Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-000212-14 Uitspraak : 14 augustus 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-666214-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en met betrekking tot munitie van categorie III; Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onder 5, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met aanvulling van gronden. De verdediging heeft: primair zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaring in de strafvervolging; subsidiair vrijspraak bepleit. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de motivering van de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging alsmede het bewijsuitsluitingsverweer. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd dat door de politie aan de secretaresse van de raadsman op 7 februari 2013 de mededeling is gedaan dat verdachte was heengezonden en de zaak niet naar het openbaar ministerie zou worden verzonden. Het hof stelt ten aanzien van het aangevoerde voorop dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof overweegt dat de mededeling zoals aangevoerd namens verdachte – welke mededeling is gedaan aan de secretaresse van de raadsman en niet aan verdachte zelf – gelet op zijn inhoud zonder nadere uitleg niet kan worden opgevat als een toezegging dat verdachte in onderhavige strafzaak niet zou worden vervolgd. Het had op de weg van de verdediging gelegen de politie hierover – bij voorkeur schriftelijk – een nadere toelichting te vragen. Niet is gebleken dat de verdediging met betrekking tot deze mededeling nadere inlichtingen heeft ingewonnen. Onder deze omstandigheden kon en mocht verdachte aan deze aan de secretaresse van zijn raadsman gedane mededeling niet het vertrouwen ontlenen dat hij ter zake van onderhavige feiten niet zou worden vervolgd. Ook de omstandigheid dat verdachte met betrekking tot deze feiten niet bij de rechter-commissaris is voorgeleid, zoals betoogd door de verdediging, kan zulks niet met zich meebrengen. Bewijsverweer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.