verkeer in ernstige mate werd belemmerd door de bermbeplanting (bomen) aldaar, het [adres] op te rijden, althans te gaan oprijden, terwijl zij, verdachte (daarbij) bezig was een of meerdere bijzondere manoeuvres uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, namelijk achteruitrijdend die uitrit af te rijden, althans te gaan afrijden, op het moment dat een over die weg rijdende, voor haar van rechts komende bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) het punt waar zij, verdachte, die weg opreed, althans ging oprijden, reeds had bereikt, althans op korte afstand was genaderd waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde bromfiets, waardoor een ander, de bestuurder van die bromfiets, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde fractuur van het rechter onderbeen met vaat- en zenuwletsel, welk letsel een amputatie van het rechter onderbeen tot gevolg heeft gehad, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair:zij op of omstreeks 28 maart 2012 te Sint-Oedenrode als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres], vanaf een aan die weg gelegen uitrit, ter hoogte van perceelnummer [huisnummer], terwijl het zicht op het voor haar van rechts komende verkeer in ernstige mate werd belemmerd door de bermbeplanting (bomen) aldaar, [adres] is opgereden, althans is gaan oprijden, terwijl zij, verdachte, (daarbij) een of meerdere bijzondere manoeuvres uitvoerde, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, namelijk achteruitrijdend die uitrit is afgereden, althans is gaan afrijden, op het moment dat een over die weg rijdende, voor haar van rechts komende bestuurder van een voertuig (bromfiets) het punt waar zij, verdachte, die weg opreed, althans ging oprijden, reeds had bereikt, althans op korte afstand was genaderd waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde voertuig en laatstgenoemde bromfiets, door welke gedraging(en) van haar, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van het primair ten laste gelegde Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Het hof acht in het bijzonder niet bewezen dat verdachte schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) heeft gehad. Het hof overweegt daartoe het volgende. Vooropgesteld wordt, dat het bij de vraag of de verdachte schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 heeft gehad volgens vaste jurisprudentie aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de genoemde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. In het licht van deze beoordelingsmaatstaf acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden van belang. Op 28 maart 2012 omstreeks 07.25 uur vond op [adres] te Sint-Oedenrode, ter hoogte van de woning met huisnummer [huisnummer], een verkeersongeval plaats. [adres] is een voor het openbaar verkeer openstaande weg buiten de bebouwde kom. De weersgesteldheid was ten tijde van het ongeval droog. Aan weerszijden van de weg bevinden zich woningen met daarbij aangrenzende uitritten. Verdachte zat op dat moment in haar personenauto op de oprit van haar ouderlijke woning op voormeld adres. De auto stond met de voorzijde in de richting van die woning en met de achterzijde in de richting van de weg. Het slachtoffer,[naam], reed op zijn bromfiets aan de rechterzijde van de weg waaraan de uitrit van de bedoelde woning grenst. Verdachte is stapvoets achteruit in de richting van de weg gereden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij, alvorens de weg op te rijden, naar links en naar rechts heeft gekeken. Haar zicht op de weg was - zo heeft zij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard - niet optimaal: het zicht werd enigszins belemmerd door de langs de weg staande bomen. Voordat verdachte achteruit de weg opreed, is zij gestopt voor een passerende personenauto. De bestuurder van die personenauto, [naam], heeft dat bevestigd. Vervolgens heeft zij naar eigen zeggen nogmaals naar links en naar rechts gekeken, waarna zij, zo leidt het hof af uit de verklaringen van verdachte, het slachtoffer[naam] en de getuige [naam], stapvoets achteruit de weg op is gereden. Daarbij ontstond een aanrijding tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat zij de bromfiets met daarop het slachtoffer niet heeft gezien. Als gevolg van deze aanrijding heeft het slachtoffer een gecompliceerde fractuur aan het rechteronderbeen opgelopen, wat uiteindelijk heeft geleid tot een amputatie van dat rechteronderbeen. Het hof stelt vast dat uit het onderzoek niet is gebleken dat verdachte werd afgeleid door zaken als telefoneren of het verrichten van andere handelingen dan het besturen van de auto. Evenmin is gebleken dat verdachte onder invloed van alcohol of andere middelen verkeerde. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat sprake is geweest van roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag van verdachte. Het enkele feit dat verdachte tijdens het stapvoets achteruitrijden, ondanks dat zij meermalen naar links en naar rechts heeft gekeken, waarbij haar zicht enigszins werd belemmerd door de aldaar aanwezige bomen, de bromfiets met daarop het slachtoffer niet heeft gezien, levert onder de gegeven omstandigheden geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.