GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.157.825/01 arrest van 2 juni 2015 in de zaak van Aviation Cosmetics B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, hierna aan te duiden als Aviation, advocaat: mr. R. Janssen te Helmond, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk, geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. M. Zwagerman te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van de volgende uitspraken: de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 gewezen tussen [geïntimeerde] als verzoeker en Aviation als verweerder (zaaknummer 2372701 en rolnummer 13-765); het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2014, gewezen tussen Aviation als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (zaaknummer 2858838 en rolnummer 14-3055). 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de bovengenoemde uitspraken, alsmede naar het tussenvonnis van 10 juli 2014. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met twee bijlagen; de memorie van grieven met dertien bijlagen; de memorie van antwoord; het pleidooi van 9 april 2015, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. Het hof heeft bij vervroeging arrest bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In de beschikking waarvan beroep van 9 januari 2014 heeft de kantonrechter in de overwegingen 2.1 tot en met 2.7 feiten weergegeven. Deze feitenvaststelling is door Aviation op onderdelen bestreden. [geïntimeerde] heeft hetgeen Aviation in dit verband heeft aangevoerd niet inhoudelijk weersproken. Het hof zal de relevante feiten hierna weergeven, waarbij rekening wordt gehouden met wat Aviation in dit verband heeft aangevoerd en waarbij de feiten op onderdelen zijn aangevuld. Aviation is een bedrijf dat vliegtuigen van een nieuw uiterlijk voorziet. In dat kader vinden onder meer schilderwerkzaamheden aan de buitenzijde van vliegtuigen plaats. [geïntimeerde] heeft vanaf 14 mei 2010 via het Britse uitzendbureau Roevin Management Services Ltd. bij Aviation gewerkt. Zijn werk hield onder meer in het verwijderen van oude verflagen van vliegtuigen. Op vrijdag 24 augustus 2012 is [geïntimeerde] met een collega naar een kroeg gegaan, waar [geïntimeerde] alcohol heeft gedronken en softdrugs heeft gebruikt. Op zaterdag 25 augustus 2012 is [geïntimeerde] om 09.00 uur met zijn werkzaamheden bij Aviation begonnen. Hij had de opdracht gekregen een vliegtuig met een afbijtmiddel te bespuiten. Hij heeft daarvoor een verfspuit gebruikt. Deze spuit lekte. [geïntimeerde] is via een rolsteiger bij de staart van het vliegtuig op het vliegtuig geklommen. Hij is vervolgens met de verfspuit over de romp naar de neus van het vliegtuig gelopen. [geïntimeerde] is om ongeveer 11.30 uur uitgegleden en is vervolgens van een hoogte van ongeveer vijf meter op de grond gevallen. Na het ongeval is [geïntimeerde] door de heer [sales manager Aviation], sales manager bij Aviation, naar het ziekenhuis gebracht. [geïntimeerde] heeft daar in het bijzijn van [sales manager Aviation] aan de behandelend anesthesist verteld dat hij de vorige avond/nacht alcohol en drugs had gebruikt. Bij [geïntimeerde] werden een fractuur van het rechterhielbeen, een fractuur van de linker elleboogknop en een luxatie van de linker elleboog geconstateerd. [geïntimeerde] is aan zijn rechtervoet geopereerd en de breuk van zijn linker pols is vastgezet met platen en schroeven. Het ongeval is op 26 augustus 2012 door een medewerker van het ziekenhuis gemeld aan de Inspectie SZW (Arbeidsinspectie). De Arbeidsinspectie heeft van het ongeval een boeterapport opgemaakt, gedateerd 21 december 2012. Daarin staat onder meer: Bij de staart van het vliegtuig stond een rolsteiger. [geïntimeerde] is via de rolsteiger op het vliegtuig geklommen. Er was rondom het vliegtuig geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht. Het valgevaar is evenmin tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Dit is een overtreding van artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De werknemers hadden ten tijde van het ongeval niet de mogelijkheid om zich te zekeren met een veiligheidsharnas en een zogenaamde lifeline. [geïntimeerde] heeft geen voorlichting over de te nemen veiligheidsmaatregelen ontvangen. Ten tijde van het ongeval droeg [geïntimeerde] sneakers, een beschermingspak en een gelaatsmasker. Het toezicht op het veilig werken en het goed gebruik van de rolsteigers en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen bleek onvoldoende. Aviation heeft in juni 2012 een Risico Inventarisatie en –Evaluatie (RI&E) opgesteld. In het Plan van Aanpak zijn onvoldoende maatregelen opgenomen om het risico van vallen van hoogte te verkleinen. Op 29 mei 2013 heeft de Inspectie SZW in deze kwestie een definitieve boetebeschikking opgemaakt. Aan Aviation werd een boete van € 8.100,00 opgelegd. Aviation heeft bezwaar tegen deze beschikking aangetekend. Dit bezwaar is op 14 augustus 2013 ongegrond verklaard. 3.2. [geïntimeerde] is daarna een deelgeschilprocedure (ex artikel 1019 w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) gestart over de aansprakelijkheid voor het ongeval. Bij beschikking van 9 januari 2014 heeft de kantonrechter in die procedure overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van [geïntimeerde] voor recht verklaard dat Aviation aansprakelijk is voor het arbeidsongeval van 25 augustus 2012 en voor de daaruit voortvloeiende schade. Verder heeft de kantonrechter conform het daartoe strekkende verzoek van [geïntimeerde] de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.715,00, met veroordeling van Aviation om dit bedrag aan [geïntimeerde] te voldoen. 3.3 Aviation heeft vervolgens in een dagvaardingsprocedure - kort gezegd en voor zover nu nog van belang - een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het arbeidsongeval van 25 augustus 2012 heeft geleden. Verder vorderde zij veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van Aviation bij vonnis van 11 september 2014 afgewezen en Aviation in de proceskosten veroordeeld. De door Aviation te vergoeden kosten aan de zijde van [geïntimeerde] werden op € 250,00 vastgesteld. 3.4. Hoewel in de dagvaarding in hoger beroep niet is vermeld dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beschikking van de kantonrechter van 9 januari 2014, blijkt uit de memorie van grieven duidelijk dat het hoger beroep zich zowel tegen het vonnis van 11 september 2014 als tegen de daaraan voorafgaande beschikking van 9 januari 2014 richt. Zo heeft [geïntimeerde] het hoger beroep (terecht) ook opgevat. 3.5. Aviation heeft in hoger beroep tien grieven tegen de beschikking van 9 januari 2014 en drie grieven tegen het vonnis van 11 september 2014 aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van beide uitspraken en tot het alsnog afwijzen van de vordering (het hof begrijpt: het verzoek) van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van de door haarzelf gevorderde verklaring voor recht. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 3.6 De grieven 1 tot en met 4, gericht tegen de beschikking van 9 januari 2014, hebben betrekking op de feitenvaststelling. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten onder overweging 3.1 ten dele rekening gehouden met de inhoud van de grieven; voor het overige falen deze grieven. De op onderdelen aangepaste feitenvaststelling leidt echter niet tot een andere beslissing. 3.7 De overige grieven tegen de beschikking van 9 januari 2014 betreffen de vraag of Aviation tegenover [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het ongeval van 25 augustus 2012 heeft geleden. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.8 Het staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Aviation is tegenover [geïntimeerde] aansprakelijk voor deze schade, tenzij zij aantoont
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.