GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/00543 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 april 2014, nummer AWB 13/6128 in het geding tussen belanghebbende, en de Inspecteur van de Belastingdienst Oost Brabant/ Kantoor Eindhoven hierna: de Inspecteur, 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd onder nummer [aanslagnummer], welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 7 mei 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A], echtgenoot van belanghebbende, optredende als haar gemachtigde, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B]. 1.5. Het Hof heeft het onderzoek gesloten. 1.6. Van deze zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning [a-straat] 22 b te [woonplaats] (de woning). De woning vormt voor haar een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). 2.2. Met dagtekening 23 mei 2002 heeft de gemeente [C] aan gemachtigde een brief gezonden met, voor zover van belang, de volgende inhoud: “Ten eerste wens ik u, namens de Gemeente [C] excuses aan te bieden voor de incorrecte afhandeling van uw bezwaarschriften in bovenvermelde kwestie. Uit diverse stukken, alsmede in het persoonlijk gesprek dat u met de heer [D] heeft gehad, is gebleken dat de waardevaststelling van uw object, [a-straat] 22 b te [woonplaats], vanaf 1-1-1989 tot en met heden niet correct is geweest. Dientengevolge heeft de Gemeente [C], na ampel beraad besloten u het navolgende compromis aan te bieden. De WOZ-waarde over het tijdvak 1-1-2001 t/m 31-12-2004 wordt vastgesteld op € 90.756,-- (ƒ 200.000,--). De WOZ-waarde over het tijdvak 1-1-1997 t/m 31-12-2000 wordt vastgesteld op € 90.756,-- (ƒ 200.000,--). (…)” 2.3. De reden voor het aangeboden compromis was dat belanghebbende en haar echtgenoot veel overlast ondervonden van de aanleg van de A2. 2.4. Voor de tijdvakken na het jaar 2004 heeft de Heffingsambtenaar van de gemeente [C] niet langer de in het compromis genoemde waarde gehanteerd, maar, naar het Hof begrijpt, de waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) juncto artikel 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken voor woningen: de vergelijkingsmethode. 2.5. Voor het onderhavige jaar is de waarde aldus vastgesteld op een bedrag van € 442.000. Deze waarde staat onherroepelijk vast. Belanghebbende heeft bij het doen van de aangifte IB/PVV echter de in het compromis vermelde waarde van € 90.756 gehanteerd. De Inspecteur heeft de aangifte op dit punt gecorrigeerd. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag terecht de onherroepelijk vastgestelde WOZ-waarde van € 442.000 heeft gehanteerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij deze gronden nader toegelicht, maar geen nieuwe gronden aangevoerd. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag, waarbij voor de eigen woningregeling een waarde van € 90.756 moet worden gehanteerd. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. De Rechtbank heeft overwogen: 2.3. Op grond van artikel 3.112, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is de eigenwoningwaarde de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor die woning vastgestelde waarde voor het kalenderjaar (hierna: de WOZ-waarde). Ingevolge artikel 20 van de Wet WOZ wordt de WOZ-waarde bij bezwaar vatbare beschikking vastgesteld door de in artikel 1, tweede lid van die Wet bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen. Vast staat dat de WOZ-waarde voor 2010 door de gemeente [C] bij beschikking is vastgesteld op € 442.000. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag dan ook terecht uitgegaan van een eigenwoningwaarde van 442.000. 2.4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur zich moet vergewissen van de juistheid van de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde, nu ook de inspecteur de beschikking heeft over de overeenkomst die belanghebbende in 2002 met de gemeente [C] heeft gesloten. De rechtbank verwerpt deze stelling. In artikel 3.112 van de Wet IB 2001 is vastgelegd dat de eigenwoningwaarde voor de toepassing van het eigenwoningforfait wordt gesteld op de WOZ-waarde. De inspecteur is derhalve op grond van de wet gehouden de eigenwoningwaarde vast te stellen op de WOZ-waarde. Het staat de inspecteur niet vrij en er is ook geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die de inspecteur ertoe verplicht om zelfstandig de juistheid van de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde te toetsen. Het is aan belanghebbende om de juistheid van de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde te bestrijden door middel van bezwaar en eventueel beroep tegen de WOZ-beschikking. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de WOZ-waarde met betrekking tot het jaar 2010 is vastgesteld op € 442.000, is de inspecteur terecht uitgegaan van die waarde. (…) 4.2. De hierboven geciteerde overwegingen van de Rechtbank zijn juist. Het Hof neemt deze over en maakt deze tot de zijne. 4.3. Belanghebbende bestrijdt de overwegingen van de Rechtbank. Hij stelt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.