GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 10 juli 2014 Zaaknummers: F 200.134.690/01 en F 200.134.691/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/252758 / FA RK 12-4950 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.P.J. de Bruijn, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli
(2013)zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande. Kosten psycholoog De man stelt dat hij maandelijks € 1.356,54 aan kosten van psychologische hulp voor de kinderen betaalt. De vrouw vermoedt dat een aantal van de door de man overgelegde nota’s, waaronder die van 28 februari en 28 maart 2014, zien op coaching van de man. Het hof overweegt als volgt. De man heeft als productie 36 een toelichting op de kosten van psychologische hulp overgelegd. De man heeft daarnaast een door hem zelf opgesteld overzicht overgelegd alsmede betalingen via zijn bankrekening waarbij de naam van de begunstigde telkens is weggelakt. Voorts heeft de man een verklaring van zoon [zoon van partijen 2] overgelegd waarin deze aangeeft psychologische hulp te ontvangen waarvoor de man betaalt. Verder heeft de man diverse nota’s overgelegd, waarop de naam van de psycholoog maar ook de naam van degene die onder behandeling staat zijn weggelakt. Door het weglakken van namen, kan het hof niet vaststellen voor wie de betreffende facturen zijn voldaan en evenmin op welke behandeling de facturen betrekking hebben. Het hof laat deze facturen dan ook buiten beschouwing. Ook het hof ziet op de facturen van 28 februari 2014 en 28 maart 2014 staan dat deze facturen betrekking hebben op coaching. Niet uitgesloten kan worden dat deze facturen zien op coaching van de man. Met deze facturen zal het hof dan ook geen rekening houden. Ten aanzien van [dochter van partijen] , dochter van partijen, heeft de man zeven facturen overgelegd over de periode van 28 december 2012 tot 29 november 2013. De totale kosten bedragen in die periode € 1.778,40 ofwel, (afgerond) € 162,- per maand. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze kosten nog altijd worden gemaakt. Het hof acht het redelijk met een bedrag van € 162,- per maand rekening te houden. Bijdragen kinderen De man stelt dat hij de kinderen van partijen de navolgende bijdragen betaalt: [zoon van partijen 2] € 1.100,- [dochter van partijen] € 1.158,- [zoon van partijen 1] € 1.100,- Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man het verzoek van de man aldus aangepast dat, wanneer door het hof wordt vastgesteld dat aan de zijde van de vrouw sprake is van behoefte, bij de draagkracht van de man in het kader van die behoefte rekening wordt gehouden met de door de man voor [zoon van partijen 1] te betalen bijdrage. Een afzonderlijk verzoek van de man om een bijdrage voor [zoon van partijen 1] vast te stellen dient dan ook te worden afgewezen. Het hof overweegt ten aanzien van de kosten van de kinderen in het kader van de draagkracht van de man als volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voor levensonderhoud en studie van [zoon van partijen 1] hoger zijn dan het door de vrouw gestelde bedrag van € 500,-. Het hof is van oordeel dat de man hier ook in hoger beroep niet in is geslaagd. Het hof neemt hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen over en maakt dit tot het zijne. Voorts overweegt het hof dat de man weliswaar heeft gesteld dat [zoon van partijen 1] in Nederland Engels zal gaan studeren, maar dat hij dit niet nader heeft geconcretiseerd. Aldus houdt het hof (na de draagkrachtruimte van de man te hebben becijferd) rekening met het feit dat de man maandelijks € 500,- bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van [zoon van partijen 1] . Het hof zal met de door de man aan [zoon van partijen 2] en [dochter van partijen] betaalde bijdragen, mede gelet op het verweer van de vrouw op dit punt zoals dit onder andere blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerst aanleg op 21 mei 2013, geen rekening houden nu [zoon van partijen 2] en [dochter van partijen] ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking 26 en 23 jaar oud waren en de man derhalve niet langer gehouden is bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van beide kinderen. De man heeft zich nog beroepen op een natuurlijke verbintenis ten aanzien van [zoon van partijen 2] en [dochter van partijen] , aan welke stelling het hof voorbij gaat nu de man daarvoor, gelet op de in artikel 6:3 lid 2 sub b BW voor het bestaan van een dergelijke verbintenis geldende vereisten, onvoldoende heeft gesteld en voorts van enige onderbouwing van die stelling niet is gebleken. Voor zover de man zich wel gehouden acht bij te dragen in het levensonderhoud van [zoon van partijen 2] en [dochter van partijen] , dient de man dit uit zijn vrije ruimte te voldoen. Vaststelling van de alimentatie 3.5.12. Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 5.960,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten: de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen; het eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op € 566.000,-; de hypotheekrente betreffende de woning van de man. 3.5.13. Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 3.664,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdragen. Hierop strekt nog in mindering de door de man ten behoeve van [zoon van partijen 1] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 500,- per maand. 3.5.14. Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om € 2.259,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Ingangsdatum 3.5.15. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient in te gaan met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 2 oktober 2013. Het hof zal de bijdrage dan ook met ingang van deze datum in laten gaan. Ad
- c)De contactregeling tussen de vrouw en hond Zoë (grief 12 van de vrouw) 3.6. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen en daartoe overwogen dat partijen overeengekomen zijn dat de vrouw twee keer per week een uur met de hond zal gaan wandelen, waarbij de dagen en tijden in onderling overleg zijn overeen te komen. 3.6.1. De vrouw stelt dat de man zijn medewerking niet verleend aan hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen. 3.6.2. Het hof overweegt dat voorafgaand aan de zitting in hoger beroep bekend is geworden dat de dierenarts hond Zoë heeft laten inslapen. Een contactregeling kan dan ook niet langer worden vastgesteld, zodat de vrouw niet langer belang heeft bij haar grief en deze dient te falen. Ad
- d)De echtelijke woning (grieven 1, 3 en 4 van de vrouw, grief 2 van de man) 3.7. De rechtbank heeft het voortgezet gebruik van de woning aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] aan de man toegewezen en die woning aan de man toegedeeld. De rechtbank heeft voorts bepaald dat partijen gezamenlijk opdracht dienen te geven aan [makelaars en taxateurs] makelaars en taxateurs te [vestigingsplaats] om de huidige waarde van de woning vast te stellen, waarbij de datum waarop het rapport van [makelaars en taxateurs] wordt opgesteld, geldt als peildatum. 3.7.1. De vrouw stelt dat het verzoek van de man tot voortgezet gebruik dient te worden afgewezen, althans dat aan de vrouw een redelijke vergoeding als bedoeld in artikel 1:165 BW ter hoogte van 4% van de helft van de overwaarde, ofwel € 633,05 per maand dient te worden toegekend. De vrouw is medio februari 2012 met [zoon van partijen 1] , op diens verzoek, in het appartement aan de [adres 2] te [woonplaats] gaan wonen. De man heeft vervolgens de kinderen uitgespeeld tegen de vrouw. In april 2013 heeft de man “de woning feitelijk naar zijn hand gezet” door een ingrijpende verbouwing op te starten, welke verbouwing door de voorzieningenrechter in het vonnis van 3 april 2013 als verboden eigenrichting is gekwalificeerd. De inkomenspositie van partijen kan geen relevante overweging zijn en bovendien is ook de vrouw in staat de lasten van de woning te voldoen. De vrouw heeft zo’n 22 jaar de woning en de tuin bijgehouden. In tegenstelling tot de man speelt heel haar sociale leven zich in [woonplaats] af. De vrouw stelt voorts dat de woning aan haar dient te worden toegedeeld en dat voor de waarde van de woning van het taxatierapport van [makelaardij] Makelaardij dient te worden uitgegaan, ook als de woning toch aan de man wordt toegedeeld. Partijen hebben niets aan een nieuwe taxatie nu de man de woning ingrijpend heeft verbouwd. Tijdens de zitting in het kort geding van 15 april 2013 heeft de man zich verplicht om de woning (op zijn kosten) in oude staat terug te brengen, zodat de waarde in de huidige staat er niet toe doet. 3.7.2. De man stelt dat de uitgaven die de man na 1 januari 2012 ten behoeve van zichzelf heeft gedaan, enkel voor zijn rekening komen en dat derhalve ook de verbouwingskosten voor zijn rekening komen. Als de woning aan de vrouw zou worden toegedeeld, zal de man de woning weer in oude staat herstellen. Er is voldoende fotomateriaal aanwezig om de staat en daarmee de huidige waarde van de woning te bepalen zonder rekening te houden met de verbouwingen. Als bij de waardebepaling wel rekening dient te worden gehouden met de verbouwing dan dient de vrouw aan de man de helft van de kosten daarvan te vergoeden ten bedrage van € 112.329,-. 3.7.3. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het op artikel 1:165 BW gebaseerde voortgezet gebruik van de echtelijke woning kan alleen worden toegewezen voor een periode van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Nu genoemde termijn op 3 april 2014 is verstreken, heeft de vrouw geen belang meer bij haar grief, zodat deze geen verdere bespreking behoeft. 3.7.4. Het hof ziet geen aanleiding om de beslissing van de rechtbank om de woning toe te wijzen aan de man te vernietigen. De vrouw heeft de echtelijke woning zelf verlaten. Zij woont inmiddels ruim twee jaar niet meer in de echtelijke woning. De man heeft na het vertrek van de vrouw verbouwingswerkzaamheden verricht aan de woning die, indien de woning wordt toegewezen aan de vrouw (volgens afspraak van partijen) ongedaan zouden moeten worden gemaakt. De kinderen hebben geen contact meer met de vrouw terwijl de kinderen nog wel contact hebben met de man en (deels en/of geheel) bij de man in de echtelijke woning verblijven. De man is financieel in staat de woning over te nemen en de vrouw ter zake overbedeling de helft van de overwaarde van de woning te vergoeden. Toewijzing van de woning aan de vrouw zou twee verhuizingen (van de man én van de vrouw) opleveren en zou betekenen dat de kinderen hun thuis kwijtraken. Alle omstandigheden meewegende, is het hof van oordeel dat de man meer belang heeft bij voortzetting van bewoning van de echtelijke woning. De grief van de vrouw dient dan ook te falen. 3.7.5. Nu partijen het niet eens zijn over de (huidige) waarde van de echtelijke woning, dient deze opnieuw te worden getaxeerd. Partijen zijn het er over eens dat de deskundige daarbij de door of namens de man gedane verbouwingen buiten beschouwing dient te laten. Het hof zal de te benoemen deskundige de volgende vragen voor leggen: Wat is de huidige vrije verkoopwaarde (de datum van het taxatierapport) van de woning staand en gelegen aan [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] (daarbij de door of namens de man gedane verbouwingen buiten beschouwing latend)? Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt? 3.7.6. De deskundige dient eventuele nadere informatie die hij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen. Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport. Partijen zijn het niet eens geworden over de persoon van de taxateur, zodat het hof de deskundige ingenieur J.P. Vugts van [makelaarskantoor] heeft benaderd en hem bereid heeft gevonden het deskundigenonderzoek uit te voeren. 3.7.7. Het hof oordeelt als volgt. Aan de gebruiksvergoeding ligt ten grondslag dat het redelijk is dat de man een vergoeding betaalt voor het gebruikmaken van geld van de vrouw (dat besloten ligt in de helft van de overwaarde). Wat betreft de hoogte van de vergoeding ziet het hof geen aanleiding om van de gebruikelijke berekeningswijze van 4% van de helft van de overwaarde af te wijken. De rente over een (door de man of de vrouw) af te sluiten hypothecaire geldlening met een gebruikelijke rentevaste periode van tien jaar bedraagt ook thans in ieder geval 4%. Het door de man te betalen bedrag van de gebruiksvergoeding kan dan aan de hand van de door de deskundige te bepalen waarde worden vastgesteld. Ad
- e)De inboedel (grief 11 van de vrouw, grief 6 van de man) 3.8. De rechtbank heeft bepaald dat aan de man wordt toegedeeld het eerste op de lijst van de deurwaarder vermelde bestanddeel, te weten de flat screen televisie, merk Samsung, en het volgende bestanddeel Sony Playstation, aan de vrouw. De overige inboedelbestanddelen zullen steeds op overeenkomstige wijze om en om worden verdeeld. De rechtbank merkt daarbij op dat ook de inboedel die zich bevindt in het appartement aan de [adres 2] op voormelde wijze dient te worden verdeeld. 3.8.1. De vrouw acht de door de rechtbank bepaalde verdeling van de inboedel volstrekt willekeurig en onredelijk. De lijst van de deurwaarder is bovendien niet compleet. De vrouw wil alsnog in de gelegenheid worden gesteld om de inboedellijst te completeren en haar voorkeur voor aan haar toe te delen inboedelgoederen aan te geven. Voorts wil de vrouw haar persoonlijke goederen, de aan haar verknochte goederen en stelt zij dat de niet in de gemeenschap vallende goederen van de moeder van de vrouw aan haar worden afgegeven. 3.8.2. De man verzoekt de inboedelgoederen van partijen te verdelen overeenkomstig de lijsten die man in hoger beroep heeft overgelegd. 3.8.3. Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde “spullen van de overleden moeder van de vrouw” (pagina 1), “persoonlijke spullen van de vrouw” (pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes , het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp. In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen. Ad
- f)De ontslagvergoeding van [werkgever] (grief 5 van de man) 3.9. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ontvangen ontslagvergoedingen niet verknocht zijn en bij helfte dienen te worden gedeeld. 3.9.1. De man legt een afschrift over waaruit blijkt dat de man op 14 april 2010 een bedrag van € 194.554,67 van [werkgever] heeft ontvangen op de betaalrekening met nummer [betaalrekening] . De vrouw heeft daarvan nog dezelfde dag in vier fases in totaal een bedrag van € 160.000,- overgemaakt naar een op haar naam staande rekening. Daar de vrouw stelt een vermogen onder zich te hebben van € 750.000,-, moet het er voor gehouden worden dat deze gelden nog steeds aanwezig zijn en afkomstig zijn uit vorenstaande overboekingen. De man heeft van het bedrag van € 194.554,67 een bedrag van € 33.000,- overgeboekt naar de spaarrekening [spaarrekening] . Op deze rekening stond op 1 januari 2012 een bedrag van € 367.408 en op 31 december 2012 een bedrag van € 222.027,-. De rekening is door het door de vrouw gelegde beslag getroffen en het saldo is door de bank afgezonderd en dus nog altijd aanwezig. 3.9.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat dat goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In zijn arrest van 22 maart 1996, NJ 1996/640NJ 1996 /640 oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van een ontslagvergoeding dat wanneer in verband met de beëindiging van een dienstbetrekking aan de werknemer een schadeloosstelling wordt toegekend en uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, dit geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten omvat. De Hoge Raad zag in zijn arrest van 17 oktober 2008, NJ 2009/41NJ 2009/41 echter wel aanleiding een uitzondering op die regel te maken. In dat geval ging het om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de werknemer en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst, op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort en waaruit de werknemer tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen zou ontvangen, waardoor zijn inkomen zou worden aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. In die situatie vallen de aanspraken die zien op de periode na de ontbinding van het huwelijk niet in de gemeenschap, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de werknemer, bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding, zou hebben genoten als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon, aldus de Hoge Raad. Nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen, welk geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, geldt de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. De man heeft de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van [werkgever] niet overgelegd, zodat door het hof ook niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris. In het geheel is niet duidelijk geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen. De door de rechtbank en de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (LJN: BY0957) maakt dat niet anders. Immers, de uitspraak in die zaak ziet op een geval van schadevergoeding bij letselschade, hetgeen een geheel andere situatie is dan in de onderhavige zaak aan de orde. De grief van de man faalt dan ook. Ad
- g)De vordering op [werkgever] (grieven 13 en 14 van de vrouw) 3.10. De rechtbank heeft geoordeeld dat de totale vordering, te verminderen met de te betalen belasting en verrekening van de schuld, tussen partijen verdeeld dienen te worden. 3.10.1. De vrouw stelt dat de man de vordering op [werkgever] heeft verzwegen/verborgen gehouden en beroept zich op artikel 3:194 lid 2 BW. De man heeft met geen woord gerept over de door hem op 16 april 2010 gestarte procedure met als inzet een miljoenenclaim terzake de door de man met [werkgever] overeengekomen profit share-regeling en de vergoeding van optierechten/ aandelen. Uit navraag bleek dat de rechtbank al op 5 oktober 2012 vonnis had gewezen en dat [werkgever] is veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 4.698.150,80 in hoofdsom, alsmede een bedrag van € 1.238.585,54 aan rente, berekend tot 9 april 2010. Medio april 2013 meldde de man dat [werkgever] hoger beroep had ingesteld tegen dit vonnis. Inmiddels had [werkgever] een bedrag ad € 3.913,431,23 uitbetaald. De man heeft nooit kenbaar gemaakt waar het bedrag zich bevindt. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. 3.10.2. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een echtgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt zijn aandeel in die goederen aan de andere echtgenoot. Het hof is van oordeel dat het beroep van de vrouw op dit artikel niet slaagt. De man heeft in zijn verzoekschrift tot echtscheiding reeds melding gemaakt van de vordering op [werkgever] en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de uiteindelijke uitkering aan beide echtgenoten bij helfte toekomt. Dat pas later bekend is geworden hoe hoog deze vordering was en dat ook later een bedrag aan de man is uitgekeerd doet daar niet aan af, zeker niet in de situatie als de onderhavige waarin er nog een hoger beroepsprocedure loopt waarvan de uitkomst onzeker is. Het verloop van de vordering is ook thans nog ongewis. [werkgever] heeft hoger beroep ingesteld, waarbij begin juni het arrest van het hof wordt verwacht. Niet uit te sluiten valt dat nadien nog cassatie zal worden ingesteld. De grieven van de vrouw falen derhalve. Ad
- h)[stamrecht-B.V.] (grieven 7, 8, 9 en 10 van de vrouw) 3.11. De rechtbank heeft de waarde van [stamrecht-B.V.] bepaald op € 22.657,-. Op die waarde heeft de rechtbank een bedrag van € 1.164,- in mindering gebracht, zijnde een aanmerkelijk belang claim. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de man de schuld van de vennootschap aan partijen voor zijn rekening dient te nemen en dat de hoogte van de restantschuld per 31 maart 2013 dient te worden verdeeld, in die zin dat de vrouw de helft daarvan aan de man dient te vergoeden. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de stamrechtvoorziening verknocht is en derhalve buiten de gemeenschap valt. 3.11.1. De vrouw wenst inzicht in de administratie/bankafschriften en de geldstromen van de beide bv’s van de man. De geldstromen zijn niet te volgen in de door de man zelf opgestelde jaarstukken. Uit de wel overgelegde stukken blijkt een grote verwevenheid van zakelijk en privé. Niet valt uit te sluiten dat de man de bankrekeningen heeft benut om de van [werkgever] ontvangen miljoenen te stallen, zodat er nu rente is bijgeschreven die tot de gemeenschap van goederen behoort. De vrouw stelt dat het door de man gehanteerde percentage van de belastinglatentie contant moet worden gemaakt, nu de man de onderneming pas in de toekomst staakt. De lening van [stamrecht-B.V.] beliep niet € 795.661,- maar € 750.800,-. Op de door de man zelf opgemaakte vermogensverdelingsstaat valt op dat [stamrecht-B.V.] plots een waarde heeft van -/- € 134.934,- terwijl die waarde volgens een eerder door de man overgelegde vermogensverdelingsstaat nog € 19.128,- was. De vrouw heeft geen enkel zicht op hoe dit mogelijk is. De man heeft verzuimd documenten over te leggen waaruit blijkt wat de aard van de door de man ontvangen ontslagvergoeding van Tele Atlas N.V. was. De vrouw stelt dat een ontslagvergoeding in beginsel in de huwelijkse gemeenschap valt en dat van een uitzondering slechts sprake kan zijn indien een ontslagvergoeding strekt tot vervanging dan wel suppletie van inkomen. Dat daarvan sprake zou zijn is in het geheel niet gebleken. Van verknochtheid is dan ook geen sprake. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. 3.11.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof verwijst voor wat betreft de heersende jurisprudentie op het punt van verknochtheid van ontslagvergoedingen naar rov. 3.9.2 van deze beschikking. De man heeft de door hem van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een stamrecht-B.V. , te weten [stamrecht-B.V.] De man heeft als productie 8d bij het verweerschrift de onderliggende overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man overgelegd. In artikel 2 van die overeenkomst staat: “Tele Atlas will in its petition offer [geïntimeerde] a termination lump sum compensation of € 720.800,-- gross, as a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits or any lower salary which [geïntimeerde] may receive elswehere. This amount may be adapted in accordance with article 5 hereof. The methods of payment shall be at [geïntimeerde] ’s discretion, provided that from a tax perspective it remains within acceptable and legal limits. [geïntimeerde] will in his defence accept this compensation as reasonable. In the event that [geïntimeerde] wishes to receive the payment for a future right to periodical payments (“stamrecht”) within the meaning of Articel 11