Afdeling strafrecht Parketnummer: 20-002912-14 Uitspraak: 23 september 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-879223-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en is hij ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] beslist. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep is in de appelakte van de verdediging uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Blijkens de appelschriftuur van de officier van justitie is het hoger beroep van de zijde van het openbaar ministerie gericht tegen de vrijspraken van hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en 3 is ten laste gelegd. Het openbaar ministerie heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en onder 3 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met teruggave van de in beslaggenomen voorwerpen aan verdachte. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een bedrag van €1.020,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag. Door de raadsman van verdachte is integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, (van korte afstand en/of dicht nabij en/of gericht) een kogel heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3.hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven (telkens) opzettelijk heeft vervoerd/verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [betrokkene] , in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak feit 3 Het hof is - met de verdediging - van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vaststaat dat verdachte op de avond van 21 september 2013 tussen 22.00 uur en 22.15 uur op verzoek van [betrokkene] naar het tunneltje tegenover het Esso tankstation te Eindhoven is gekomen teneinde hem drugs te leveren. [betrokkene] heeft verklaard dat het om cocaïne ging. De verdachte heeft verklaard dat hij weed ten verkoop bij zich heeft gehad en géén cocaïne. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat verdachte in ieder geval enige vorm van verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Gelet op de door verdachte en [betrokkene] genoemde verkoopprijzen (twee zakjes voor € 20,- resp. twee zakjes voor € 15,-) en gelet op de ambtshalve bekende straatwaarde van reguliere cocaïne (€ 50,- per gram) kan echter naar het oordeel van het hof geen sprake zijn geweest van ‘reguliere’ cocaïne. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat het om crack ging, de goedkopere, rookbare variant van cocaïne, aangezien [betrokkene] en [betrokkene] spreken over het roken van de eerder die avond door dezelfde dealer geleverde cocaïne, maar het hof acht dit te weinig om een veroordeling op te baseren. Bij gebrek aan overige bewijsmiddelen (er is bij verdachte of bij [slachtoffer] , die de te leveren drugs bij verdachte heeft weggenomen, geen cocaïne aangetroffen of in beslag genomen) dat sprake is geweest van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zal het hof de verdachte vrijspreken van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet met een pistool van korte afstand een kogel heeft afgevuurd in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep - zoals verwoord in de pleitnota - bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, aangezien onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om bewezen te verklaren dat het verdachte is geweest die op 22 september 2013 op aangever [slachtoffer] heeft geschoten. Het hof overweegt als volgt. Voor zover de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat het verdachte is geweest die met een pistool een schot in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft gelost, overweegt het hof dat dit standpunt wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien. Met de advocaat-generaal en evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte de persoon is geweest, gebruikmakend van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] , die door de drugsgebruikers [slachtoffer] , [betrokkene] en [betrokkene] als ‘de dealer’ wordt aangeduid. Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 21 september 2013 omstreeks 22.00 uur ter hoogte van het Esso tankstation te Eindhoven is beroofd van een hoeveelheid verdovende middelen door onder andere [betrokkene] en de voor hem onbekende [slachtoffer] en [betrokkene] . De verdachte heeft erkend dat hij vanaf dat moment veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met [betrokkene] . Het telefoonnummer dat verdachte destijds in gebruik had was [telefoonnummer] . Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 22 september 2013 omstreeks 2.00 uur op de [adres] te Eindhoven achterna is gezeten door een jongen die vervolgens op korte afstand een pistool heeft afgevuurd in de richting van zijn hoofd. Uit zijn verklaring komt voorts naar voren dat de persoon die hem die nacht heeft beschoten dezelfde persoon is geweest die hij, [slachtoffer] , kort daarvoor samen met [betrokkene] en [betrokkene] had beroofd van een hoeveelheid verdovende middelen. De stellingname van de verdediging dat aangever [slachtoffer] de beroofde dealer ten onrechte naar voren heeft geschoven als de schutter, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de kern van de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte ‘de dealer’ is en dus de schutter is geweest, aangezien deze verklaring op onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2013 (p. 373) is gerelateerd dat de getuige [betrokkene] over de dealer van de hem bekende [betrokkene] heeft verklaard. [betrokkene] heeft verklaard dat hij wist dat deze dealer ‘Jones’ werd genoemd. Het hof merkt in dit kader op dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij onder meer ‘Jones’ wordt genoemd. Telefoongegevens Door [betrokkene] is verklaard dat hij op 21 september 2013 vanaf ongeveer 21.00 uur tot ongeveer het tijdstip van het plegen van de ripdeal diverse malen telefonisch contact heeft gehad met een persoon die handelt in cocaïne en die hem ook cocaïne heeft geleverd. Uit zijn verklaring en uit de analyse van zijn telefoon (met nummer [telefoonnummer] ) blijkt dat dit contact heeft plaatsgevonden met het nummer [telefoonnummer] . Naar aanleiding van het aantreffen en inbeslagneming van een mobiele telefoon, merk Samsung, in de woning van verdachte aan de [adres] te Eindhoven is nader onderzoek ingesteld. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook bevestigd dat dit toestel bij hem in gebruik was. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2013 (p. 414) blijkt dat in voornoemd toestel twee simkaarten hadden gezeten te weten: [telefoonnummer] , op naam van verdachte [verdachte] [telefoonnummer] , volgens aangever [slachtoffer] betreft dit het nummer van de dealer die door [betrokkene] is gebeld op 21 september 2013 en die vervolgens is beroofd. Voorts blijkt dat de simkaart met het nummer [telefoonnummer] in de periode van 20 tot en met 22 september 2013 constant in het betreffende toestel heeft gezeten. Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte werd tevens een Lebara mobilekaart aangetroffen, waaruit de simkaart was gedrukt. Op deze Lebara mobilekaart stond dat de uitgedrukte simkaart was gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit de historische printgegevens is het hof gebleken dat er tussen 21 september 2013 om 22.18 uur en 22 september 2013 om 0.50 uur sprake is geweest van 33 (pogingen tot) telefonische contacten (bellen of sms) tussen verdachte en [betrokkene] , waarvan 11 inkomend van verdachte bij [betrokkene] en 22 uitgaand van [betrokkene] naar verdachte. Daarbij gebruikte verdachte het telefoonnummer [telefoonnummer] (dossierpagina’s 333-335). Uit de historische gegevens blijkt tevens dat deze contacten van [betrokkene] en verdachte tussen 23.00 uur en 00.57 uur die nacht vanuit [betrokkene] uitsluitend werden afgewisseld met (een zevental) contacten tussen [betrokkene] en [slachtoffer] (dossier pagina’s 331-332A). Vervolgens blijkt uit de telefoongegevens van aangever [slachtoffer] dat er tussen 22.58 uur en 01.55 uur zeven keer (een poging tot) telefonisch contact is geweest vanuit het telefoonnummer van verdachte naar het telefoonnummer van aangever [slachtoffer] . Zulks ondersteunt de verklaring van [betrokkene] bij de politie dat zijn dealer (het hof begrijpt: verdachte) hem die nacht bleef bellen en dat zijn dealer het adres wilde hebben van [slachtoffer] . Getuige [naam] Ten tijde van de schietpartij bevond zich een aantal personen in de directe nabijheid van aangever [slachtoffer] , onder wie M.N.G. [naam] , de dochter van zijn (ex-)vriendin. Voor zover de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat de verklaring van de getuige M.N.G. [naam] , alsmede de herkenning van verdachte door deze getuige niet betrouwbaar zou zijn, overweegt het hof als volgt. Bij het verhoor als getuige heeft [naam] op 18 december 2013 tegenover de politie verklaard (p. 451) dat zij degene die op de [adres] te Eindhoven had geschoten na het incident nog had gezien. De schutter was naar [naam] toegelopen en had tegen haar gezegd: “Nog sorry toen van die kogel”, aldus de getuige [naam] . Tijdens dat verhoor is door [naam] een signalement gegeven van de schutter. Een dag later, tijdens het verhoor van 19 december 2013 (p. 454), wordt aan de getuige [naam] een foto getoond met daarop drie personen (foto op p. 457). Hierop heeft de getuige verklaard: “Ja, dat is hem. De middelste. En de persoon met het rode petje is er ook bij.” (…) “Het zijn allebei dealers.” (…) “Over de herkenning van de twee personen op de foto twijfel ik geen moment.” Voorts is aan de getuige [naam] nog een foto getoond, waarop twee personen staan die aan het eten zijn (foto op p. 456). Hierop verklaarde de getuige [naam] : “Dat zijn ze ook. De schutter staat links op de foto en de schopper met het rode petje staat rechts op de foto.” Naar aanleiding van voornoemd verhoor en het tonen van de foto’s aan de getuige [naam] is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (p. 458), waaruit naar voren komt dat [naam] meteen nadat de eerste foto aan haar werd getoond, half uit haar stoel naar voren kwam en meteen de middelste persoon op de foto aanwees en dat zij zeer resoluut en pertinent zeker was van haar herkenning. Uit het proces-verbaal bevindingen met nummer 20131017.1300.81251 (p. 459-463) blijkt dat de middelste persoon respectievelijk de linker persoon op de aan de getuige [naam] getoonde eerste en tweede foto de verdachte [verdachte] betrof. Anders dan de raadsman ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen en de herkenning van [naam] . Dat deze getuige in latere verklaringen anders heeft verklaard, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar eerdere verklaringen. Te meer nu de getuige [naam] in haar eerdere verklaringen over een ontmoeting met de schutter heeft verklaard, waarna een signalement tot stand is gekomen en vervolgens een stellige herkenning van verdachte op de door de politie getoonde foto’s. Technisch bewijs Ter ondersteuning van de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht het hof de navolgende bevindingen van belang. Onder verdachte is een jas in beslag genomen en onderzocht door deskundige ing. R.C. Roepnarain van het Nederlands Forensisch Instituut. Op basis van de camerabeelden van het Esso tankstation kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte deze jas in ieder geval heeft gedragen op de avond van 21 september 2013, oftewel enkele uren voorafgaand aan het onderhavige incident op 22 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.