GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 25 juni 2015 Zaaknummer: F 200.160.434/01 Zaaknummer eerste aanleg: 2740523 OV VERZ 14-599 en 2740536 OV VERZ 14-600 in de zaak in hoger beroep van: [de zoon] , voorheen wonende te [woonplaats 1], Spanje, thans wonende te [woonplaats 2]. appellant, hierna te noemen: de zoon, advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof, tegen [de rechthebbende] , voorheen wonende te [woonplaats 2], thans verblijvende in het verpleeghuis [verpleeghuis] te [woonplaats 2], verweerster, hierna te noemen: de rechthebbende. Als belanghebbende kan worden aangemerkt: - [belanghebbende], wonende te [woonplaats 3], bijgestaan door mr. T.M. ten Velde. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, afdeling kanton, van 7 maart 2014. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 november 2014 heeft de zoon verzocht voormelde beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de rechtsgronden, een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende in te stellen met benoeming van hem als mentor alsmede het vermogen dan de rechthebbende, althans de goederen die haar toebehoren of zullen toebehoren, onder bewind te stellen met benoeming van de heer R. Sijtsma, handelend onder de naam Sijtsma bewind/ PNR Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] aan de [adres 1] tot bewindvoerder, althans subsidiair een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 januari 2105, heeft de voornoemde belanghebbende verzocht de zoon niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep dan wel het door hem ingestelde hoger beroep af te wijzen. Dan wel dat er bepaald dient te worden dat het bewind dient voort te duren met benoeming van een door het hof aan te wijzen bewindvoerder. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de zoon, bijgestaan door mr. Van Kerkhof; [belanghebbende], bijgestaan door mr. J. Matthijsen, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. Ten Velde. 2.3.1. De rechthebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 3De beoordeling 3.1. De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1929 te [plaats 1]. Zij is de moeder van de appellant. 3.2. De rechthebbende heeft in eerste aanleg aan de rechtbank, sector kanton, verzocht om een bewind in te stellen over haar goederen en een mentor te benoemen. In dat verzoek heeft zij de kantonrechter verzocht om de belanghebbende [belanghebbende] tot bewindvoerder en mentor te benoemen. 3.3. Bij de bestreden beschikking, heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende en heeft tot bewindvoerder benoemd: [belanghebbende]. Tevens heeft de kantonrechter een mentorschap in gesteld over de rechthebbende en tot mentor benoemd: [belanghebbende]. 3.4. De zoon kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.5. De zoon voert - kort samengevat – het volgende aan. In de eerste plaats heeft de rechtbank ten onrechte gesteld dat er tegen de voorgestelde bewindvoerder en mentor geen bezwaren zijn gerezen, daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte [belanghebbende] tot bewindvoerder en mentor benoemd, aldus de zoon. 3.5.1. Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid in hoger beroep heeft de zoon aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de benoeming van de bewindvoerder dan wel mentor. Hij vernam dit gegeven eerst nadat hij zelf op 3 oktober 2014 een verzoekschrift had ingediend bij de rechtbank inzake een meerderjarigenbewind en een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende. Op 30 oktober 2014 ontving zijn advocaat telefonisch het bericht van de rechtbank dat er reeds op 7 maart 2014 een bewind en mentorschap ten behoeve van de rechthebbende was uitgesproken. De stelling van de zoon is dat nu hij eerst op 30 oktober 2014 op de hoogte was van de uitspraak van 7 maart 2014 vanaf dat moment zijn appeltermijn is aangevangen en hij tijdig in beroep is gekomen. 3.5.1. Ten aanzien van zijn grieven heeft de zoon het volgende gesteld. De zoon maakt zich zorgen om de rechthebbende, waarbij medio oktober 2009 door de huisarts een beginnende vorm van Alzheimer is gediagnosticeerd. De zoon vreest verder dat mevrouw [belanghebbende] en een andere kennis van de rechthebbende ieder contact tussen hem en de rechthebbende dwarsbomen en dat gevreesd moet worden dat misbruik van haar wordt gemaakt. Zij handelen niet in het belang van de rechthebbende, aldus de zoon. Tevens voert de zoon dat dat de inhoud van het inleidende verzoek niet klopt, nu alle betrokkenen op de hoogte waren van zijn woonplaats en contactgegevens en deze ten onrechte niet aan de rechtbank hebben verstrekt. Als gevolg van de beperkingen van de rechthebbende, haar geestelijke stoornis alsmede de invloed van mevrouw [belanghebbende] kan niet van een behoorlijke waarneming van de belangen van de rechthebbende worden gesproken. Een neutrale objectieve derde partij dient toe te zien op de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende. De heer R. Sijtsma is bereid om als bewindvoerder op te treden. De zoon is zelf bereid om als mentor op te treden. 3.6. De belanghebbende voert in haar verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan. Zij heeft gesteld dat het adres van de zoon haar niet bekend was. Nu dit adres niet is opgenomen in het inleidend verzoek waren deze gegevens blijkbaar ook niet bekend bij de rechthebbende, die tezamen met haar begeleiding van GGZ het betreffende verzoek heeft opgesteld en ingediend, waarmee zij verder in het geheel geen bemoeienis heeft gehad.. Weliswaar zijn de zoon en mevrouw [belanghebbende] het eens omtrent de noodzaak van een mentorschap en bewindvoering. [belanghebbende] meent echter dat zij de aangewezen persoon is om als mentor op te treden. Er is immers sprake van een lange vertrouwensband tussen haar en de rechthebbende. Zij woont daarnaast in de directe omgeving van de rechthebbende. Verder laat zij zich leiden door de adviezen van de accountant van de rechthebbende en heeft zij geen vertrouwen in de door de zoon voorgestelde te benoemen bewindvoerder. De verhouding tussen de rechthebbende en [belanghebbende] is al jaren erg goed en verhouding tussen de zoon en de rechthebbende is sterk verslechterd. Voor zover het hof meent dat [belanghebbende] niet langer voldoet aan de eisen om als bewindvoerder te worden aangewezen, verzoekt zij om een neutrale derde aan te wijzen. 3.7. Het hof overweegt het volgende. Ontvankelijkheid 3.7.1. Artikel 806 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat van een beschikking hoger beroep kan worden ingesteld (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.