Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-000044-14 Uitspraak : 9 december 2014 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 januari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-100159-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [adres]. Hoger beroep Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van – kort gezegd – belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 1) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) veroordeeld tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, desgewenst te voldoen in 5 termijnen van elk € 100,= per maand. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 juli 2014 en 25 november 2014. Op 23 juli 2014 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van – kort gezegd – belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (feit 1) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) zal veroordelen tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis. Door en namens de verdachte is primair niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, subsidiair integrale vrijspraak en meer subsidiair schuldigverklaring zonder oplegging van straf bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien is in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – gewijzigd. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging Ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de voorafgaande machtiging tot binnentreden en een achteraf gemaakte verslaglegging van het politieoptreden na het binnentreden ontbreken. Het ontbreken van de mogelijkheid tot toetsing raakt het verdedigingsbelang in de kern en zodoende is ook sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM. Er is sprake van een eenzijdige visie van de opsporingsambtenaren met als enkel doel belastende zaken naar voren te brengen, waarbij de naleving van strafvorderlijke regels en beginselen uit het oog zijn verloren en met voeten zijn getreden. Het hof overweegt als volgt. Machtiging tot binnentreden Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 november 2014 de machtiging tot binnentreden in het geding heeft gebracht, is dit onderdeel van het verweer achterhaald. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover het verweer de eis stelt dat de machtiging tot binnentreden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden (Awbi) zich bij de stukken van het geding dient te bevinden, het een eis stelt die geen steun vindt in het recht. Verslaglegging van het politieoptreden Daargelaten de vraag of de stukken – zoals die zich bevinden in het dossier van de politieregio Brabant Noord, registratienummer PL21XO 2013055344, sluitingsdatum 1 juli 2013, doorgenummerde pagina’s 1-28 – een adequate verslaglegging bevatten van het politieoptreden voor en na het binnentreden, is ook dit onderdeel van het verweer achterhaald. Na het tussenarrest van 23 juli 2014 heeft de advocaat-generaal immers twee processen-verbaal van bevindingen in het geding gebracht, te weten een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, nr. PL21X2 2013055339-2, van verbalisanten [A] en [B] en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2014, nr. PL2100 2013055339-11, van verbalisant [A]. Die processen-verbaal bevatten naar het oordeel van het hof in ieder geval een adequate verslaglegging van het politieoptreden voor en na het binnentreden in de woning van de verdachte. Derhalve is geen sprake van het ontbreken van de mogelijkheid tot toetsing van het politieoptreden en evenmin van een schending van artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van het hof is voorts niet gebleken van een eenzijdige visie van de opsporingsambtenaren met als enkel doel belastende zaken naar voren te brengen, waarbij de naleving van strafvorderlijke regels en beginselen uit het oog zijn verloren en met voeten zijn getreden. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wordt daarom verworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014 – ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [C] (hoofdagent van de Politieregio Brabant-Noord), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning word gearresteerd. En al helemaal door een Turk." en/of "Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk." en/of "Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is." en/of "Die Turk hoort hier helemaal niet.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 2.hij op of omstreeks 31 mei 2013 te 's-Hertogenbosch [D] (wijkagent van de Politieregio Oost-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend verbalisant [B] en/of verbalisant [C] de woorden toegevoegd "Die [D] en jij gaan hangen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging die [D] (middels een e-mailbericht) kennis heeft genomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. 1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [B] (p. 6-7): Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 01.40 uur, was ik, verbalisant [B], in politie-uniform gekleed en ook als zodanig herkenbaar. Ik was in het gezelschap van drie andere collega’s, genaamd [E], [C] en [A]. Door de centralist van het gemeenschappelijk meldcentrum te ‘s-Hertogenbosch werd ik op bovenstaande datum en tijdstip naar de [straat] 125 te ’s-Hertogenbosch gestuurd. Aldaar zou de bewoner geluidsoverlast veroorzaken voor de rest van de bewoners van het appartementencomplex. Wij hielden [verdachte] in de woning aan voor artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht. Ik en de drie collega’s betraden de woning en er werd aan meneer [verdachte] medegedeeld waarvoor wij kwamen. Ik hoorde dat [verdachte] zei over collega [C] dat hij een kut Turk was en een kut islamiet. Ik hoorde dat hij zei dat hij geen vieze kut islamieten in zijn woning wilde, of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde dat hij deze woorden minimaal vijftien keer heeft herhaald. Ik zag dat hij bij het uitspreken van deze woorden in de richting keek van collega [C]. Ik hoorde dat [verdachte] zich erg bedreigend uitliet over collega [D]. Ik hoorde dat hij zei dat hij nog niet klaar was met collega [D]. Ik hoorde dat hij meerdere malen zei dat hij er eigenhandig voor ging zorgen dat zij ‘zou gaan hangen’. Ik hoorde dat hij zei dat hij dit ook daadwerkelijk zou gaan doen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat er doden zouden gaan vallen. Ik hoorde dat hij zei dat hij met deze doden collega [D] bedoelde. De uitlatingen die meneer [verdachte] deed kwamen bij mij als schokkend en overtuigend over. Mede doordat ik hoorde dat hij collega [D] meerdere malen met naam en toenaam noemde. 2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, nr. PL21X2 2013055339-2, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [A] en [B] (niet in het doorgenummerde politiedossier opgenomen document): Door de centralist van het gemeenschappelijk meldcentrum werden wij naar de [straat] 125 te ‘s-Hertogenbosch gestuurd. Op vrijdag 31 mei 2013, om 02.05 uur, hebben wij, verbalisanten [A] en [B], vergezeld van twee collega’s van een andere eenheid, de woning betreden. Wij hoorden dat de verdachte zei: “Die [D] hangt.” Wij, verbalisanten, hoorden vervolgens dat de verdachte zei: “Jullie zijn fascisten, jullie nemen gewoon een islamiet mee voor mijn aanhouding. Ik ga niet mee met die vuile Turk.” Wij zagen dat de verdachte bij het doen van deze uitspraak in de richting keek van de collega van de andere eenheid, welke van Turkse afkomst is (het hof begrijpt: verbalisant [C]). Wij hoorden dat de verdachte zei: “Ik ga er eigenhandig voor zorgen dat er doden gaan vallen. Er gaan hier mensen hangen”. Verdachte : [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] 3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [C] (p. 17-18): Ik doe aangifte van belediging. Op vrijdag 31 mei 2013 was ik belast met de aanhouding van de verdachte [verdachte]. Tijdens deze aanhouding heeft hij mij beledigd. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn proces-verbaal van bevindingen (hof: bewijsmiddel 4). Door de beledigingen voelde ik mij in mijn eer en goede naam aangetast. 4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [C] (p. 8-9): Ik, verbalisant [C], hoofdagent van Politieregio Brabant-Noord, verklaar het volgende. Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 01.30 uur, was ik tezamen met [E] belast met de algehele surveillance binnen de gemeentegrenzen van ‘s-Hertogenbosch. Op genoemde dag en tijdstip hoorden wij over de ether dat de surveillance-eenheid met roepnummer 10.02 van een medewerker van het Gemeenschappelijk Meld Centrum de opdracht kreeg om te gaan naar de [straat] te ‘s-Hertogenbosch vanwege overlast van geluid. Na enkele ogenblikken werd de opdracht aangevuld met informatie dat de veroorzaker een zekere de heer [verdachte] betrof. Omstreeks 02.00 uur werden wij, [E] en [C], door collega [A] van de surveillance-eenheid 10.02 portofonisch verzocht om ondersteuning te verlenen, daar zij de veroorzaker van de overlast, de heer [verdachte], zouden aanhouden. [verdachte] is dezelfde dag, omstreeks 02.07 uur, met ondersteuning van ons, [E] en [C], aangehouden in zijn woning. Na de aanhouding heeft de verdachte mij, verbalisant, voortdurend gekwetst en beledigd. Hieronder citeer ik wat de verdachte zei/riep: "Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning word gearresteerd. En al helemaal door een Turk. Die [D] en jij gaan hangen." "Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk." "Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is. Die Turk hoort hier helemaal niet." Deze uitingen raakten mij diep en ik voelde ik mij beledigd. In mijn carrière van bijna elf jaar is het vaker voorgevallen dat ik beledigd ben geweest. Echter nog geen één keer had een persoon en/of verdachte mij zo diep geraakt waardoor ik sprakeloos raakte. Ik heb geen enkele keer respons gegeven, beter gezegd, kunnen geven. Tot het moment dat de verdachte plaatsnam in het dienstvoertuig zocht de verdachte met enige regelmaat oogcontact met mij op, waarna hij mij beledigde. Ik voelde me beledigd, boos, vernederd en gekwetst. Woorden/zinnen met kut Turk en kut islamiet heeft de verdachte meer dan tien keer geroepen. 5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [D] (p. 15-16): Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Ik ben werkzaam als wijkagent binnen de politie Oost-Brabant, basiseenheid ‘s-Hertogenbosch, van de bewoners van het cluster centrum ‘s-Hertogenbosch. Op 31 mei 2013, om 10:00 uur, las ik een werkmail over een bewoner in mijn wijk. Ik had deze mail ontvangen van een collega die gisteren, 30 mei, 22:00 uur, tot en met 31 mei 2013, 07:00 uur, dienst had en een melding had ontvangen over nachtrumoer bij een bewoner in mijn toegewezen wijk/werkgebied. Ik kan u verklaren dat dit om [verdachte] gaat, geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], woonachtig op de [straat] 125 te ‘s-Hertogenbosch. Ik las dat in deze mail een mutatie stond over een aanhouding voor artikel 431 Wetboek van Strafrecht, zijnde nachtrumoer. Ik kan u tevens verklaren dat intern ik veel op de hoogte word gehouden over meldingen in mijn wijk/werkgebied om zo mijn werkzaamheden te vergemakkelijken. Op vrijdag 31 mei 2013, omstreeks 10:00 uur, las ik in deze mail dat verdachte [verdachte] mij woordelijk had bedreigd met de dood. Ik las, verwoord door collega [E], de zinnen: “Ook liet [verdachte] zich uit ten opzichte van collega [D]. Hij zei dat zij zou gaan hangen en dat hij daar zelf voor zou zorgen. Hij vertelde dat hij eigenhandig ervoor ging zorgen dat er doden zouden vallen. Hiermee bedoelde hij ook collega [D] die hij meerdere malen met naam en toenaam noemde.” Ik voel me erg door [verdachte] bedreigd. Ik denk dat [verdachte] zijn woorden daadwerkelijk ten uitvoer kan gaan brengen. Ik fiets geregeld alleen door de wijk om mijn werk te doen. Dit geeft een extra naar gevoel. 6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende: Mij wordt verweten dat ik op 31 mei 2013 hoofdagent [C] opzettelijk zou hebben beledigd doordat ik het volgende tegen hem zou hebben gezegd: “Belachelijk, dat ik in mijn eigen woning wordt gearresteerd. En dat al helemaal door een Turk” en/of “Die kut islamiet heeft niets te zoeken hier. Hij moet zeker niet aan mijn lijf komen die kut Turk” en/of “Het is niet te verteren dat een kut islamiet in mijn huis is” en/of “Die Turk hoort hier helemaal niet”. U vraagt mij of ik die woorden heb gebezigd. Ik heb woorden van dergelijke strekking jegens [C] geuit. U vraagt mij voorts of ik op 31 mei 2013 tegen anderen heb gezegd dat ‘wijkagent [D] en jij gaan hangen’. Ik heb dat gezegd. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Feiten 1 en 2: bewijsuitsluiting? Ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte subsidiair bewijsuitsluiting bepleit op de gronden als hiervoor weergegeven onder het kopje “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging”. Het hof verwerpt dit verweer op de gronden als onder dat kopje weergegeven. Ter terechtzitting van 25 november 2014 heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit, omdat het bewijsmateriaal onrechtmatig zou zijn verkregen en daarom van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Daartoe is – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.