GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 15 oktober 2015 Zaaknummer : F 200.175.303/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/301997 JE RK 15-1334 in de zaak in hoger beroep van: [appellante 1 (minderjarige)] , thans opgenomen en verblijvende in de gesloten accommodatie Ottho Gerhard Heldringstichting te [plaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante 1 (minderjarige)] , advocaat: mr. B.J. Visser, en [appellante 2 (de moeder)] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. B.J. Visser, tegen Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 augustus 2015. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2015, hebben [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, naar het hof begrijpt, gelet op de mededeling van de advocaat ter zitting, het inleidende verzoek van de GI af te wijzen met ingang van de datum van de in deze zaak door het hof te geven beschikking. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 september 2015, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder, bijgestaan door mr. Visser; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en de heer [vertegenwoordiger van de stichting 2] . 2.3.1. De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 augustus 2015; het rapport van de raad d.d. 5 september 2014; het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder d.d. 25 augustus 2015; de producties 1 tot en met 4, ingediend door de GI en ingekomen ter griffie op 16 september 2015. 3De beoordeling 3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren. De vader heeft [appellante 1 (minderjarige)] erkend. De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [appellante 1 (minderjarige)] uit. [appellante 1 (minderjarige)] staat sinds 14 november 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 14 november 2015. 3.2. [appellante 1 (minderjarige)] is sinds 10 maart 2015 geplaatst in de gesloten accommodatie Ottho Gerhard Heldringstichting (OGH) te [plaats] . 3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [appellante 1 (minderjarige)] verleend met ingang van 10 september 2015 tot uiterlijk 14 november 2015. 3.4. [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. 3.5. [appellante 1 (minderjarige)] en de moeder voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het nog te vroeg is om over te gaan tot een thuisplaatsing van [appellante 1 (minderjarige)] . [appellante 1 (minderjarige)] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt binnen de OGH. Er hebben zich echter binnen de instelling enkele vervelende incidenten voorgedaan, ten gevolge waarvan zij de OGH thans ervaart als een negatieve omgeving die haar nu in haar ontwikkeling doet vastlopen. Binnen de OGH wordt veel geblowd. Het is voor [appellante 1 (minderjarige)] moeilijk om zich daaraan te onttrekken. Verder is het niveau van onderwijs dat [appellante 1 (minderjarige)] binnen de OGH volgt niet het juiste. [appellante 1 (minderjarige)] heeft twee gesprekken gehad in het kader van Emotie Regulatie Therapie (ERT). Er volgen nog maar twee sessies van deze therapie. Zij heeft verder enkele gesprekken gehad met een drugsconsulent. Ook de moeder is van mening dat [appellante 1 (minderjarige)] klaar is voor de stap terug naar huis. Een thuissituatie bij de moeder zal een beduidend positievere uitwerking hebben op de ontwikkeling van [appellante 1 (minderjarige)] dan een langer verblijf binnen de gesloten jeugdhulp. De moeder en [appellante 1 (minderjarige)] staan open voor het ontvangen van hulp (zoals bijvoorbeeld Multi Systeem Therapie (MST)) binnen de thuissituatie. De gezinsvoogd heeft bovendien toegezegd dat [appellante 1 (minderjarige)] binnen een kort tijdsbestek zou worden thuisgeplaatst als zij in de OGH goed zou presteren. Deze toezegging is de gezinsvoogd niet nagekomen. Gelet op het voorgaande is de noodzaak van gesloten jeugdhulp niet langer aanwezig. Ook de overweging van de rechtbank dat een overhaaste thuisplaatsing van [appellante 1 (minderjarige)] negatieve gevolgen “zou kunnen hebben” impliceert dat voormelde noodzaak niet meer aan de orde is. 3.6. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het te vroeg is om reeds nu over te gaan tot thuisplaatsing van [appellante 1 (minderjarige)] . Het is in het belang van [appellante 1 (minderjarige)] dat zij eerst de behandeling binnen de OGH op een positieve wijze afrondt. Een vervroegde thuisplaatsing zou het risico op hernieuwd drugsgebruik vergroten. [appellante 1 (minderjarige)] is in de afgelopen periode driemaal in de fout gegaan met het gebruik van drugs. Dit wijst erop dat zij nog niet in staat is om daar voldoende afstand van te nemen. [appellante 1 (minderjarige)] maakt in de OHG een positieve ontwikkeling door en zij heeft nog steeds baat bij de daar geboden hulp. Er wordt met name gewerkt aan haar drugsprobleem, aan de relatie met de moeder en haar netwerk, alsmede aan haar weerbaarheid. De gezinsvoogd heeft de moeder inderdaad beloofd dat [appellante 1 (minderjarige)] naar huis zou terugkeren na afronding van de behandeling binnen de OGH. Dit zal echter pas eind 2015 zijn. De gezinsvoogd heeft inmiddels MST aangevraagd voor de situatie dat [appellante 1 (minderjarige)] weer thuis zal wonen. Deze therapie kan pas medio november 2015 van start gaan. De bezoeken van de moeder aan [appellante 1 (minderjarige)] in de instelling verlopen positief. [appellante 1 (minderjarige)] gaat inmiddels eenmaal in de week op verlof bij de moeder. [appellante 1 (minderjarige)] laat nog steeds een stijgende lijn zien in haar behandeling. Wel ervaart zij wat onrust in haar huidige groep. Op 1 september 2015 is [appellante 1 (minderjarige)] begonnen aan het tweede jaar van VMBO-basis. Dit niveau sluit aan bij haar intelligentie, zoals die in de OGH is getest. [appellante 1 (minderjarige)] is gemotiveerd voor school en in de groep functioneert zij goed. 3.7. Het hof overweegt het volgende. 3.7.1. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 van de Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: er bij de jeugdige sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en, de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.7.2. Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.