Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001395-14 Uitspraak : 26 januari 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 april 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-700660-13 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard. Hoger beroep Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest, met een beslissing over schadevergoeding voor de benadeelde partij. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht en van hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd ter onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van poging tot moord en hem ter zake van poging tot doodslag zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest, met gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde (poging tot moord, dan wel poging tot doodslag) moet worden vrijgesproken, althans dat de verdachte ter zake daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is verweer gevoerd met betrekking tot de op te leggen straf en de vordering van de benadeelde partij. Ten slotte is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair: hij op of omstreeks 10 november 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (meermalen) met een bijl, in elk geval een scherp en/of hard voorwerp, tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair: hij op of omstreeks 10 november 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een bijl, in elk geval een scherp en/of hard voorwerp, tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 10 november 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een bijl tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd (poging tot moord), zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Betrouwbaarheid verklaring verdachte d.d. 11 november 2013 De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd op 11 november 2013, voor zover die afwijkt van zijn latere verklaringen, wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs moet worden gebruikt. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat in die verklaring mogelijk sprake is geweest van bronverwarring en van “overbekennen”. Het hof stelt voorop dat de verhoren van de verdachte audiovisueel zijn geregistreerd en dat de raadsman die registraties heeft bekeken. Bij brief van 17 oktober 2014 heeft de raadsman medegedeeld dat hij niet dusdanige discrepanties tussen het gezegde en de uitwerking ervan heeft aangetroffen dat dit aanleiding geeft de opnamen ter terechtzitting te laten afspelen. Volgens de raadsman zijn wel enkele woorden niet correct weergegeven, maar niet in voor de bewijsbeslissing belangrijke passages. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de verdachte van 11 november 2013, voor zover tot bewijs gebezigd. Die verklaring is kort na het ten laste gelegde afgelegd - hetgeen naar het oordeel van het hof het risico op bronverwarring verkleint - en de verdachte heeft daarin gedetailleerd verklaard. Die verklaring vindt bovendien steun in de aangifte. Het is het hof niet gebleken dat in het verhoor sprake is geweest van een sturende of gesloten vraagstelling. De verdachte heeft in dat verhoor antwoord gegeven op concrete, open vragen van de politie zowel over hetgeen de verdachte heeft gedaan als over wat zijn beweegredenen daarbij waren. Wanneer een antwoord niet duidelijk was, heeft de politie met open vragen doorgevraagd wat de verdachte bedoelde. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat in die verklaring bij de verdachte sprake was van bronverwarring en “overbekennen”. Het hof neemt daarom, in het bijzonder wat de beweegredenen van de verdachte betreft, zijn verklaring van 11 november 2013 als uitgangspunt. Opzet op de dood De raadsman heeft - op gronden als in de pleitnota verwoord - betoogd dat de verdachte geen opzet op de dood van aangeefster heeft gehad. Het hof overweegt als volgt. Op 11 november 2013 heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard (V = vraag verbalisanten, O = opmerking verbalisanten, A = antwoord verdachte): (p. 42) V: Hoe is dat gegaan? Beschrijf gewoon eens wat er is gebeurd die avond? A: Dat ik haar weer hoorde thuiskomen en denk nu is het genoeg geweest. En toen. Ik heb al vaak tegen mijn vader gezegd hopelijk barst de bom niet bij mij. Het kan ieder moment gebeuren. Op ieder moment had het kunnen gebeuren. (p. 43) V: En nu? A: Ja, nu was het op dat moment gebeurd. V: En toen? Je hoorde haar thuiskomen? Wat deed je toen [verdachte]? A: Ja, dat gepakt. V: Wat heb je gepakt? A: Toen heb ik de bijl gepakt. (…) V: Maar je pakt de bijl en toen? A: Toen heb ik op haar ingeslagen. V: Waar was dat? Waar is dat gebeurd? A: Op het bovenste plateau. V: En toen? Heb je haar geraakt? A: Ja. V: Waar heb je haar dan geraakt? A: Eerst van achteren. Toen begon ze zich toch af te weren en toen nog een keer van voren, geloof ik. (…) V: Kun je beschrijven hoe je je voelt op dat moment als je dat doet? Hoe voelde je je vrijdag op zaterdag in de nacht? A: Pure razernij. Zo heb ik me echt nog nooit gevoeld. (…) (p. 50) O: Je staat daar je bent woedend, de deur is nog dicht. Je hoort iemand op de trap lopen. A: Ja. V: Wat is dan op dat moment je gedachte? A: Ik denk nu moet wil ik naar buiten toe. (p. 51) V: Om? A: Omdat om haar uit te schakelen om het zomaar te zeggen. (…) V: Wat bedoel je met uitschakelen? A: Gewoon om er een eind aan te maken. Want ik werd gek gewoon. (…) (p. 52) O: (…) Je hebt nog heel even met haar gesproken toen ze bovenkwam. A: Ja een paar woorden ja. O: Een paar woorden. Dus ze heeft niet aan jou gemerkt dat je zo woedend was en ze heeft kennelijk ook niet gezien dat jij de bijl bij je had. A: Nee. V: Je hebt nog gezegd. Je hebt je woede kunnen verbergen en je hebt gewacht dat ze zich omdraaide. A: Ja, ja. V: Bedoel je? A: Dat ze naar het sleutelgat ging. (…) (p. 53) V: Waarom heb je daarop gewacht? A: Om ja, omdat ja als ze mij zou zien dacht ik dan zou ze mij nog kunnen ontwijken. (…) O: Dus dat het een verrassingsaanval was zou ik maar zeggen. (…) A: Ja. (p. 54) O: (…) Maar op dat moment toen jij de eerste slag gaf. V: Wat was daar de bedoeling van? A: Dat ik helemaal gedreven tot waanzin …… O: Ja, ja. V: Maar wat was je doel op dat moment tot haar? A: Dat ik er een eind aan wilde maken. V: Waaraan? A: Aan de buurvrouw zeg maar. Op 18 november 2013 heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard: (p. 59) O: Je verklaarde eerder je buurvrouw met deze bijl geslagen te hebben. V: Hoe ging dit? A: Ik kwam naar buiten en had de bijl vast. (…) Ik had de zak om de bijl heen gedraaid. Ik had dus de plastic [zak] in mijn handen en de bijl zat in de zak. De bijl zat geheel in de zak. Ik hield de bijl in mijn rechterhand. Ik hield de bijl voor mij vast. Ik stapte mijn voordeur uit en de buurvrouw was al boven. Ze deed heel laconiek alsof er niets aan de hand was terwijl het de dag van te voren weer, en dan spreek ik nog niet over de afgelopen jaren. Toen zag ik dat de buurvrouw zich omdraaide en haar deur open wilde maken. Ik tilde mijn rechterarm omhoog. Ik maakte een slaande beweging met mijn rechterarm. (…) V: Waar raakte je haar met de eerste slag? A: Achter op de kop. (…) En na de eerste slag draaide ze zich om en toen raakte ik haar nog eventjes. V: Waar raakte je haar? A: Van voren op de kop. (p. 60) V: En toen? A: Ze weerde zich af. En toen wilde ik haar tegenhouden (…). Ik zag dat ze naar de trap liep en toen schrok ik van wat ik had gedaan. (…) V: Hoe vaak heb jij geslagen? A: (…) Ik kan me twee keer herinneren. Eén keer voor op de kop en één keer achter op de kop. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2015 verklaard dat hij aangeefster tweemaal met de scherpe kant van de bijl heeft geslagen. Het hof stelt vast dat de verdachte in hevige woede, naar eigen zeggen in pure razernij, aangeefster tweemaal met de scherpe kant van een bijl op het hoofd heeft geslagen. De verdachte heeft de eerste slag bewust uitgedeeld op een moment waarop aangeefster zich had omgedraaid om de toegangsdeur van haar appartement te openen en dus met haar rug naar hem toe stond, zodat zij die slag niet zou kunnen ontwijken. Aangeefster werd door die eerste slag op haar achterhoofd geraakt. Toen zij zich daarna omdraaide en zich verzette, heeft de verdachte nogmaals met de scherpe kant van de bijl op haar hoofd geslagen, ditmaal op haar voorhoofd. Aangeefster is vervolgens weggevlucht. Blijkens een geneeskundige verklaring was er bij aangeefster sprake van uitwendig bloedverlies en heeft zij snijverwondingen aan haar achterhoofd (circa 5 centimeter) en voorhoofd (circa 10 centimeter) opgelopen (p. 153). Bij aanvullend onderzoek is voorts gebleken van een cortexonderbreking frontaal (p. 155). Het slachtoffer (aangeefster) verklaart dat zij een hersenscan heeft gehad en dat ter hoogte van de wond op het hoofd een stukje in de schedel is geraakt (verklaring d.d. 10 november 2013, p. 138). De door de verdediging ingeschakelde forensisch arts W. Duijst schrijft in een rapport van 22 mei 2014 (door de raadsman aan zijn pleitnota gehecht) dat zij op grond van de verklaring van het slachtoffer gecombineerd met de summiere gegevens over de CT-scan veronderstelt dat een inkeping zit in het bot van het schedeldak. Zij concludeert dat de verwondingen erop duiden dat het hoofd niet met grote kracht is geraakt, echter wel met enige kracht gezien het feit dat het bot is beschadigd (cortex-onderbreking). De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij aangeefster wilde uitschakelen (p. 51) en dat hij een “eind wilde maken aan de buurvrouw” (p. 54). Het hof leidt uit deze verklaring van de verdachte - in samenhang met de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen - af, dat de verdachte het oogmerk heeft gehad aangeefster van het leven te beroven. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte - het tweemaal met de scherpe kant van een bijl slaan op het hoofd, zijnde een deel van het lichaam waarin zich kwetsbare en vitale organen bevinden - geëigend waren om de dood te laten intreden en dat er een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. Uit de omstandigheid dat de verdachte in razernij heeft gehandeld en de bedoeling had om aangeefster uit te schakelen en een einde aan haar te maken, leidt het hof af dat de verdachte ten minste met enige kracht heeft geslagen. Dit laatste volgt ook, overeenkomstig de conclusie van forensisch arts W. Duijst, uit het feit dat de cortex op het hoofd is beschadigd. Het enkele feit dat het letsel van aangeefster in dit geval relatief beperkt is gebleven, dwingt niet tot een ander oordeel. Begin van uitvoering en vrijwillige terugtred De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering van doodslag. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is poging tot een misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens bestendige rechtspraak is daarvan sprake indien de bewezen verklaarde feitelijke handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Het hof is van oordeel dat de feitelijke handelingen van de verdachte - het tweemaal met de scherpe kant van een bijl slaan op het hoofd - gedragingen zijn die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van doodslag. Er was derhalve sprake van een begin van uitvoering. De raadsman heeft voorts betoogd dat er bij de verdachte sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Zoals hiervoor overwogen, was het door de verdachte tweemaal met de scherpe kant van een bijl slaan op het hoofd, waarbij aangeefster op het achter- en voorhoofd werd geraakt, geëigend om de dood te laten intreden. Er is daarmee sprake van een zogenaamde voltooide poging. In geval van een voltooide poging is vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten. Of gedragingen van een verdachte de gevolgtrekking wettigen dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een voltooide poging voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169). Nu in de onderhavige zaak geen sprake is van een optreden van de verdachte dat naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van de dood van aangeefster te beletten, is er geen sprake van vrijwillige terugtred. Dit wordt niet anders doordat de verdachte, zoals de raadsman heeft aangevoerd, aangeefster niet tijdens haar vlucht nogmaals met de bijl heeft geslagen of haar van de trap heeft geduwd. Voorbedachte raad Er is naar het oordeel van het hof geen bewijs voorhanden dat de verdachte de bijl in zijn woning heeft klaargelegd met het vooropgezette plan om aangeefster van het leven te beroven. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de bijl bewaarde in de muurkast naast het toilet, omdat hij daar alle gereedschap bij elkaar bewaart (p. 45 en 58). Het hof ziet geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. Dit wordt niet anders door de verklaring van de verdachte dat hij al vaker tegen zijn vader had gezegd dat hij hoopte dat de bom bij hem niet zou barsten en dat het ieder moment kan gebeuren, aangezien daaruit geen besluit tot levensberoving van aangeefster kan worden afgeleid. Op grond van de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat hij het besluit tot levensberoving van het slachtoffer heeft genomen op het moment waarop hij van het toilet kwam en vanuit zijn woning hoorde dat beneden de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex - in zijn beleving - werd dichtgegooid. De verdachte heeft toen een bijl gepakt uit de muurkast naast het toilet en daar een plastic zak omheen gedaan. Hij heeft vervolgens de deur van zijn appartement geopend en zag toen dat aangeefster via de trap naar boven kwam gelopen. De verdachte heeft kort met haar gesproken en toen zij zich omdraaide om de deur van haar appartement te openen, heeft hij haar met de bijl geslagen. Weliswaar heeft de verdachte in sommige opzichten rationeel gehandeld - hij heeft de bijl bewust in een plastic zak gedaan om te voorkomen dat aangeefster die zou zien en zou wegvluchten en hij heeft bewust de eerste bijlslag uitgedeeld toen aangeefster met haar rug naar hem toe stond - maar het hof acht dit niet doorslaggevend voor de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof is namelijk van oordeel dat zich twee contra-indicaties voor voorbedachte raad voordoen, te weten de tijdspanne waarin een en ander zich heeft voltrokken en de gemoedstoestand waarin de verdachte op dat moment verkeerde. Het hof heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op de volgende passages uit de verklaringen van de verdachte van 11 november 2013: (p. 45) V: Op dat moment kom je van de wc af en ben je in de gang en dan hoor je haar of iemand de trap op komen. En wat doe je dan [verdachte]? A: Toen ontplofte ik gewoon. Ik denk dat gaat weer beginnen. Heb ik mijn muurkast open gedaan en [de bijl] in een plastic zak gedaan. (…) V: En toen? A: Toen zag ik haar aankomen toen ik de deur opendeed. (…) (p. 46) V: Heb jij nog met haar gesproken van te voren? A: Ik heb nog heel even wat gezegd (…) V: Had ze in de gaten dat jij kwaad was? A: Nee. Ik hield me even in en toen kon ik niet meer. (…) A: Er knapte wat in me. (…) (p. 49) O: (…) Dus je gaat naar het toilet en dan kom je van het toilet af. V: En dan? A: Toen hoorde ik de deur beneden dicht gaan. (…) A: Toen ehh ik denk nu nu toen ehh werd ik echt om het zomaar eens te zeggen een betere bewoording gedreven tot waanzin. V: Ja. A: Ik denk want dat gaat dadelijk weer gebeuren. Ik ken eh. En toen, toen kwam die razernij. Toen pakte ik het eerste wat ik had. V: En dat was? A: Dat was [de] bijl he. (…) (p. 51) A: Toen dacht ik al dat ze halverwege was ik denk even kijken of het zo is maar toen was ze al op hetzelfde pad toe. (…) A: Ze was sneller dan ik dacht. (…) (p. 55) V: Heb je nog lang op de gang gewacht bij jou, voordat je naar buiten gaat? A: Nee, want ik zei al ze was sneller boven dan …. V: Ze was sneller boven, Oké. Hieruit blijkt dat er sprake was van een betrekkelijk korte tijdspanne tussen het besluit tot levensberoving (bij het horen van het dichtslaan van de centrale toegangsdeur) en de uitvoering daarvan (het slaan met de bijl). Het hof gaat uit van een tijdspanne van ten hoogste enkele tientallen seconden, waarbij in aanmerking wordt genomen dat het spreken met aangeefster niet meer was dan het wisselen van enkele woorden. Uit de verklaring van de verdachte blijkt tevens dat de besluitvorming en uitvoering daarvan in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, waaraan niet afdoet dat deze drift voor aangeefster niet uiterlijk waarneembaar was. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verdachte dat hij - zoals hij het zelf heeft omschreven - “gewoon ontplofte”, dat er “iets in hem knapte”, dat hij werd “gedreven tot waanzin”, dat “toen die razernij kwam” en dat hij zich bij het praten met aangeefster even inhield en “toen niet meer kon”. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Met de advocaat-generaal en de raadsman en anders dan de rechtbank acht het hof daarom niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van poging tot moord. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als: poging tot doodslag. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf De raadsman heeft bepleit dat het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn toenmalige buurvrouw door haar tweemaal met een bijl op het hoofd te slaan. Met de eerste slag heeft hij bewust gewacht totdat het slachtoffer met haar rug naar hem toestond, zodat zij de slag niet kon ontwijken. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel aan haar hoofd en armen opgelopen. Er is sprake van een blijvend litteken. Daarnaast heeft zij aanzienlijk psychisch letsel opgelopen. Het slachtoffer heeft, zoals hierna nader zal worden overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, te kampen met nachtmerries, herbelevingen, concentratiestoornissen en angstklachten. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, en de aanzienlijke gevolgen voor het slachtoffer kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof houdt anderzijds rekening met de inhoud van de rapporten van gezondheidszorgpsycholoog drs. T. ’t Hoen en psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser, beide opgemaakt op 18 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.