GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling strafrecht Klachtnummer: K13/0399 Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 maart 2014 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] [woonplaats] hierna te noemen: klager, bijgestaan door [advocaat] over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van: [beklaagde] [woonplaats] hierna te noemen: beklaagde, bijgestaan door [advocaat], wegens poging tot doodslag. De feitelijke gang van zaken. Naar aanleiding van een door beklaagde op 13 april 2012 toegepaste geweldsaanwending jegens klager heeft de rijksrecherche een onderzoek ingesteld. Op 11 december 2012 is aan de advocaat van klager bericht dat beklaagde niet strafrechtelijk zal worden vervolgd, omdat bestuurlijke of semi-bestuurlijke maatregelen tegen de verdachte volgen en dat deze maatregelen uit overwegingen van billijkheid en/of doelmatigheid voorrang krijgen boven strafvervolging. Hierop heeft klager bij schrijven van 6 augustus 2013 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 6 augustus 2013, met het verzoek de vervolging te bevelen. De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 17 oktober 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen. Op 3 december 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag. Bij brief van 13 februari 2014 heeft de advocaat van beklaagde enkele producties ingezonden. Op 18 februari 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van beklaagde en zijn advocaat. De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag. De beoordeling. Klager stelt dat hij op 13 april 2012 door beklaagde, [naam] in zijn been is geschoten en dat deze verbalisant moet worden vervolgd ter zake poging tot doodslag. Hij stelt dat hij samen met een vriend een meisje in [plaats] heeft afgezet. Voordat hij en zijn vriend [naam]terug zouden rijden naar [plaats]stond klager bij een poortje te plassen. Hij zag de politie van alle kanten aankomen. Hij hoorde een agent nog roepen: ‘Stop politie’. Van schrik wilde hij over een schutting heen klimmen. Hij hoorde de agent nog een keer roepen: ‘Stop politie’ en toen werd hij, terwijl hij half over de schutting hing, in zijn been geschoten. Op 13 april 2012 werd een aantal verbalisanten, waaronder beklaagde, door de meldkamer naar een woning in [plaats] gezonden. Buren hadden de politie hebben gewaarschuwd dat er op dat moment een inbraak plaats zou vinden. De bewoners zelf waren met vakantie. Beklaagde ging via een muur/afdak de tuin in en zag op een afstand van tussen de vijf en tien meter een donker geklede man achter bosschages wegvluchten in de richting van de schutting. Beklaagde riep: ‘Blijf staan politie’ en ‘stop of ik schiet’. Beklaagde heeft, toen klager daar geen gehoor aan gaf, opnieuw geroepen: ‘stop of ik schiet’ en vervolgens, toen klager over de schutting hing, van een afstand van 5 tot 7 meter gericht in zijn been geschoten. Klager is vervolgens aangehouden. In het rapport van het onderzoek door de rijksrecherche is geconcludeerd dat beklaagde onrechtmatig heeft gehandeld. Om een vuurwapen te mogen gebruiken tegen een persoon die zich wil onttrekken aan de aanhouding moet sprake zijn van een misdrijf:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.