GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/00390 en 14/00391 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 30 augustus 2011, nummers AWB 08/5277 en 08/5278 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/[vestigingsplaats], hierna: de Inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie), hierna: de Minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2007 de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd en daarbij zijn de volgende beschikkingen gegeven inzake verhogingen, kwijtschelding en heffingsrente: Middel Jaar Aanslag- nummer 0238.36.702. Belasting f Verhoging f Kwijt-scheldingf Heffings-rente f IB/PVV 1995 H.57 1.974 1.974 0 729 VB 1996 K.67 683 683 0 248 1.2. De navorderingsaanslagen, verhogingen, kwijtscheldingsbeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. De Rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot de verhogingen gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden tot € 716 (IB/PVV 1995) respectievelijk € 247 (VB 1996), bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken van de Inspecteur, en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de navorderingsaanslagen en de heffingsrentebeschikkingen vernietigd en de verhogingen kwijtgescholden. 1.5. De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bij arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:389 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. 1.6. Belanghebbende en de Inspecteur zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verwijzingsarrest te reageren. Belanghebbende heeft bij brief van 24 juni 2014 een conclusie ingezonden, de Inspecteur bij brief met bijlagen, ingekomen op 30 juni 2014. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 juli 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B], de heer [C], de heer [D], de heer [E] en de heer [F]. 1.8. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.9. Het Hof heeft aan het slot van deze zitting het onderzoek gesloten. 1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten 2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen is vermeld in het verwijzingsarrest onder 3.1.1 tot en met 3.1.7. De in die overwegingen vermelde feiten, die het Hof als vaststaand overneemt, luiden als volgt: “3.1.1. Met dagtekening 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD, Team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota (hierna: de Nota) met twaalf bijlagen en zijn op 1 maart 2005 door de FIOD-ECD ontvangen. 3.1.2. In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De twaalf bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen van ingezetenen van Nederland, standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 en namen van rekeninghouders. 3.1.3. Door de FIOD-ECD is een onderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, welk onderzoek zich erop heeft gericht met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het ging. Daartoe zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt. Daarbij werd ook het sofinummer van de (vermoedelijke) gerechtigden vermeld (“sofiëring”). 3.1.4. De aldus bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie van de Belastingdienst, waarna door deze dienst voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project onder de naam Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan. Doel van het project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens om te komen tot een gelijke behandeling van de belastingplichtigen die het aangaat. Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek behandelt alle aspecten van het project. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de websites van de Belastingdienst en van het Ministerie van Financiën. 3.1.5. De bewerkte gegevens zijn verspreid binnen de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bank- en beleggingsrekeningen en de opbrengsten daarvan) met inachtneming van het draaiboek bij de desbetreffende belastingplichtigen alsnog in de belastingheffing te betrekken. 3.1.6. Bij de gegevens die door de Belgische autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 waarop is vermeld dat bij Van Lanschot een rekening wordt aangehouden op naam van “[naam]”, met rekeningnummer [rekeningnummer]. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote aangemerkt als houders van deze rekening. Zij hebben ontkend rekeninghouder te zijn (geweest). 3.1.7. Na daarover met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd, heeft de Inspecteur aan belanghebbende de in geding zijnde navorderingsaanslagen met dagtekening 31 december 2007 opgelegd.”. 2.2. In aanvulling op voormelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast: 2.3. Op het renseignement betreffende de bankrekening met nummer [rekeningnummer] zijn de volgende saldi in guldens vermeld: Lopende rekening Obligaties 21 december 1994 374,98 5 september 1996 65,59 114.250 28 november 1996 448,09 115.020 2.4. Ter zitting van Hof Amsterdam van 23 januari 2014 heeft de heer [G], EDP-medewerker bij de Belastingdienst, een getuigenverklaring afgelegd. Een afschrift van het proces-verbaal van die zitting is door de Inspecteur als bijlage gevoegd bij zijn conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest (zie onder 1.6) en behoort tot de gedingstukken. 2.5. Ter zitting van Rechtbank Leeuwarden van 21 maart 2012 heeft mevrouw [H], manager toezicht bij de Belastingdienst, een getuigenverklaring afgelegd. Een afschrift van het proces-verbaal van het getuigenverhoor is door de Inspecteur als bijlage gevoegd bij zijn conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest (zie onder 1.6) en behoort tot de gedingstukken. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil na verwijzing betreft, naar belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, het antwoord op de volgende vragen: Hebben de belastingautoriteiten voldoende voortvarendheid betracht bij het voorbereiden en opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen? Is sprake van een redelijke schatting? Zijn terecht verhogingen opgelegd en, zo ja, zijn deze passend en geboden? Heeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade? Belanghebbende is van mening dat de vragen a, b en c ontkennend en vraag d bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Ter zitting heeft belanghebbende de volgende grieven laten varen: Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt? Is belanghebbende en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd? Is het gelijkheidsbeginsel geschonden? Is de heffingsrente tot het juiste bedrag in rekening gebracht? 3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, verhogingen, kwijtscheldingsbeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen; voorts concludeert belanghebbende tot een vergoeding van immateriële schade. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Ten aanzien van vraag a (voortvarendheid) 4.1. Uitgangspunt voor ’s Hofs oordeel over de vraag of de belastingautoriteiten voldoende voortvarendheid hebben betracht, is het verwijzingsarrest waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen: “3.4.1. Het tweede middelonderdeel bevat de klacht dat het Hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat er in de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek meer tijd is verstreken dan noodzakelijk is. 3.4.2. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn. 3.4.3. De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is. 3.4.4. Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234). 3.4.5. De door het Hof vastgestelde feiten houden in dat er tussen de ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten en de afronding van het hiervoor in 3.1.3 bedoelde onderzoek (de zogenoemde onderzoeksfase) een jaar is verstreken. 3.4.6. Bij de beoordeling van dit tijdsverloop heeft het Hof grote betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de “geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan (…) een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed”. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak niet is gegeven, is evenwel niet begrijpelijk dat het Hof deze omstandigheid redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Om dat oordeel begrijpelijk te doen zijn zou ten minste nader uiteengezet moeten zijn welke omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat van de Belastingdienst met het oog op de vereiste voortvarendheid, en met inachtneming van het hiervoor in 3.4.3 overwogene, redelijkerwijs een andere organisatie van de te verrichten werkzaamheden verlangd had mogen worden. Het Hof heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de overweging dat het niet aannemelijk acht dat met de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek, die een jaar in beslag heeft genomen, bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zouden zijn gemoeid. Ook in zoverre is de uitspraak van het Hof niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd over de aard en de omvang van de werkzaamheden die na ontvangst van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens in deze fase moesten worden uitgevoerd. Voor zover het middel zich tegen dat oordeel keert, is het daarom terecht voorgesteld.”. 4.2. Na het verwijzingsarrest is niet meer in geschil dat de voortvarendheidsperiode aanvangt op 18 februari 2005, zijnde de dag waarop de belastingautoriteiten de renseignementen hebben ontvangen. Partijen hebben de voortvarendheidsperiode onderverdeeld in drie perioden. Het Hof zal partijen in deze onderverdeling volgen. 4.3. De onderzoeksfase (18 februari 2005 tot maart 2006) 4.3.1. Belanghebbende is van mening dat de belastingautoriteiten in de onderzoeksfase onvoldoende voortvarend hebben gehandeld. Belanghebbende stelt daartoe dat de tijdspanne die is verstreken met het opvragen van de drie query’s door de EDP-medewerker, te weten drie maal ongeveer drie weken zoals blijkt uit de in 2.4 vermelde getuigenverklaring, overbodig is of in ieder geval te lang is geweest. Afgaande op de verklaring van de EDP-medewerker dat hij in totaal 200 uur heeft besteed aan de geautomatiseerde zoekslag en de negen weken die zijn verstreken met het opvragen van de query’s, zou de onderzoeksfase volgens belanghebbende slechts 14 weken hoeven te duren in plaats van één jaar. Verder stelt belanghebbende dat de EDP-medewerker eind november 2005 wist welke belastingplichtigen een buitenlandse bankrekening bij Van Lanschot niet in de aangifte hadden verwerkt en dat daardoor de tijd van december 2005 tot maart 2006 ten onrechte is benut. Voorts stelt belanghebbende dat met de besluit- en inrichtingsfase niet had hoeven te worden gewacht totdat de EDP-medewerker zijn werkzaamheden had afgerond, omdat het die medewerker bij aanvang van zijn werkzaamheden in april 2005 vrij snel duidelijk was dat de identificatie van de rekeninghouders zou lukken en dat van een zeer groot aantal individuele belastingplichtigen zou kunnen worden nagevorderd. De besluit- en inrichtingsfase had, aldus nog steeds belanghebbende, eerder een aanvang kunnen nemen. Door de wijze waarop het project is opgedeeld in volgtijdige fasen, namelijk door de start van de volgende fase te laten afhangen van een “go/no go”-beslissing”, heeft de Inspecteur volgens belanghebbende onvoldoende voortvarend gehandeld. 4.3.2. De Inspecteur heeft verklaard dat in deze fase een geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed. Voorts heeft hij verklaard dat door de aard van deze werkzaamheden het niet mogelijk is om een verdeling van het aantal te identificeren rekeninghouders te maken. Bovendien, zo verklaart de Inspecteur, zou het geen tijdswinst hebben opgeleverd indien die werkzaamheden over meerdere personen zouden worden verdeeld. Verder heeft de Inspecteur verklaard dat de desbetreffende medewerker gedurende deze fase tijdelijk werkzaamheden heeft verricht in het kader van de “teruggaaf buitengewone uitgaven”, hetgeen volgens de Inspecteur behoort tot de beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van de werkzaamheden van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft belanghebbendes stelling, dat het de Inspecteur, toen de EDP-medewerker in april 2005 met zijn werk was begonnen, vrij snel duidelijk was dat van een zeer groot aantal individuele belastingplichtigen zou kunnen worden nagevorderd, weersproken; deze stelling vindt naar de mening van de Inspecteur geen steun in de in 2.4 vermelde verklaring. Ten slotte heeft de Inspecteur gesteld dat het resultaat van de werkzaamheden van de EDP-medewerker relevant was voor het antwoord op de vraag of al dan niet voor een projectmatige aanpak zou worden gekozen. De Inspecteur heeft verklaard dat om die reden is gewacht met de besluit- en inrichtingsfase. De Inspecteur heeft het in 2.4 bedoelde afschrift van het proces-verbaal overgelegd om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden de EDP-medewerker heeft verricht tijdens de onderzoeksfase. 4.4. De besluit- en inrichtingsfase (maart 2006 tot augustus 2006) 4.4.1. Belanghebbende is van mening dat de belastingautoriteiten ook in de besluit- en inrichtingsfase onvoldoende voortvarend hebben gehandeld. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de hele besluit- en inrichtingsfase achterwege kon blijven. Belanghebbende betwist daartoe dat mevrouw [H] een risico-analyse heeft uitgevoerd en rechtsvragen en de rechtmatigheid van het bewijs heeft onderzocht. Voor het geval mevrouw [H] die werkzaamheden wel heeft verricht, stelt belanghebbende dat deze werkzaamheden onnodig waren. Subsidiair stelt belanghebbende dat de werkzaamheden in de besluit- en inrichtingsfase, in het bijzonder de werkzaamheden van mevrouw [H] en de aanstelling van de projectleider, te lang hebben geduurd; belanghebbende stelt in dat verband dat de Inspecteur reeds ervaring had opgedaan met andere projecten. 4.4.2. De Inspecteur heeft, in zijn in 1.6 bedoelde conclusie, verklaard dat in de besluit- en inrichtingsfase de volgende werkzaamheden zijn verricht: “Als eerste is het beoogde resultaat geformuleerd. Hierbij bestaat de keuze uit diverse opties (niets doen, het minimale doen en iets doen (…). Concreet: het behandelen van de posten BZN heeft tot gevolg dat andere werkzaamheden niet kunnen worden gedaan. (…). Ten aanzien van de randvoorwaarden en inrichting van het project is onder andere gekeken naar eerdere ervaringen (zoals uit het Rekeningenproject) en de hieruit voortgekomen leerpunten. (…) Hier ligt de nadruk op tijd, kosten, kwaliteit, scope, risico en baten. Er wordt gekeken naar de procesmatige als de inhoudelijke kant, daarbij is de mate van risicobeheersing van groot belang. (…) In casu was er sprake van een landelijke spreiding van het aantal te behandelen posten, een grote publiciteitsgevoeligheid en een groot aantal fiscaal technische (identificatie, rechtmatigheid verkregen bewijs, verlengde navorderingstermijn, inzagerecht en boete), alsmede strafrechtelijke vraagstukken (inzagerecht, rechtmatigheid verkregen gegevens, minimumbewijsregel). Deze vraagstukken zijn in kaart gebracht en er zijn beslissingen over in te nemen standpunten ingenomen, bijvoorbeeld na overleg met team cassatie. (…) In het proces-verbaal dat is opgesteld naar aanleiding van het getuigenverhoor van mevrouw [H] staat het volgende: “Ik ben betrokken geweest bij de risico-analyse van het project Bank zonder naam.” (…) “Er is eerst gekeken welke rechtsvragen er nog actueel waren.” (…) Bij projectmanagement wordt ook gekeken naar verantwoordelijkheden binnen de organisatiestructuur, de belangen binnen de organisatie en buiten het bedrijf (…). De keuze voor werken in een project heeft gevolgen voor de inrichting, sturing en beheersing. (…) In de besluitfase wordt geïnventariseerd wat nodig is voor het realiseren van de resultaten binnen de gestelde tijdslijnen en budget (…). De projectmanager ((…) mevrouw [H]) is verantwoordelijk voor het vaststellen van, de beoordeling en beheersing van issues en risico’s die verbonden zijn aan het project, neemt besluiten over geëscaleerde issues en risico’s en heeft aandacht voor de zakelijke rechtvaardiging van het project. (…) Zo heeft men in de besluit- en inrichtingsfase (…) een aantal beslissingen genomen, zoals welke bankrekeninghouders nu wel of niet als voldoende geïdentificeerd konden worden beschouwd (naar aanleiding van de door de EDP-auditor aangegeven rangorde van meest waarschijnlijke rekeninghouder, betreft de kwaliteitseis ten aanzien van de identificatie), de wijze van berekening van de correctie, wijze van communicatie (…) en dat er een applicatie voor de te behandelen posten zou worden gebouwd. De projectleider (mevrouw [K]) is benoemd en geselecteerd op basis van haar ervaring en vaardigheden. Er zijn gesprekken met haar en haar leidinggevenden geweest. Vervolgens heeft mevrouw [K] haar toenmalige werkzaamheden moeten overdragen. Zij heeft vervolgens de praktische implementatie binnen de organisatie verzorgd. (…) De door mevrouw [H] in haar verklaring en tijdens het getuigenverhoor genoemde werkzaamheden horen bij het uitvoeren van een project binnen projectmanagement. Hierbij wil ik opmerken dat deze werkzaamheden in een tijdsbestek van zo’n 5 maanden hebben plaatsgevonden.”. Voorts heeft de Inspecteur het in 2.5 bedoelde afschrift van het proces-verbaal overgelegd om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden zijn verricht tijdens de besluit- en inrichtingsfase. 4.5. De projectfase (augustus 2006 tot maart 2007) 4.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingautoriteiten in deze fase voldoende voortvarend hebben gehandeld. 4.6. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld tussen maart 2007 en 31 december 2007. 4.7. Het Hof dient te beoordelen of de belastingautoriteiten in het onderhavige geval voldoende voortvarendheid hebben betracht tussen 18 februari 2005 en augustus 2006. 4.7.1. Het Hof acht de uitleg van de Inspecteur, zie onder 4.3.2 en 4.4.2, en de verklaringen van de heer [G] en mevrouw [H], genoemd in 2.4 en 2.5, geloofwaardig. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met deze uitleg en verklaringen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden de Nederlandse belastingautoriteiten in zowel de onderzoeksfase als in de besluit- en inrichtingsfase hebben verricht. Naar ’s Hofs oordeel moet het aldus verschafte inzicht leiden tot het oordeel dat de Nederlandse belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld. 4.7.2. Naar ’s Hofs oordeel mochten de belastingautoriteiten wachten met de start van de besluit- en inrichtingsfase totdat de EDP-medewerker zijn werkzaamheden had afgerond. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de werkzaamheden van de EDP-medewerker relevant was voor de vraag of al dan niet voor een projectmatige aanpak zou worden gekozen. Voorts acht het Hof geloofwaardig dat de risico-analyse daadwerkelijk is uitgevoerd en dat rechtsvragen en de rechtmatigheid van het bewijs zijn onderzocht. Voor belanghebbendes betoog van het tegendeel heeft het Hof in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. 4.7.3. In de onderzoeksfase en de besluit- en inrichtingsfase hebben de belastingautoriteiten de grenzen van de hen toekomende vrijheid bij de organisatie en inrichting van de werkzaamheden niet overschreden. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is geweest van een continu proces en dat in ieder geval geen vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. Het Hof acht ook overigens niet aannemelijk dat er een zodanige vertraging is opgetreden dat moet worden geoordeeld dat in deze periode niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. 4.7.4. Aan het in 4.7.1 tot en met 4.7.3 gegeven oordeel kan niet afdoen dat de Inspecteur niet kan aangeven op welke data welke handelingen zijn verricht, bijvoorbeeld aan de hand van een logboek. De andersluidende stelling van belanghebbende, inhoudende dat de Inspecteur een concrete en exacte toelichting moet geven op de verrichte handelingen, wordt door het Hof verworpen. De vrije bewijsleer in het belastingrecht brengt immers mee dat het de Inspecteur vrijstaat met alle middelen bewijs te leveren van de voortgang van zijn werkzaamheden. 4.7.5. Het Hof beantwoordt vraag a bevestigend. Ten aanzien van vraag b (redelijke schatting) 4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. 4.9. De Inspecteur heeft in dit verband gesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.