GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.124.678/01 arrest van 3 februari 2015 in de zaak van [B.V.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. B.W.M. Mutsaers te Eindhoven, tegen: Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], advocaat: mr. K Roordink te Nijmegen, geïntimeerde, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 juli 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 9 januari 2013 tussen appellante -[appellante]- als eiseres, en geïntimeerden -Nieuwe Borg Projectontwikkeling B.V. (hierna Nieuwe Borg) en Aannemersbedrijf [Aannemersbedrijf] B.V.- (hierna [Aannemersbedrijf]), als gedaagden. Het hof zal in het hierna volgende de nummering zoals gebruikt in voornoemd tussenarrest voortzetten. 6Het tussenarrest van 15 juli 2014 Bij genoemd tussenarrest van 15 juli 2014 heeft het hof [appellante] toegelaten om te bewijzen dat zij met Nieuwe Borg in 2000/2001 is overeengekomen dat [appellante] (ook) de werkzaamheden bestaande uit het ontgraven en afvoeren van de grond in de bouwput zou uitvoeren (fase 6) en is elke andere beslissing aangehouden. 7Het verdere verloop van de procedure Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: een faxbericht d.d. 1 oktober 2014 van de advocaat van [appellante], waarin onder meer is meegedeeld dat Nieuwe Borg bij uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 februari 2014 failliet is verklaard; de mededeling van de rolraadsheer dat de procedure tussen [appellante] en Nieuwe Borg ambtshalve is geschorst op de voet van art. 29 Fw en dat de zaak tussen [appellante] en Nieuwe Borg ambtshalve is geroyeerd; een faxbericht d.d. 9 oktober 2014 van de advocaat van [Aannemersbedrijf] waarin, voor zover hier van belang, wordt verzocht om arrest in deze zaak voor wat betreft het geschil tussen [appellante] en [Aannemersbedrijf]. Het hof heeft bepaald dat in deze zaak arrest zal worden gewezen ten aanzien van [appellante] en [Aannemersbedrijf]. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken. 8De beoordeling 8.1 In r.o. 4.9.2 van het tussenarrest van 15 juli 2014 heeft het hof geoordeeld dat de vordering van [appellante] tegen [Aannemersbedrijf] zal worden afgewezen. Het hof blijft bij dit oordeel. Gelet daarop heeft [appellante] in het hoger beroep voor zover ingesteld tegen [Aannemersbedrijf] te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat [appellante] zal worden veroordeeld in de tussen [appellante] en [Aannemersbedrijf] gerezen kosten van het hoger beroep. 9De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [appellante] als eiseres en [Aannemersbedrijf] als gedaagde; veroordeelt [appellante] in de tussen [appellante] en [Aannemersbedrijf] gerezen kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Aannemersbedrijf] begroot op € 4.961,- aan griffierecht en op € 4.580,- voor salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.