GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummers HD 200.121.562/01 en HD 200.137.557/01 arrest van 28 april 2015 in de zaak met zaaknummer HD 200.121.562/01 van [appellant] , wonende te [woonplaats], Thailand, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant], advocaat: mr. H.C. Ingelse te Maastricht, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 maart 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingslocatie Maastricht, onder zaaknummer 152838/HA ZA 10-777 gewezen vonnis van 23 januari 2013, en in de zaak met zaaknummer HD 200.137.557/01 van [appellant] , wonende te [woonplaats], Thailand, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant], advocaat: mr. H.C. Ingelse te Maastricht, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 februari 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingslocatie Breda onder zaaknummer 263033 HA ZA 13-298 gewezen vonnis van 6 november 2013. 1Het verloop van de procedure met zaaknummer HD 200.121.562/01 Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 12 maart 2013, gewezen in het incident strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, althans tot het stellen van zekerheid; de akte van [appellant] met één productie; de akte van [geïntimeerde]; de antwoordakte van [geïntimeerde] met één productie; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties; de memorie van antwoord in incidenteel appel met één productie; de pleitnota’s in het schriftelijk pleidooi, ieder met één productie; de akte van [geïntimeerde]; Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 2Het verloop van de procedure met zaaknummer HD 200.137.557/01 Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 18 februari 2014, gewezen in het incident strekkende tot voeging van de onderhavige zaak met de zaak met zaaknummer HD 200.121.562/01; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met wijziging van eis en met producties; de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte in principaal appel met producties; de pleitnota’s in het schriftelijk pleidooi, ieder met één productie; 3De verdere beoordeling van beide zaken in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. Het gaat in het hoger beroep in beide zaken om het volgende. 3.1.1. Partijen zijn broers. Zij hebben in het verleden samen het beheer gevoerd over een aantal aan hen gezamenlijk in eigendom toebehorende panden. In de negentiger jaren van de vorige eeuw zijn partijen met elkaar in conflict geraakt en hebben zij hun samenwerking beëindigd. 3.1.2. Partijen waren gerechtigd in het pand [adres 1] in [plaats 1]. Dat pand is in 1994 verkocht aan een derde. De verkoopopbrengst, groot fl. 76.694,98 (€ 34.802,66) is in depot gebleven bij notaris [notaris 1] omdat partijen het niet eens waren over de financiële afwikkeling tussen hen beiden met betrekking tot de periode mei 1992 tot september 1996. Die financiële afwikkeling betrof de verrekening van de inkomsten en uitgaven in de genoemde periode van de gezamenlijk door hen geëxploiteerde panden, waaronder begrepen de opbrengst van de verkoop van een viertal panden, te weten: - [adres 2] [plaats 1]: - [adres 3] [plaats 1]; - [adres 4] [plaats 1]; - het genoemde pand [adres 1] [plaats 1]. 3.1.3. Partijen zijn overeengekomen hun geschil over de financiële afwikkeling over de genoemde periode bij wege van bindend advies vast te doen stellen door de registeraccountant drs. [registeraccountant]. Deze heeft zijn bindend advies uitgebracht op 17 oktober 1996 (productie 1 inleidende dagvaarding). Het advies resulteert in een betalingsverplichting van [geïntimeerde] jegens [appellant] per 1 september 1996 van fl. 58.323,33 (€ 26.465,97). 3.1.4. Het bindend advies heeft geen einde gemaakt aan de geschillen tussen partijen. Om die reden heeft [appellant] [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht. Hij vorderde (voor zover thans van belang) dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag van fl. 58.323,33 en tot betaling van een bedrag van fl. 2.800,- (huurpenningen over de periode 1 september 1996 tot 1 januari 1997), in totaal fl. 61.123,33. De rechtbank heeft deze vordering bij deelvonnis van 11 februari 1999 toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] fl. 61.123,33 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 1996 tot de dag der voldoening. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend zodat het onherroepelijk is geworden. 3.1.5. Het vonnis van 11 februari 1999 heeft evenmin een einde kunnen maken aan de geschillen tussen partijen. Zij twisten over de uitleg van het vonnis en van het bindend advies en er zijn nieuwe geschillen opgeworpen. Tot de thans nog bestaande geschillen behoort onder meer de vraag of de afrekening van de gebrs. [gebroeders] (betrekking hebbend op de verkoop van het pand [adres 5] te [plaats 1]; in verband met die transactie is een bedrag van fl. 90.455,81 gestort op de rekening van mr. Van Dooren, de toenmalige raadsman van [appellant]) is betrokken in het bedrag dat is genoemd in het bindend advies en in het vonnis van 11 februari 1999. Tot de geschilpunten tussen partijen hoort ook de uitbetaling van het depot dat notaris [notaris 2] onder zich houdt. Dat depot heeft betrekking op de verkoop door [geïntimeerde] van het pand [adres 6] in [plaats 1] aan een derde. Een deel van de verkoopopbrengst, groot fl. 60.000,- is in depot gebleven bij notaris [notaris 2]. [appellant] stelt zich verder op het standpunt dat hij vanwege de exploitatie van de panden in [plaats 1], buiten het bedrag genoemd in het vonnis van 11 februari 1999, nog diverse bedragen van [geïntimeerde] te vorderen heeft, hetgeen door [geïntimeerde] wordt betwist. In de zaak met zaaknummer HD 200.121.562/01: 3.2. In deze zaak vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg: 1. de veroordeling van [appellant] om met [geïntimeerde] over te gaan tot verdeling van het onder notaris [notaris 1] berustende depot in deze zin dat aan [geïntimeerde] toekomt en wordt uitbetaald een bedrag van € 15.130,73 en aan [appellant] een bedrag van € 34.213,99, vermeerderd met de helft van de na 17 maart 2010 opgebouwde depotrente, en voor zoveel nodig te bepalen dat notaris [notaris 1] gemachtigd is tot voornoemde uitbetaling over te gaan; 2. te bepalen dat [geïntimeerde] enig rechthebbende is op het zich onder notaris [notaris 2] bevindende depot, subsidiair [appellant] te veroordelen om met [geïntimeerde] over te gaan tot verdeling van genoemd depot in deze zin dat het gehele depot met rente aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld en uitbetaald, met machtiging van notaris [notaris 2] om tot uitbetaling over te gaan; 3. [appellant] te veroordelen in de proceskosten. 3.3. De rechtbank heeft deze vorderingen van [geïntimeerde] in het vonnis waarvan beroep toegewezen. Door [appellant] was een reconventionele vordering ingesteld; in die vordering is hij niet-ontvankelijk verklaard. Die reconventionele vordering is in hoger beroep niet aan de orde gesteld. 3.4. [appellant] heeft 18 grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. De grieven 1 tot en met 14 hebben betrekking op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de afrekening van het depot bij notaris [notaris 1], grief 15 heeft betrekking op de beslissing met betrekking tot het depot bij notaris [notaris 2], grief 16 betreft de proceskosten en grief 17 betreft de uitvoerbaarheid bij voorraad/zekerheidsteling. Grief 18 is een zogenaamde veeggrief zonder zelfstandige betekenis. Het incidenteel appel van [geïntimeerde] bevat een eiswijziging: hij vordert de opheffing van het executoriaal beslag op het depot bij notaris [notaris 2]. Tegen deze eiswijziging is geen bezwaar gemaakt. De eiswijziging is in zoverre toelaatbaar. Het hof zal de geschilpunten in deze zaak achtereenvolgens beoordelen. 3.5. Het depot bij notaris [notaris 1]. 3.5.1. Bij de beoordeling van de grieven die betrekking hebben op de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het depot bij notaris [notaris 1] stelt het hof de volgende uitgangspunten voorop : - de berekening in het bindend advies van accountant [registeraccountant] resulteert in een betalingsverplichting van [geïntimeerde] aan [appellant] van fl. 58.323,33. Bij onherroepelijk vonnis van 11 februari 1999 is [geïntimeerde] veroordeeld het door de bindend adviseur berekende bedrag aan [appellant] te betalen. Dit vonnis heeft tussen partijen gezag van gewijsde; . [geïntimeerde] heeft hierop beroep gedaan. Dit geldt niet alleen de einduitkomst maar ook de (wijze van) berekening die aan de einduitkomst ten grondslag ligt. De rechtbank heeft dit terecht in die zin beslist; - uit het voorgaande vloeit voort dat het aandeel van “[stiefmoeder]” (de stiefmoeder van partijen die net als partijen voor 1/3 deel gerechtigd was in het pand [adres 3] in [plaats 1]) toegerekend moet worden aan [geïntimeerde]. Dat is immers expliciet in de berekening van de bindend adviseur tot uitgangspunt genomen. Deze toerekening is niet gegrond op een volmacht van [stiefmoeder] aan [geïntimeerde], zodat hetgeen door [appellant] wordt gesteld over het einde van de volmacht vanwege het overlijden van [stiefmoeder] niet relevant is. 3.5.2. Het beroep van [appellant] op de exceptio plurium litis consortium (grief 1) wordt verworpen. De bindend adviseur heeft immers vastgesteld dat het aandeel in dit depot van de derde is begrepen in het aandeel van [geïntimeerde]. Aan deze vaststelling is [appellant] gebonden. Er is derhalve in de onderlinge relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] geen sprake van medegerechtigdheid van een derde. Op basis van de voormelde uitgangspunten falen de grieven 1 tot en met 4 van [appellant]. Deze grieven behoeven geen verdere bespreking. Het beroep van [appellant] op de onaanvaardbaarheid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van zijn binding aan het bindend advies (grief 5) wordt verworpen. Een beweerde fout in de post ‘huur [adres 7] [plaats 2]’ is daartoe ontoereikend.Daartoe is eveneens ontoereikend de stelling dat [geïntimeerde] voor [appellant] heeft verzwegen dat er meer huurinkomsten waren uit ‘[adres 7] [plaats 2]’. Uit de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord overgelegde stukken volgt dat [appellant] daarvan op de hoogte was voorafgaand aan het vonnis van 11 februari 1999. Hij heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien om dat in die procedure aan de orde te stellen en evenmin om in hoger beroep te komen (om eigen fouten te herstellen en om bewijs te leveren) of om een procedure tot herroeping aanhangig te maken. [appellant] heeft dezelfde argument aangevoerd voor zijn beroep op de nietigheid/vernietigbaarheid van het bindend advies. Het hof verwerpt dat op dezelfde gronden. Overigens acht het hof de stelling van [appellant] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem te houden aan het bindend advies, in tegenspraak met zijn stelling (randnummer 6.4 in zijn pleitnota) dat hij erkent aan het bindend advies gebonden te zijn. 3.5.3. De grieven 6 en 7 zijn in zoverre terecht voorgedragen dat [appellant] er terecht op heeft gewezen dat het bedrag van fl. 90.455,81 dat afkomstig was van de gebrs. [gebroeders] en gestort is op de rekening van mr. Van Dooren, géén deel uitmaakt van de berekening van de bindend adviseur en evenmin van het vonnis van 11 februari 1999. In het bindend advies wordt omtrent de “schadevergoeding [gebroeders]” slechts (in bijlage 6) vermeld dat aangenomen is dat ieder van partijen 50% van dat bedrag rechtstreeks op zijn rekening gestort zal krijgen. Vast staat dat dit niet is gebeurd. In geschil tussen partijen is dat – in de visie van [appellant] – rekening gehouden moet worden met de declaraties van mr. Van Dooren die betrekking hebben op de kwestie [gebroeders]. Zijn elfde grief heeft hierop betrekking. Deze kosten worden door hem gevorderd in de gevoegde zaak met zaaknummer HD 220.157.557/01. Die vordering wordt aldaar afgewezen. [appellant] heeft mitsdien geen belang bij grief 11. 3.5.4. Eveneens terecht is door [appellant] aangevoerd dat verrekening van door [geïntimeerde] verschuldigde bedragen met diens aandeel in de gelden van de gebrs. [gebroeders] (nog) niet heeft plaatsgevonden. Die conclusie kan in ieder geval niet worden getrokken uit de brief van mr. Van Dooren d.d. 22 oktober 1996 (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Die brief bevat niet meer dan een voorstel van mr. Van Dooren (de toenmalige raadsman van [appellant]) aan mr. Stollenwerck (de toenmalige raadsman van [geïntimeerde]) om het bedrag dat [geïntimeerde] diende te voldoen volgens de berekening van de bindend adviseur (fl. 58.323,33) te verrekenen met het (aandeel van [geïntimeerde] in het) bedrag van de gebrs. [gebroeders] en in het depot bij notaris [notaris 1]. Uit het antwoord van mr. Stollenwerck d.d. 10 februari 1998 (productie 28 bij memorie van grieven) leidt het hof af dat de verrekening zoals voorgesteld nimmer heeft plaatsgevonden. Andere feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de aanspraak van [geïntimeerde] op de gelden van de gebrs. [gebroeders] reeds zou zijn verrekend, zijn niet gesteld of gebleken. 3.5.5. Overigens wordt van het hof geen beslissing gevraagd omtrent de gelden van de gebrs. [gebroeders]; noch het petitum in eerste aanleg noch het petitum in hoger beroep bevat een vordering op dit punt. De grieven kunnen mitsdien niet leiden tot een ander dictum. 3.5.6. Grief 8 van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat door [geïntimeerde] géén wettelijke rente over het bedrag van fl. 61.1234,33, genoemd in het vonnis van 11 februari 1999, is verschuldigd, omdat verrekening heeft plaatsgevonden met het aandeel van [geïntimeerde] in het depot bij notaris [notaris 1] en in de gelden van de gebrs. [gebroeders]. De rechtbank baseerde dat oordeel op de briefwisseling tussen de raadslieden Van Dooren en Stollenwerck die hiervoor is gememoreerd. Zoals reeds is overwogen kan een verrekenafspraak niet uit de bedoelde correspondentie worden afgeleid. In de brief van mr. Van Dooren ligt evenmin een verrekenverklaring besloten; er wordt louter een voorstel gedaan. Dit neemt niet weg dat partijen hadden afgesproken dat het bedrag van fl. 79.694,98 nu juist bij notaris [notaris 1] in depot zou blijven totdat duidelijkheid zou bestaan over de financiële afwikkeling tussen partijen ter zake van de periode mei 1992 tot september 1996. Die duidelijkheid is gekomen met het bindend advies van 17 oktober 1996. Een redelijke uitleg van deze afspraak tussen partijen brengt mee dat zij hebben beoogd de hoogte van ieders aandeel in het depot bij notaris [notaris 1] te laten afhangen van de uitkomst van de berekening van de bindend adviseur inzake de exploitatie gedurende de periode mei 1992 tot september 1996. Notaris [notaris 1] heeft aan die afspraak ook uitvoering gegeven door een berekening te maken van ieders aandeel in het depot, met dien verstande dat [appellant] zich met die berekening niet kan verenigen. Het voorgaande betekent dat – voor zover het aandeel van [geïntimeerde] in het depot bij notaris [notaris 1] toereikend is – verrekening kan plaatsvinden met het door hem verschuldigde bedrag ad fl. 58.323,33 dat door de bindend adviseur is berekend. Voor het overige is door [geïntimeerde] wettelijke rente verschuldigd over het bedrag waartoe hij in het vonnis van 11 februari 1999 is veroordeeld, met dien verstande dat géén wettelijke rente verschuldigd is voor zover deze ingevolge artikel 3:324 lid 3 BW is verjaard, nu [geïntimeerde] zich uitdrukkelijk op die verjaring heeft beroepen. Tussen partijen staat vast dat het vonnis van 11 februari 1999 op 21 juni 2011 aan [geïntimeerde] is betekend en dat bij die gelegenheid voor het eerst door [appellant] aanspraak is gemaakt op betaling van de in het genoemde vonnis van 11 februari 1999 vastgestelde wettelijke rente. Dit betekent dat door [geïntimeerde] wettelijke rente moet worden voldaan over het bedrag dat resteert van het bedrag van fl. 61.123,33 waartoe hij bij voormeld vonnis is veroordeeld ná verrekening met zijn aandeel in het depot bij notaris [notaris 1], dit vanaf 21 juni 2011. In zoverre is grief 8 gegrond. Ditzelfde geldt voor grief 9. 3.5.7. Nu het primair door [geïntimeerde] aangevoerde verjaringsverweer wordt gehonoreerd hoeft het hof geen oordeel te geven omtrent de subsidiair aangevoerde verweren van [geïntimeerde], inhoudende dat [appellant] in strijd met zijn schadebeperkingsplicht heeft gehandeld, zijn recht verwerkt heeft, misbruik van zijn recht maakt en in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. 3.5.8. De tiende grief van [appellant] richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van zijn beroep op verrekening met allerhande posten die onderwerp zijn van de hierna te beoordelen procedure met zaaknummer HD 200.137.557/01. Deze grief faalt. De rechtbank heeft terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:136 BW. De gegrondheid van het verrekenverweer is niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Hierbij komt nog dat [appellant] geen belang heeft bij zijn grief: na verrekening met (een deel van) de schuld van [geïntimeerde] ingevolge het vonnis van 11 februari 1999 met het aandeel van [geïntimeerde] in het depot resteert er voor [geïntimeerde] niets meer waarmee nog verrekend zou kunnen worden. 3.5.9. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het depot bij notaris [notaris 1] niet in stand kan blijven. Het hof zal opnieuw recht doen en de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot dit depot alsnog afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen om hetgeen hij ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep heeft ontvangen, terug te storten op de derdengeldrekening van notaris [notaris 1]. Partijen zullen zelf een nieuwe berekening moeten maken van hetgeen zij over en weer van elkaar te vorderen hebben, rekening houdend met de hiervoor gegeven oordelen; er is immers door [geïntimeerde] geen herberekening aan het hof gevraagd. [appellant] vordert weliswaar dat het hof een deskundige zal benoemen en (zo begrijpt het hof) een algehele verdeling tussen partijen zal vaststellen, maar in die vordering is hij niet-ontvankelijk aangezien een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv). Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist behoeven de grieven 12 tot en met 14 geen bespreking meer. 3.6. Het depot bij notaris [notaris 2]. 3.6.1. Het depot bij notaris [notaris 2] betreft een bedrag van fl. 60.000,-, zijnde een deel van de verkoopopbrengst van het pand [adres 6] te [plaats 1]. De rechtbank heeft, op vordering van [geïntimeerde], voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de enige rechthebbende is op het hier bedoelde bedrag en heeft bepaald dat het bedrag, met rente, aan [geïntimeerde] moet worden uitbetaald. 3.6.2. [appellant] heeft executoriaal beslag gelegd op het depot. [geïntimeerde] heeft in kort geding opheffing van dit beslag gevorderd. Die vordering is in hoger beroep door dit hof afgewezen (arrest d.d. 22 januari 2013, productie 23 bij memorie van grieven). 3.6.3. In hoger beroep is niet meer in geschil dat [geïntimeerde] bij de verkoop van het pand [adres 6] te [plaats 1] enig eigenaar was ([appellant] erkent dit met zoveel woorden onder randnummer 4 van zijn memorie van grieven), hetgeen betekent dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] de enige rechthebbende is op het depot bij notaris [notaris 2]. 3.6.4. Grief 15 van [appellant] komt erop neer dat hij meent aanspraak te kunnen maken op (een deel van) het hier bedoelde depot in verband met de tegenvorderingen die hij op [geïntimeerde] heeft (het hof begrijpt: de tegenvorderingen die in de procedure met zaaknummer HD 200.137.557/01 aan de orde zijn gesteld). Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat voor verrekening geen plaats is omdat, zoals reeds is overwogen, de tegenvorderingen van [appellant] niet op eenvoudige wijze zijn vast te stellen. Weliswaar heeft [appellant] een vordering op [geïntimeerde] uit hoofde van het vonnis van 11 februari 1999, maar uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het depot bij notaris [notaris 1] is overwogen volgt dat niet eenvoudig is vast te stellen wat het restant is van die vordering na verrekening met het aandeel van [geïntimeerde] in het depot bij notaris [notaris 1]. 3.6.5. [appellant] beroept zich ook nog op een vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten bij gelegenheid van de behandeling van een kort geding op 30 juli 1998 (productie 3 bij conclusie van antwoord eerste aanleg). Die overeenkomst komt erop neer dat het bedrag van fl. 60.000,- in depot blijft in afwachting van een nieuw bindend advies omtrent hetgeen partijen over en weer van elkaar te vorderen hebben. Hieromtrent overweegt het hof dat vast staat dat van een nieuw bindend advies ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst geen sprake is geweest. Partijen hebben er kennelijk voor gekozen hun geschillen aan de gewone rechter voor te leggen. Het beroep van [appellant] op de hier bedoelde vaststellingsovereenkomst kan hem dan ook niet baten. De conclusie is dat grief 15 faalt. 3.7. Grief 16 heeft betrekking op de proceskosten in eerste aanleg. Het hof ziet aanleiding om, nu ieder van partijen deels in het ongelijk wordt gesteld, de proceskosten van de eerste aanleg te compenseren. In zoverre is grief 16 gegrond. Ook de kosten van het hoger beroep (in principaal appel) zullen worden gecompenseerd. 3.8. Grief 17 heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en tot afwijzing van de gevorderde zekerheidstelling. Op dit punt is door het hof reeds beslist bij tussenarrest van 12 maart 2013. Er is geen grond om op de beslissingen in dat tussenarrest terug te komen. Grief 17 faalt dan ook. 3.9. Grief 18 faalt. Anders dan [appellant] stelt heeft [geïntimeerde] wel degelijk gevorderd dat de notaris wordt gemachtigd. Verwezen wordt naar de laatste zinsnede van de tweede vordering in de inleidende dagvaarding. 3.10. Het beslag. 3.10.1. [geïntimeerde] vordert in incidenteel appel (opnieuw) opheffing van het executoriaal beslag dat door [appellant] is gelegd op het depot bij notaris [notaris 2]. 3.10.2. Het hof ziet geen aanleiding thans anders te beslissen dan in het hiervoor genoemde arrest van dit hof van 22 januari 2013. Vast staat dat [appellant] van [geïntimeerde] een bedrag te vorderen heeft ingevolge het (onherroepelijke) vonnis van 11 februari 1999 en dat die vordering slechts ten dele kan worden verhaald op het aandeel van [geïntimeerde] in het depot bij notaris [notaris 1]. Dit betekent dat de vordering tot opheffing van het beslag onder notaris [notaris 2] niet toewijsbaar is. [geïntimeerde] dient in de kosten van het incidenteel appel te worden veroordeeld. In de zaak met nummer HD 200.137.557/01: 3.11. [appellant] vorderde in deze zaak in eerste aanleg (na wijzigingen van eis): primair: [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 28.867,53, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 24.536,09 vanaf 1 april 2012 en over een bedrag van € 4.331,44 vanaf 17 februari 1998, subsidiair: a. de primair genoemde vorderingen vast te stellen als natuurlijke verbintenis (met het oog op artikel 6:131 lid 1 BW), b. voor recht te verklaren dat deze vorderingen als verrekenverweer kunnen dienen (in de zin van artikel 6:136 BW), primair en subsidiair: [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van het vonnis, en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen 14 dagen na datum van het vonnis zijn voldaan. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg in reconventie, samengevat, dat [appellant] wordt veroordeeld het conservatoir derdenbeslag op het notarieel depot [notaris 2] binnen twee dagen na betekening van het vonnis op te heffen op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag tot een maximum van € 50.000,--, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.12. Het door [appellant] in conventie gevorderde bedrag van € 28.867,53 heeft betrekking op de volgende posten: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.