GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 29 januari 2015 Zaaknummer : F 200.160.678/01 Zaaknummers 1e aanleg: C/03/196090 / JE RK 14-2095 en C/03/196165 / JE RK 14-2111 in de zaak in hoger beroep van: [minderjarige] , tot 22 december 2014 opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Ottho Gerhard Heldring te [vestigingsplaats] (hierna: de OGH), thans verblijvende bij IrisZorg te [verblijfplaats], appellant, hierna te noemen: [minderjarige], advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven, verweerder, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt: - [de vader] (hierna te noemen: de vader); - [de moeder] (hierna te noemen: de moeder); - Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Noord-Limburg (hierna te noemen: de stichting). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 september
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 december 2014, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de duur van de machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt beperkt tot zes maanden, derhalve tot 30 maart
- 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 december 2014, heeft de stichting verzocht (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [minderjarige], bijgestaan door mr. Kok-Verheijde; - de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting]; - de vader en de moeder. 2.3.
- De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 10 december 2014; de brief met bijlage van de raad d.d. 19 december
- 3De beoordeling 3.
- Uit het huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], [minderjarige] geboren. 3.
- Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] met ingang van 30 september 2014 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld en machtiging verleend aan de stichting om [minderjarige] met ingang van 30 september 2014 tot uiterlijk 30 september 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. [minderjarige] is op 20 oktober 2014 geplaatst bij de OGH te [vestigingsplaats]. 3.
- [minderjarige] kan zich – voor wat betreft de duur van de uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg – met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- Voor de grieven van [minderjarige] verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift. 3.
- Voor het verweer van de stichting verwijst het hof naar de inhoud van het verweerschrift. 3.
- Het hof overweegt het volgende. 3.6.
- Op grond van artikel 10.5 van de met ingang van 1 januari 2015 inwerking getreden Jeugdwet (Jw) geldt (een verzoek om) een machtiging als bedoeld in de artikelen 29b van de Wet op de jeugdzorg, ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 van de Jeugdwet. 3.6.
- Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe. 3.6.
- Ingevolge het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.6.
- Het hof stelt voorop dat aan de gronden voor de plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals genoemd in artikel 6.1.
- lid 2 Jw is voldaan en dat dat verder ook niet in geschil is. Ter zitting van het hof is gebleken dat [minderjarige] met ingang van 22 december 2014 is geplaatst bij IrisZorg in [verblijfplaats], teneinde een meer specifiek op zijn problematiek gerichte behandeling te ondergaan. Naar verwachting zal deze behandeling eind april 2015 zijn afgerond en kan [minderjarige] daarna weer thuis wonen. Gezien de aard van de problematiek en de ernst van de problemen die aanleiding hebben gegeven tot de gesloten plaatsing zijn alle betrokkenen het er over eens dat het van belang is dat de aan de stichting verleende machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg blijft voortduren tot 1 juni 2015, zodat bij terugval direct kan worden ingegrepen. Gelet op de inzet van [minderjarige] en de positieve ontwikkeling die hij toch in een relatief korte periode heeft doorgemaakt, heeft het hof er vertrouwen in dat de aan de stichting verleende machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ook niet langer hoeft te duren dan 1 juni
- Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, gedeeltelijk dient te worden vernietigd en het verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen met ingang van 1 juni
- 4De beslissing Het hof: vernietigt met ingang van 1 juni 2015 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 september 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; en, in zoverre, opnieuw recht doende: wijst met ingang van 1 juni 2015 alsnog af het inleidende verzoek van de raad tot verlening van een machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg; bekrachtigt voormelde beschikking voor wat betreft de periode van 30 september 2014 tot 1 juni 2015; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, O.G.H. Milar en C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.