GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.128.771/01 arrest van 7 juli 2015 in de zaak van 1 [appellant],
(2)tegen het niet opnemen van een salaris gemachtigde bij de begroting van de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie. 3.2.1. Nu in eerste aanleg in conventie geen vordering jegens [appellant] is toegewezen en de grieven van [appellanten] uitsluitend zijn gericht tegen door de kantonrechter in conventie gegeven oordelen over de vordering van de curator jegens [appellante], dient [appellant] bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. Het hof zal hierna niettemin gemakshalve blijven spreken over [appellanten] 3.2.2. Noch in principaal appel noch in incidenteel appel is een grief gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in reconventie, zodat het in hoger beroep alleen nog gaat om de beslissing in conventie. Het hof zal bij de bespreking van de grieven in het principaal en het incidenteel appel de toevoeging ‘in conventie’ verder achterwege laten. Bij de bespreking van de grieven in het principaal appel zal het hof verder uitgaan van de door de kantonrechter toegewezen vernietiging van de betalingen. 3.3.1. Grief 1 in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de in het geding zijnde betalingen aan [appellante] onverplichte betalingen betroffen. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte de administratie van de huur in de rekening-courant van [appellante] bij FMM-Terrazzo - creditering van de rekening-courant met de verschuldigde huur – als betaling van de huur aangemerkt en de daadwerkelijke uitbetalingen aan [appellante] (onder debitering van de rekening-courant met die bedragen) als onverplicht verrichte betalingen, zulks met verwijzing naar het karakter van een rekening-courantverhouding (toev. hof: als weergegeven in art. 6:140 BW). 3.3.2. Het hof stelt vast dat bij de bankoverschrijvingen ter zake huurbetaling niet is vermeld voor welke maandhuur de overmaking is bedoeld. Indien en voor zover een betaling zou zijn beoogd in mindering op het tot en met 31 december 2009 niet in rekening gebrachte huurbedrag van € 28.222,56 (zie r.o. 3.1.1 onder e), faalt de grief nu ten aanzien van die huur blijkens de toelichting op het jaarverslag bij de jaarrekening over 2009 nader was overeengekomen dat deze niet opeisbaar was en niets is gesteld of gebleken van een ten aanzien van die huur nadien veranderde situatie. Bij die huur zou het daarmee gaan om onverplichte betalingen als waarop art. 42 Fw van toepassing is. Gezien de verwijzing door [appellanten] naar het credit-saldo van de rekening-courant van [appellante] bij FMM-Terrazzo over 2010 zoals vermeld in de grootboekadministratie over 2010 (prod. 79 mem.v.grieven pr. appel) in verband met de volgens hen per faillissementsdatum achterstallige huur, begrijpt het hof echter dat de na 7 juli 2010 verrichte (en in voormelde rekening-courant geregistreerde) betalingen betrekking hebben op na 1 januari 2010 verschuldigd geworden huur. 3.3.3. Voor die na 31 december 2009 verschenen huurtermijnen, is de grief gegrond. Naar het oordeel van het hof stellen [appellanten] terecht dat FMM-Terrazzo op grond van de huurovereenkomst tot betaling van huur gehouden was. Het enkele feit dat [appellante] gedurende langere tijd en met enige regelmaat FMM-Terrazzo niet heeft aangesproken op niet- of niet tijdige betaling van huurtermijnen en blijkens de jaarrekening over 2009 voor 2009 zelfs heeft toegelaten dat die huur voor een deel niet werd betaald, laat de tussen partijen overeengekomen huurverplichting in beginsel onverlet. Uit de enkele registratie van de verschuldigde en betaalde huur in de rekening-courant tussen partijen kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat de partijen bij de huurovereenkomst daarmee een wijziging van de huurovereenkomst voor wat betreft de wijze van huurbetaling en/of de opeisbaarheid van de maandelijkse huurtermijnen zouden hebben beoogd. 3.3.4. Gelet op het slagen van deze grief en op de devolutieve werking van het hoger beroep, zal het hof de vordering van de curator ter zake de vernietiging van de betalingen van na 31 december 2009 verschenen huur nader dienen te beoordelen op de grondslag van art. 47 Fw. Aan die beoordeling wordt echter niet toegekomen indien grief 2 of grief 3 in het principaal appel zou slagen. Het hof zal daarom eerst die grieven bespreken. 3.4.1. In grief 2 keren [appellanten] zich, gezien het oordeel van het hof inzake grief 1, terecht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de ter zake huur aan [appellante] overgemaakte bedragen niet als daadwerkelijke huurbetalingen kunnen worden beschouwd. Dat oordeel kan daarmee niet maatgevend zijn voor de vraag of de vaststellingsovereenkomst tussen partijen aan de vordering van de curator tot vernietiging van de betalingen in de weg staat. Die vraag zal daarom opnieuw dienen te worden beantwoord. 3.4.2. Naar het oordeel van het hof staat de in r.o. 3.1.1 onder s gerelateerde vaststellingsovereenkomst van 3 januari 2011 aan de vordering tot vernietiging niet in de weg. Bij de beantwoording van de vraag of de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen finale kwijting ook betrekking heeft op de onderhavige paulianavordering van de curator, komt het aan op uitleg van die afspraak. De betekenis van deze omstreden afspraak moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De redelijkheid en billijkheid spelen bij die uitleg een rol. De vaststellingsovereenkomst behelst een regeling voor de (financiële) afwikkeling van de tussen FMM-Terrazzo en [appellante] gesloten huurovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is geregeld dat de huurovereenkomst tussen FMM-Terrazzo en [appellante] per faillissementsdatum wordt beëindigd, zonder dat op FMM-Terrazzo een ontruimings- of herstelverplichting rust, en dat Robas of een door haar aan te wijzen (rechts)persoon vanaf die datum huurder wordt. Daarnaast bevat de vaststellingsovereenkomst afspraken over een eventuele huurvordering van [appellante] op FMM-Terrazzo tot de faillissementsdatum, waarvan zij afstand doet onder verrekening van de borg, en over de huurschuld van FMM-Terrazzo aan [appellante] vanaf faillissement, welke schuld wordt overgenomen door B & R Holding. Gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en de tekst van de daarin geformuleerde finale kwijting, te weten dat de curator en [appellante] met betrekking tot de huurovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar op basis daarvan finale kwijting verlenen, heeft [appellante] uit de vaststellingsovereenkomst niet kunnen en mogen begrijpen dat de verleende finale kwijting ook zou zien op vorderingen van de curator die niet voortvloeien uit de huurovereenkomst, zoals de onderhavige vordering die is gegrond op paulianeus handelen, ook al ziet deze vordering op de vernietiging en terugbetaling van reeds betaalde huur. Het enkele feit dat, zoals [appellanten] stellen, de curator wist dat de huurachterstand in 2010 mondjesmaat werd ingelopen, maakt dit niet anders. Ook het feit dat de curator juridisch geschoold is en [appellanten] niet, kan niet tot een andere uitleg leiden. Grief 2 faalt. 3.5.1. Grief 3 faalt eveneens. Het hoeft geen betoog dat zonder de aan [appellante] gedane betalingen in de boedel meer actief voor andere schuldeisers voorhanden zou zijn geweest. Daar zou dan wel een hogere rekening-courant vordering van [appellante] tegenover hebben gestaan, doch het feit dat het vermogen van FMM-Terrazzo ten gevolge van de betalingen aan [appellante] per saldo gelijk bleef laat voormelde vermindering van het voor de overige crediteuren beschikbare actief – en daarmee de benadeling van die crediteuren - onverlet. 3.5.2. In de toelichting op grief 3 stellen [appellanten] dat met de door de curator gewraakte (huur)betalingen aan [appellante] de huur voor het bedrijfspand tot half mei 2010 is voldaan. Die conclusie kan naar het oordeel van het hof uit het overzicht van de rekening-courant van [appellante] over 2010 in de grootboekrekening nummer 300057 (voormelde prod. 79 bij mem.v.antw. pr. appel) echter niet worden getrokken. Blijkens dat overzicht is de rekening-courant tot en met 1 mei 2010 vijfmaal met een bedrag van € 5.000,= gecrediteerd voor de huur van de maanden januari t/m mei (in totaal € 25.000,=). Daar staat echter tot en met die datum een debitering tegenover van een bedrag van in totaal € 10.857,76. Aan de creditzijde is verder nog een zesde creditering van een bedrag van € 5.000,= (d.d. 6-4-2010) opgenomen met de omschrijving ‘kasopname [appellante]’, die de vraag oproept of de rekening-courant niet met dit bedrag zou moeten zijn gedebiteerd in plaats van gecrediteerd. Indien dat het geval is, gaat tot en met 1 mei 2010 de creditzijde van de rekening-courant voor nog geen twee maanden huur de debetzijde te boven. Het hof zal er in het navolgende dan ook vanuit gaan dat de na 7 juli gedane huurbetalingen mede betrekking hebben gehad op vanaf 1 juni 2010 verschuldigd geworden huur. Voor de vraag of de na 7 juli 2010 gedane betalingen paulianeus zijn, is overigens, naar de curator in zijn reactie op grief 3 terecht opmerkt, de ouderdom van de betaalde schulden in beginsel niet relevant. 3.6.1. Op grond van art. 47 Fw kan de voldoening door de schuldenaar (i.c. FMM-Terrazzo) aan een opeisbare schuld (i.c. betaling huurtermijnen) worden vernietigd indien wordt aangetoond (
- i)hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, (
- ii)hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen. 3.6.2. De curator heeft zijn (subsidiaire) vorderingen ex artikel 47 Fw op de tweede grond gebaseerd. De curator voert hiertoe aan, kort samengevat, dat [appellanten] vanaf begin 2010 bekend waren met slechte financiële situatie van FMM-Terrazzo en dat zij zich na de brief van ING van 27 april 2010 (r.o. 3.1.1 onder
- i)hebben kunnen en moeten realiseren dat hun weigering om te voldoen aan de door ING van hen verlangde borgstelling erin zou resulteren dat voor de bedrijfsvoering van FMM-Terrazzo geen krediet meer te krijgen zou zijn en daarmee de overlevingskansen van FMM-Terrazzo in het geding zouden zijn. [appellanten] hebben na de opzegging van het krediet door ING bij de brief van 7 juli 2010 (en de melding van betalingsonmacht bij de fiscus begin augustus 2010), hoewel duidelijk was dat FMM-Terrazzo de vorderingen van ING en de fiscus niet zou kunnen voldoen, niettemin de bedrijfsvoering voortgezet. Daarbij hebben zij de paritas creditorum niet in achtgenomen. Van de gelden die op de - in strijd met de kredietovereenkomst met ING geopende - rekening bij ABN-Amro binnenkwamen hebben zij namens FMM-Terrazzo zichzelf, familieleden en diverse handelscrediteuren die lager in rang kwamen normaal betaald en geen (noemenswaardige) betalingen gedaan aan crediteuren als de belastingdienst, het pensioenfonds en ING. Volgens de curator is in voormelde omstandigheden het bewijs - althans voorshands, behoudens door [appellanten] bij te brengen tegenbewijs - gelegen dat de betalingen waarvan de vernietiging wordt gevorderd het gevolg zijn van samenspanning tussen FMM-Terrazzo en [appellante] met het doel om [appellante] boven andere crediteuren te begunstigen. 3.6.3. Naar de curator terecht tot uitgangspunt neemt, ziet ‘overleg’ als bedoeld in art. 47 Fw op ‘samenspanning’. Dat wil zeggen dat zowel bij de schuldenaar als bij de schuldeiser het oogmerk heeft voorgezeten om door de gewraakte betaling deze schuldenaar boven andere te begunstigen. De enkele omstandigheid dat bij beide partijen wetenschap bestaat van benadeling van overige schuldeisers is voor het aannemen van samenspanning niet voldoende (HR 20 november 1998, NJ 1999, 611). Naar tussen partijen niet in geschil is, rust de bewijslast van samenspanning op de curator. 3.6.4. De door de curator gestelde feiten en omstandigheden vinden steun in de in r.o. 3.1.1 onder g, h, i, j, l, m, n en o vermelde feiten. De curator stelt naar het oordeel van het hof terecht dat FMM-Terrazzo na 7 juli 2010 niet meer vrijelijk de ene crediteur wel en de andere niet mocht betalen. De curator concludeert eveneens terecht dat FMM-Terrazzo bij de betalingen de paritas creditorum niet in acht heeft genomen. Dit zou weliswaar van belang kunnen zijn voor de vraag of [appellanten] als (indirect) bestuurders van FMM-Terrazzo persoonlijk onrechtmatig handelen valt te verwijten – welk verwijt niet aan de orde is – doch is niet zonder meer van doorslaggevende betekenis voor de vraag of er voor wat betreft de in dit geding aan de orde zijnde betalingen sprake is geweest van , samenspanning tussen FMM-Terrazzo en [appellante]. 3.6.5. Naar het oordeel van het hof heeft de curator onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor het voor vernietiging op de voet van art. 47 Fw vereiste bewijs van samenspanning als hiervoor in r.o. 3.6.3 omschreven. De situatie dat betalingen konden worden gedaan doordat [appellanten] voor FMM-Terrazzo, in strijd met de kredietvoorwaarden van ING, een rekening bij ABN-Amro hadden geopend, was een al vanaf maart 2010 bestaande situatie. In hun brief van 24 november 2011 aan de curator in reactie op door de curator gestelde vragen (prod. 54 inl. dagv.) verklaren [appellanten] hierover dat zij die rekening hebben geopend om de continuïteit van de bedrijfsvoering te behouden. Het kan zijn dat dit handelen van [appellanten] (namens FMM-Terrazzo) onjuist en/of onbehoorlijk moet worden geacht, maar daarmee bestaat er nog geen rechtens relevant verband tussen dat handelen en de na 7 juli 2010 door FMM-Terrazzo aan [appellante] gedane betalingen. In het openen en gebruik van die rekening kan, zeker in het licht van de door [appellanten] over die rekening gegeven toelichting, niet zonder meer een oogmerk van zowel FMM-Terrazzo als [appellante] tot begunstiging van [appellante] boven andere crediteuren gelegen worden geacht. 3.6.6. Op de rekening bij ABN-Amro kwamen na 7 juli 2010, evenals in de maanden daarvoor, betalingen binnen van debiteuren van FMM-Terrazzo en uit de ontvangen gelden werden door FMM-Terrazzo op haar beurt weer betalingen gedaan, niet alleen aan [appellante] maar ook aan diverse andere crediteuren (naar de curator zelf stelt, mem.v.antw. nr. 214). In hun brief van 24 november 2011 (prod. 54 inl. dagv.) verklaarden [appellanten] dat zij bij de betalingen van de ABN-Amrorekening het beleid voerden dat de crediteuren van achteraf betaald werden (het hof begrijpt: naar ouderdom van de vorderingen) en dat salarisbetalingen hierop weer voorrang hadden. Deze verklaring van [appellanten] vindt in zoverre steun in de door de curator overgelegde bankafschriften nrs. 9 t/m 19 (vanaf 28 juli 2010, betreffende de periode vanaf 15 juli 2010, prod. 59 inl. dagv.) van de ABN-Amrorekening van FMM-Terrazzo, dat in die afschriften diverse malen salarisbetalingen staan vermeld en dat daaruit blijkt van betalingen aan andere crediteuren dan [appellante]. 3.6.7. Zonder nadere, door de curator onvoldoende gegeven, toelichting over de mate waarin in de bewuste periode betalingen aan [appellante] zijn gedaan in verhouding tot andere betalingen en in verhouding tot de hoogte van de diverse betaalde schulden, een en ander mede in relatie tot de op de ABN-Amrorekening in de bewuste periode ontvangen gelden, kunnen naar het oordeel van het hof aan het verloop van de ABN-Amrorekening geen, althans onvoldoende aanwijzingen worden ontleend voor samenspanning tussen FMM-Terrazzo en [appellante] ten aanzien van de gewraakte betalingen aan [appellante]. Het hof merkt daarbij op dat het (mede) betalen van opeisbare vorderingen van een indirect bestuurder nog niet hoeft te wijzen op een (oogmerk van) begunstiging van die bestuurder, ook niet indien in het verleden opeisbare vorderingen van die bestuurder bij opeisbare vorderingen van andere crediteuren feitelijk ten achter werden gesteld. 3.6.8. In verband met het voorgaande overweegt het hof nog het volgende. Uit de door de curator overgelegde bankafschriften blijkt dat de bijschrijvingen op de ABN-Amrorekening in de pas liepen met de afschrijvingen van die rekening. Uit de afschriften blijkt verder van een in de betreffende periode in totaal bijgeboekt bedrag van (afgerond) € 128.654,= en een creditsaldo per 15 december 2010 van € 19,36 (per 28 juli 2010 € 121,93). De betalingen aan [appellante] waarvan de curator op grond van art. 47 Fw de vernietiging vordert belopen in totaal € 17.773,20 ofwel circa 13% van de in de desbetreffende periode beschikbare gelden voor een tot en met 1 december 2010 opeisbare huur van € 35.000,= (7 x € 5.000,=, zie r.o.3.5.2). Aan [appellante] is derhalve een beperkt gedeelte van de binnengekomen betalingen overgemaakt terwijl daarmee slechts een gedeelte van haar opeisbare huurvorderingen is voldaan. Naar het oordeel van het hof kan uit deze gegevens zonder nadere, door de curator niet verstrekte, bijzonderheden niet blijken van samenspanning tussen FMM-Terrazzo en [appellante] als door de curator gesteld. 3.7.1. Het slagen van grief 1 in het principaal appel en de nadere beoordeling van de vorderingen van de curator op de subsidiaire grondslag leiden ertoe dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd ten aanzien van de in conventie gegeven beslissing. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de curator in conventie jegens [appellante] alsnog afwijzen. Dit betekent dat ook grief 6 in het principaal appel slaagt. 3.7.2. Gezien het voorgaande behoeven de overige grieven in het principaal appel verder geen bespreking en komen de grieven in het incidenteel appel verder niet aan de orde. 3.7.3. De curator zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in die van het principaal appel. Daarbij zal het hof de door [appellanten] tezamen gemaakte proceskosten toerekenen aan [appellante]. Het hof zal in het incidenteel appel geen kostenveroordeling uitspreken nu dit appel door het slagen van het principaal appel niet meer aan de orde is gekomen. Het hof zal het arrest voor wat betreft de beslissing over de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 4De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van 6 maart 2013; vernietigt het vonnis van 6 maart 2013 waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen tussen de curator en [appellante], en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst de vorderingen van de curator af; veroordeelt de curator in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 588,= aan verschotten; bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen; wijst het in hoger beroep in principaal of incidenteel appel meer of anders gevorderde af; veroordeelt de curator in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van [appellante] tot op heden worden begroot op € 773,17 aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat; verklaart dit arrest ten aanzien van de beslissing over de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juli 2015. griffier rolraadsheer