GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.132.515/01 arrest van 25 februari 2014 in de zaak van ZLM U.A., de onderlinge waarborgmaatschappij onderlinge verzekering maatschappij, gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. J.C. van den Dries te Goes, tegen Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg, op het bij exploot van dagvaarding van 5 juni 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen vonnis van 27 maart 2013 tussen appellante – ZLM – als eiseres en geïntimeerde – het Waarborgfonds – als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/12/82212/HA ZA 12-17) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met één productie; - de memorie van antwoord. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. De rechtbank heeft in r.o. 2.1 t/m 2.3 van het beroepen vonnis vastgesteld van welke feiten in dit geding moet worden uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Naast deze feiten staan nog andere feiten vast. Daarom volgt hierna een wat uitgebreider overzicht van de relevante feiten. 4.2.1. Op 11 april 2008 heeft om ongeveer 14.56 uur op de [straat] (N286) te [plaats 1.], gemeente [plaats 2.], ter hoogte van hectometerpaal [hectometerpaal] een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Een verzekeringnemer van ZLM, de heer [verzekeringnemer van ZLM] (hierna: [verzekeringnemer van ZLM]) is aan de gevolgen van de bij dit ongeval opgelopen letsel ter plaatse overleden. 4.2.2. Bij dit ongeval waren betrokken: - mevrouw [bestuurster 1. van een personenauto] ([bestuurster 1. van een personenauto]) als bestuurster van een personenauto, een Suzuki Wagon R+ met kenteken [kenteken 1.]; - [verzekeringnemer van ZLM] als bestuurder van een personenauto, een Toyota Yaris Verso met kenteken [kenteken 2.]; - mevrouw [bestuurster 2. van een personenauto] ([bestuurster 2. van een personenauto]) als bestuurster van een personenauto, een Opel Astra met kenteken [kenteken 3.]. 4.2.3. [bestuurster 1. van een personenauto] en [verzekeringnemer van ZLM] reden op de N286 komende uit de richting van [plaats 2.] gaande in de richting van [plaats 1.]. Daarbij reed [verzekeringnemer van ZLM] achter [bestuurster 1. van een personenauto]. [bestuurster 2. van een personenauto] reed in haar Opel Astra op dezelfde weg in de tegenovergestelde richting. Op enig moment is de Toyota van [verzekeringnemer van ZLM] met de rechter voorkant tegen de linker achterzijde van de Suzuki van [bestuurster 1. van een personenauto] gebotst. De Toyota is vervolgens gekanteld en in aanraking gekomen met de Opel Astra van [bestuurster 2. van een personenauto]. 4.2.4. Door de politie Zeeland, team Tholen, is naar aanleiding van dit ongeval een proces-verbaal opgemaakt ([proces-verbaal]). Daarin staat op p. 3 dat de weg ter plaatste recht is en bestaat uit een rijbaan met twee rijstroken, gescheiden door twee onderbroken witte strepen, dat het ongeval plaatsvond buiten de bebouwde kom, dat de maximum snelheid 80 km per uur bedraagt, dat het ten tijde van het ongeval droog weer was en dat ook het wegdek van de Postweg droog was. 4.2.5. Genoemd proces-verbaal bevat ook verklaringen van betrokkenen en getuigen van het ongeval. De politie heeft ongeveer een half uur na het ongeval [bestuurster 1. van een personenauto] als betrokkene gehoord. Zij verklaart tegenover de politie dat zij met een snelheid van ongeveer 60 km per uur reed en dat zij in tegenovergestelde richting een donkerblauwe auto een andere auto zag inhalen. Op 15 april 2008 is [bestuurster 1. van een personenauto] wederom door de politie gehoord en dan verklaart zij dat zij in tegenovergestelde richting zag dat voor haar een rode personenauto een andere personenauto inhaalde. Voorts verklaart zij dat zij tijdens de inhaalmanoeuvre naar rechts heeft gekeken om uit te kunnen wijken en dat zij de rode personenauto daarna niet meer heeft gezien. [bestuurster 2. van een personenauto] is door de politie op 12 april 2008 als betrokkene gehoord. Zij verklaart dat de voor haar rijdende personenauto op een gegeven moment een tractor inhaalde, dat zij die tractor ook wilde inhalen, maar dat zij besloot dat niet te doen omdat er vanuit de andere richting verkeer aankwam. Op een gegeven moment kon zij de tractor inhalen en daarover verklaart zij: “Nadat ik de tractor had ingehaald ben ik weer op de rechterrijbaan gaan rijden. De auto die achter mij reed toen ik nog achter de tractor reed haalde de tractor ook in. Ik kan mij nu niet meer herinneren of die auto ook mij gelijk inhaalde of dat die auto na het inhalen van de tractor achter mij ging rijden. Ik kan mij wel herinneren dat ik ben ingehaald door die auto. Dit was een bruine of roodbruin achtige kleur auto. Toen die auto mij inhaalde riep ik nog tegen mijn man, die naast mij in de auto zat: “Zo, die waagt een hoop.” Ik zei dit omdat ik had gezien dat er verkeer vanuit tegenovergestelde richting aan kwam rijden op het moment dat die auto mij in ging halen. Ik had die woorden amper gezegd of er kwam een enorme klap van een botsing. Het ging allemaal heel erg snel.” [bestuurder van de tractor], de bestuurder van de tractor, is door de politie op 19 april 2008 als getuige gehoord. Hij verklaart dat hij op vrijdag 11 april 2008 rond 15.00 uur op de rotonde bij [plaats 1.] de [straat] richting [plaats 2.] op reed, dat hij toen zag dat er verderop drie auto’s met elkaar in botsing waren gekomen, maar dat hij het ongeval niet heeft zien gebeuren. 4.2.6. De Verkeers Ongevallen Analyse-afdeling van de politie Zeeland heeft een proces-verbaal opgemaakt, gedateerd 3 mei 2008. Daarin staat onder 4.1.2 op p. 5 dat met betrekking tot de Toyota, de Opel en de Suzuki geen zichtbare rem- of blokkeer sporen zijn aangetroffen. 4.2.7. ZLM heeft Ongevallen Analyse Nederland gevraagd om op basis van de beschikbare informatie een onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval. In het rapport van 22 juli 2008 schrijft ing. [ongevallenanalist] op p. 5 (prod. 3 inl. dagv.): “In het kader van de vermijdbaarheidsanalyse merk ik het volgende op: De bestuurder van de Toyota had het ongeval kunnen voorkomen indien hij tijdig en adequaat had gereageerd op de verrichtingen van de bestuurster van de Suzuki voor hem. Hierbij merk ik op dat zijn reactie mogelijk wel tijdig was, dat wil zeggen 0,4 tot 0,8 s na het oplichten van de remlichten van de Suzuki, maar dat het contact tussen de Toyota en de Suzuki niet te vermijden was vanwege de geringe tussenafstand tussen deze voertuigen. Genoemd kan nog worden dat de bestuurster van de Suzuki remde op een plaats waar dat normaal gesproken niet hoeft te worden verwacht. Het ongeval was voor de bestuurster van de Opel zeer waarschijnlijk niet vermijdbaar vanwege de abrupte uitwijkmanoeuvre van de Toyota. Het ongeval was wel vermijdbaar voor de onbekende automobilist in de inhalende auto. Indien deze de bestuurder de Opel niet had ingehaald, was er voor de bestuurster van de Suzuki geen aanleiding om vaart te minderen en uiterst rechts te gaan rijden. Dientengevolge had de bestuurder van de Toyota ook niet hoeven uitwijken met alle gevolgen vandien… In hoeverre het vaart minderen door de bestuurster van de Suzuki onnodig was, kan niet worden beoordeeld aan de hand van de beschikbare informatie. Voor een dergelijke beoordeling moet precies bekend zijn hoe krap de inhaalactie van de onbekende automobilist was.” 4.2.8. In een brief van 5 maart 2009 aan [letselschade] letselschade – naar het hof begrijpt een door door het Waarborgfonds ingeschakeld bureau - heeft [bestuurster 2. van een personenauto] in reactie op een brief van dit bureau van 10 november 2008 onder meer geschreven: “ De, na 4 dagen na het ongeval, door partij [bestuurster 1. van een personenauto] opnieuw gegeven, en nu dus afwijkende, verklaring over het inhalen van een rode auto i.p.v. een blauwe kunnen wij zelf ook bevestigen. Wij zijn inderdaad door een snel, en absoluut gevaarlijk, rijdende rode auto ingehaald en nagenoeg direct nadat de rode auto voor onze auto terugkwam op de rechter rijstrook was het ongeluk daar. (…) Kort nadat ik zelf, na de rotonde, de tractor had ingehaald haalde nu op zijn beurt de bestuurder van de rode auto zowel ons als de tractor met een roekeloze inhaalmanoeuvre in een keer in. Dit gebeurde dus nog maar 1 tot 2 seconden voor het uiteindelijke ongeluk.” 4.2.9. Bij beschikking van 21 september 2010 is het verzoek van ZLM tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Onder meer [bestuurster 2. van een personenauto] en [bestuurster 1. van een personenauto] zijn als getuigen gehoord. [bestuurster 2. van een personenauto] heeft op 10 november 2010 onder meer het volgende verklaard: “Ik kan mij niet meer herinneren of de auto die achter mij reed voordat ik de tractor inhaalde nadat deze de tractor inhaalde mij direct heeft ingehaald of eerst nog naar rechts heeft ingevoegd en achter mij heeft gereden. Deze auto had een rood/bruine kleur, meer rood dan bruin. Toen deze auto mij inhaalde en naar rechts invoegde, deed hij dat niet scherp. Ik hoefde niet te remmen. Meteen daarna was er de klap. Tussen het inhalen van de tractor en het ongeval zaten hooguit enkele minuten, hooguit 5 minuten. De bestuurder was een redelijk jong iemand, ik denk een man. Hij droeg een petje met een grote klep. Ik zag de tegenliggers aankomen. Daarom zei ik tegen mijn man: “die waagt een hoop!” (…) Ik heb die brief (hof: de brief van 6 maart 2009 aan [letselschade] Letselschade) zelf met behulp van mijn schoonzoon opgesteld. Ik blijf bij wat ik in die brief heb geschreven. (..) U vraagt mij naar de tijd die lag tussen het moment dat ik de tractor inhaalde en de onbekende rood/bruine auto mij inhaalde. Ik kan niet zeggen of dat seconden of minuten waren. Het gebeurde vrij snel achter elkaar. De tegenliggers waren redelijk dichtbij. Zo dichtbij dat ik niet ingehaald zou hebben.” [bestuurster 1. van een personenauto] heeft als getuige op genoemde datum als volgt verklaard: “U houdt mij voor de verklaringen van 11 april 2008 en 15 april 2008 die door de politie zijn opgemaakt. De verklaring van 15 april 2008 is de juiste verklaring. De auto die mij tegemoet kwam was een rode auto, dat heb ik steeds tegen de politie gezegd. Ik reed op de rechter weghelft met een snelheid van 60 kilometer per uur, want dat is de toegestane snelheid. Op een gegeven moment zag ik de rode auto op mij afkomen. Ik keek opzij of ik kon uitwijken, maar dat kon niet omdat zich een sloot langs de weg bevind(t). Ik keek weer terug op de weg en toen zag ik de rode auto al niet meer en hoorde ik een klap. Ik kan mij niets herinneren van de auto die door de rode auto werd ingehaald. Ik heb achter de rode auto geen tractor zien rijden. Ik was gefixeerd op de rode auto en heb in mijn achteruitkijkspiegel niet gezien of er op dat moment verkeer achter mij reed. Toen de rode auto mij tegemoetkwam heb ik volgens de politie mijn snelheid enige kilometers geminderd, maar ik kan mij niet meer herinneren dat ik dat zelf bewust heb gedaan. (…)ik weet zeker dat dat ik niet met mijn auto naar rechts ben uitgeweken. Dat kon namelijk niet, omdat zich daar een sloot bevindt. (…) Mr. Gruben houdt mij de politieverklaring van 11 april 2008 voor. Ik herken die verklaring niet als de mijne. Ik heb met de politie ter plaatse van het ongeval gesproken. Ik was toen best verward. Ik heb toen wel over een rode auto gesproken.” 4.2.10. ZLM heeft de casco-schade van [verzekeringnemer van ZLM] en [bestuurster 1. van een personenauto] vergoed als ook de materiële en immateriële schade van[bestuurster 2. van een personenauto] en haar echtgenoot, zijnde in totaal een bedrag van € 55.966,18. 4.3. Bij dagvaarding van 20 januari 2012 heeft ZLM het Waarborgfonds in rechte betrokken en gevorderd dat het Waarborgfonds wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 55.966,18, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij veroordeling van het Waarborgfonds tot betaling van een bedrag van € 1.785,60 inzake de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige, en – naar het hof begrijpt – een bedrag van € 1.644,00 vanwege de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en een bedrag van € 1.788,00 inzake de buitengerechtelijke incassokosten, laatstgenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding. 4.3.1. ZLM stelt daartoe, kort samengevat, dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door het ongeval ontstane schade omdat het ongeval is veroorzaakt door een door een onbekend gebleven derde – hierna de onbekende – gevaarlijk uitvoerde inhaalmanoeuvre. Daarmee heeft de onbekende een veiligheidsnorm overtreden en dus onrechtmatig gehandeld jegens de overige verkeersdeelnemers. Het Waarborgfonds is op grond van artikel 23 juncto 25 WAM gehouden de schade, veroorzaakt door een onbekend gebleven aansprakelijke persoon, te vergoeden. ZLM beroept zich subsidiair op de zogenaamde omkeringsregel. Volgens ZLM werd [bestuurster 1. van een personenauto] op haar weghelft geconfronteerd met een tegenligger in een rode auto, de onbekende, die de Opel Astra van [bestuurster 2. van een personenauto] ging inhalen op een moment dat [bestuurster 1. van een personenauto] al dicht genaderd was. [bestuurster 1. van een personenauto] heeft toen snelheid geminderd, wilde uitwijken naar rechts, toen zij weer voor zich keek was de onbekende weg en hoorde zij een klap die werd veroorzaakt doordat de achter haar rijdende Toyota, bestuurd door [verzekeringnemer van ZLM], in aanraking was gekomen met haar auto. Vervolgens is de Toyota gekanteld en in botsing gekomen met de Opel Astra van [bestuurster 2. van een personenauto]. ZLM betwist dat sprake zou zijn van eigen schuld van [verzekeringnemer van ZLM]. ZLM baseert de door haar gestelde toedracht van het ongeval op de hiervoor vermelde gegevens, te weten het door de politie van het ongeval opgemaakte proces-verbaal, een door de Verkeers Ongevallen Analyse –afdeling van de politie Zeeland opgemaakt proces-verbaal, een rapport van de door haar ingeschakelde ing. [ongevallenanalist], werkzaam bij het bureau Ongevallen Analyse Nederland, een brief van [bestuurster 2. van een personenauto] van 5 maart 2009 en de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 10 november 2010 en 4 februari 2011. 4.3.2. Het Waarborgfonds betwist de door ZLM gestelde toedracht van het ongeval. Zij stelt, kort gezegd, dat uit de getuigenverklaringen niet volgt dat sprake is geweest van een inhaalmanoeuvre door een onbekende in een rode auto. Zij stelt in dat verband onder meer dat de getuigenverklaringen van [bestuurster 1. van een personenauto] onbetrouwbaar en tegenstrijdig zijn. Haar direct na het ongeval afgelegde verklaring wijkt af van de vier dagen later eveneens tegenover de politie afgelegde verklaring en de verklaring afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor is beïnvloed door de oproepbrief van ZLM, aldus het Waarborgfonds. Indien aangenomen moet worden dat wel van een onbekende sprake is geweest, dan staat volgens het Waarborgfonds niet vast dat die onbekende de oorzaak is geweest van de botsing tussen [verzekeringnemer van ZLM] en [bestuurster 1. van een personenauto]. Uit de door [bestuurster 1. van een personenauto] afgelegde verklaringen volgt niet dat zij op een wijze op de gestelde inhaalmanoeuvre heeft gereageerd die [verzekeringnemer van ZLM] in de problemen heeft gebracht. Volgens het Waarborgfonds heeft [verzekeringnemer van ZLM] onvoldoende afstand gehouden en heeft hij de verkeersnormen van art. 19 RVV en art. 5 WVW geschonden. Aldus is sprake van een forse mate van eigen schuld/mede schuld. Voorts betwist het Waarborgfonds de hoogte van de vordering en de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten. 4.3.3. De rechtbank overweegt, voor zover thans van belang en beknopt weergegeven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.