Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003873-12 (OWV) Uitspraak : 14 juli 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Maastricht van 6 november 2012 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-703190-06 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, wonende te [postcode] [woonplaats], [adres]. Hoger beroep Bij beslissing waarvan beroep is het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 39.000,00 en is aan hem een betalingsverplichting jegens de staat opgelegd voor een bedrag van € 34.000,
- De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormelde beslissing hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan worden geschat, zal vaststellen op € 47.000,00 en de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van het op dat bedrag geschatte voordeel. Namens de veroordeelde is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend. Het hof overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie geen appelschriftuur heeft ingediend brengt in de onderhavige zaak, gelet op de aard van de zaak en de inhoud van de processtukken in eerste aanleg waaruit het van de beslissing van de politierechter afwijkende, gemotiveerde standpunt van het openbaar ministerie volgt, niet mee dat het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het openbaar ministerie kan derhalve in het hoger beroep worden ontvangen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna volgende beslissing. Vordering De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 708.398,
- In hoger beroep heeft de advocaat-generaal, zoals hierboven vermeld, gevorderd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op een bedrag van € 47.000,
- Beoordeling De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 14 juli 2015, gewezen onder parketnummer 20-000475-11, vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Gelet hierop is er geen grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Om die reden zal het hof de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afwijzen. Gelet op bovenstaande beslissing behoeft het Salduz-verweer van de verdediging geen nadere bespreking. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag. Aldus gewezen door mr. P.T. Gründemann, voorzitter, mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier, en op 14 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.