← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2015:1388

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 16 april 2015 Zaaknummer: F 200.154.236/01 Zaaknummer eerste aanleg: 2491291 BM VERZ 13-4546 in de zaak in hoger beroep van: [appellante] , wonende te [woonplaats ], appellante, hierna te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. F.M. van Venrooij-Nieuwenhuis, Als belanghebbende in de onderhavige zaak kunnen worden aangemerkt: Bureau Inkomensbeheer Brunssum, kantoorhoudende te [kantoorplaats], hierna te noemen: de bewindvoerder. [de moeder] , wonende te [woonplaats ], hierna te noemen: de moeder. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juni

  1. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 augustus 2014, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het bewind van de rechthebbende wordt opgeheven, althans dat de moeder tot bewindvoerder wordt benoemd, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. 2.
  3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 18 september
  4. 2.
  5. De mondelinge behandeling stond geagendeerd op 12 maart
  6. Bij die gelegenheid zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, de rechthebbende en de belanghebbenden niet verschenen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld de zaak op de stukken te kunnen afdoen. 3De beoordeling 3.
  7. Bij beschikking d.d. 28 maart 2011 heeft de rechtbank Maastricht, sector kanton, bewind ingesteld over alle goederen die aan de rechthebbende toebehoren en zullen toebehoren en Bureau Inkomensbeheer Brunssum tot bewindvoerder benoemd. 3.
  8. Bij beschikking van 28 juni 2012 heeft de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht – kort en zakelijk weergegeven – Bureau Inkomensbeheer Brunssum ontslagen van haar taken als bewindvoerder van de rechthebbende en de moeder tot bewindvoerder benoemd. 3.
  9. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht – kort en zakelijk weergegeven – de moeder ontslagen van haar taken als bewindvoerder van de rechthebbende en Bureau Inkomensbeheer Brunssum tot bewindvoerder benoemd. 3.
  10. De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  11. De rechthebbende voert – kort samengevat – het volgende aan. Destijds is voor het beschermingsbewind gekozen omdat de rechthebbende bij Mijnzicht verbleef, een opvang voor jongeren. Toeslagen, uitkeringen en het persoonsgebonden budget waren daar in beheer. Aan de jongeren werd wekelijks leefgeld uitgekeerd. Na de overstap naar Stichting Radar, waar de rechthebbende tot op heden verblijft, is het bewind automatisch doorgelopen. Op 28 juni 2012 is het bewind aan de moeder overgedragen. Hoewel de moeder op verantwoordelijke wijze het beheer over de goederen van de rechthebbende heeft uitgevoerd – schulden zijn afgelost en het bewind is gedurende anderhalf jaar zonder problemen verlopen – was zij zich er niet van bewust dat zij rekening en verantwoording diende af te leggen en een boedelbeschrijving diende op te maken. Zij heeft dit evenwel, na een verzoek daartoe van de kantonrechter, alsnog gedaan. De kantonrechter heeft kennelijk, om onbekende redenen, geen kennis genomen van de op het bezoekadres van de rechtbank ingediende rekening en verantwoording. Volgens de rechthebbende mag toch aangenomen worden dat ook post die daar niet via de postbus wordt ontvangen, toch in behandeling wordt genomen. De rechthebbende voert voorts aan dat de kosten van de bewindvoering (ad € 88,87 per maand) aanvankelijk niet werden vergoed en dat het bewindvoerderskantoor maar beperkt bereikbaar is. Dat het bewind nu bij het bewindvoerdersbureau is ondergebracht, is volgens de rechthebbende overbodig, relatief duur, tijdrovend, indirect en niet (meer) nodig. De rechthebbende woont bij Radar, krijgt haar leefgeld en, indien nodig, wat extra’s van haar moeder. Schulden zijn er niet meer en de vaste lasten worden automatisch voldaan. De rechthebbende is van mening dat zij, met de huidige begeleiding, goed in staat is zelf haar financiën te beheren. 3.
  12. Het hof overweegt het volgende. 3.6.
  13. Het verzoek van de rechthebbende strekt tot opheffing van het bewind dan wel – zo begrijpt het hof – vernietiging van de bestreden beschikking waarbij de moeder van haar bewindvoerderstaken is ontslagen en een opvolgend bewindvoerder is benoemd. 3.6.
  14. Hoewel de rechthebbende haar verzoek tot opheffing van het bewind voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, ziet het hof voldoende aanleiding om dit verzoek in behandeling te nemen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:449 lid 2 kan de (kanton)rechter immers ook ambtshalve, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen. 3.6.
  15. Het hof is van oordeel dat aan de hiervoor genoemde grond voor opheffing van het bewind is voldaan. Uit de stukken is genoegzaam gebleken dat de rechthebbende voortaan weer in staat kan worden geacht zelf haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, mede omdat zij daarbij geholpen wordt door haar moeder en de hulpverlening van Radar, de zorginstelling waar zij verblijft. Het hof gaat in dit kader ervan uit dat, zoals de rechthebbende heeft aangevoerd, de vaste lasten automatisch worden voldaan en neemt voorts in overweging dat, door het adequate bewind van het de moeder in het verleden, geen sprake (meer) is van schulden. Daarbij komt dat uit de stukken is gebleken dat de huidige bewindvoerder ermee kan instemmen dat het bewind over de goederen van de rechthebbende wordt opgeheven. 3.
  16. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juni 2014; heft het bewind over de goederen van [appellante], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], met ingang van 16 april 2015 ambtshalve op; bepaalt dat de bewindvoerder binnen drie maanden na heden eindrekening en verantwoording dient af te leggen aan de rechthebbende en een – zo mogelijk door de rechthebbende voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan de kantonrechter dient over te leggen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.