GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 15 oktober 2015 Zaaknummer: F 200.119.645/01 en F 200.160.862/01 Zaaknummers eerste aanleg: 242600 / FA RK 12-506, 506-2 en 506-3 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal appel, verweerder in incidenteel appel, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J.M. Spronk, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in principaal appel, appellante in incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.C.G. Kolijn-Verlegh. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 september 2012, en naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant (het opschrift boven deze beschikkingen verwijst abusievelijk nog naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch) van 17 juli 2013 en 8 september
(2014)van de man falen derhalve. Benadrukt zij nog dat de man niet aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat het overgemaakte bedrag van € 67.567,- in de huwelijksgemeenschap is gevloeid en hij – zo dit rechtens al juist zou zijn (beoordeling van die kwestie ligt niet voor) – enkel op grond daarvan een reprise heeft. De stelling van de man is alleen dat partijen “in goed overleg hebben besloten aan ieder [onderstreping hof] een bedrag van € 67.567,- over te maken” (beroepschrift 2014, p. 7, eerste alinea); dat gelet op de door de man betaalde kosten die hij extra heeft gedragen, hij recht heeft op een reprise (beroepschrift 2014, p. 7, derde alinea); terwijl de man ook geen – kort gezegd – terugbetaling door de gemeenschap van het volledige bedrag van € 67.567,- claimt (het is de man te doen om een reprise van in totaal € 118.796,50; met aftrek van het bedrag van € 67.567,- dat de man stelt aan de vrouw te hebben overgemaakt, resteert dan alleen een bedrag van (€ 118.796,50 minus € 67.567,- =) € 51.229,50 waarop de man aanspraak maakt vanwege de kosten die hij uit “zijn € 67.567,-” voor partijen heeft gedragen). Die (laatste) stelling, die de man daadwerkelijk heeft betrokken, gaat, zoals hiervóór werd overwogen, niet op. Ofschoon de stelling van de man dat “in goed overleg is besloten om vooruitlopend op de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning aan ieder [van partijen] een bedrag van € 67.567,-- over te maken” erop lijkt te duiden dat deze bedragen überhaupt niet ten laste van het privé-vermogen van de man, maar ten laste van de nog te verwachten verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning komen, zodat om die reden al geen sprake kan zijn van een reprise (in ieder geval niet voor het bedrag dat de man stelt te hebben overgemaakt aan de vrouw), heeft de man ter zitting van het hof echter ook de, hiermee ogenschijnlijk tegenstrijdige, stelling betrokken dat: “Pas ihkv de echtscheiding (…) het tegoed [is] verdeeld, omdat de reprise ter zake van de man later, na verkoop van de woning zou kunnen worden uitbetaald”). Dat sprake is van een reprise gaat echter, zoals hiervóór werd overwogen, evenmin op. Over de reprise die de man stelt te hebben ten gevolge van een schenking oordeelt het hof als volgt. De man heeft niets gesteld over de besteding van de door hem beweerdelijk ontvangen schenking. Waarom de man dan een reprise zou hebben, valt zonder nadere toelichting, die de man heeft nagelaten te geven, niet in te zien. Zo de man heeft willen stellen dat ook de schenking op dezelfde wijze is besteed als, kort gezegd, zijn erfenis, gaat ook die stelling niet op, waarvoor het hof kortheidshalve verwijst naar hetgeen het hiervóór met betrekking tot die erfenis heeft overwogen. De incidentele grief van de vrouw faalt naar het oordeel van het hof. De vrouw heeft zich voor haar stelling dat het geld van de erfenis is verbruikt, omdat dat geld consumptief is besteed (aanschaf boot, VW Golf, Renault Espace en luxe reizen) beroepen op de producties 17 en 21 van de man. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Volgens hem “werden er jaarlijks behoorlijke bedragen overgehouden waardoor dure aankopen ruimschoots konden worden bekostigd”, ter onderbouwing waarvan de man productie 21 heeft overgelegd. Uit de producties 17 en 21 valt naar het oordeel van het hof echter niet af te leiden dat de genoemde consumptieve bestedingen juist met de erfenis (en niet uit andere bron) zijn betaald (en de erfenis aldus is verbruikt). De slotsom van het voorgaande is dat alle grieven falen (de achtste grief uit het beroepschrift van 2012, de vijfde grief uit het beroepschrift van 2014 en de eerste incidentele grief van de vrouw). Deskundigenrapport en “het totaalcomplex van de posten die ter verdeling c.q. ter verrekening staan tussen partijen” (grief 1 beroepschrift 2014) 3.
- Deze grief van de man ziet er onder andere op dat de man stelt dat hij geen opmerkingen meer kon maken bij de rechtbank over het deskundigenrapport. 3.13.
- Het hof is van oordeel dat, wat hier ook van zij, de man zijn opmerkingen en bezwaren ten aanzien van het deskundigenrapport in hoger beroep had kunnen aanvoeren. Dit heeft de man echter nagelaten. 3.13.
- Voor zover de grief ziet op “het totaalcomplex van de posten die ter verdeling c.q. ter verrekening staan tussen partijen”, heeft deze grief geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven en naast het verzoek de wijze van verdeling van de gemeenschap vast te stellen, zodat de grief op dit punt geen verdere bespreking behoeft. Eenmanszaak [kinderkledingzaak] (grief 2 beroepschrift 2014) en peildatum waardering eenmanszaak [kinderkledingzaak] (grief 3 beroepschrift 2014) 3.
- In de bestreden beschikking van 8 september 2014 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld: “Partijen zijn het erover eens dat de eenmanszaak [kinderkledingzaak] aan de vrouw moet worden toebedeeld. Dit betekent dat, gelet op de vaststelling door de deskundige dat deze onderneming een negatieve waarde heeft van € 27.600,- de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te vergoeden.” De door de deskundige gehanteerde peildatum is 17 juli
- Daarover is in de bestreden beschikking van 17 juli 2013 als volgt geoordeeld: “De rechtbank merkt (…) op dat zij de deskundige vraagt naar de waarde op het moment van waardering, nu deze datum naar verwachting niet ver zal zijn van de datum van feitelijke verdeling (de peildatum zoals overwogen in de beschikking van 26 september 2012).” 3.14.1.Grief 2 van de man zich richt tegen de hoogte van de door de deskundige berekende negatieve waarde. Zij faalt. De klachten die de man formuleert, met name ook de verwijten aan de vrouw, kort gezegd, dat zij te weinig heeft gedaan om de eenmanszaak meer rendabel te maken (of in het vooruitzicht van sluiting van de winkel te weinig heeft gedaan om de verliezen te beperken) hebben betrekking op gedragingen (of beweerd nalaten) van de vrouw in de periode na de peildatum (17 juli 2013). Ten aanzien van de advertentiekosten en ontruimingskosten waarmee de deskundige volgens de man ten onrechte rekening heeft gehouden, stelt de vrouw dat de waardering niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien die kosten niet zouden zijn meegenomen. De man heeft tegenover deze betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd in hoeverre het al dan niet meenemen van deze kosten van invloed is op de waarde van de onderneming. 3.14.
- Grief 3 van de man betreft de peildatum. De man stelt zich op het standpunt dat de onderneming door toedoen van de vrouw sterk in waarde is gedaald (hij verwijst hiervoor naar hetgeen hij in zijn grief 2 heeft aangevoerd), zodat uitgegaan dient te worden van de datum indiening verzoekschrift 24 januari 2012, subsidiair de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking 29 januari
- “In ieder geval dienen de huurlasten en liquidatiekosten niet ten laste van de waardering maar alleen voor de vrouw te komen op basis van de redelijkheid en billijkheid”. 3.14.
- De vrouw voert verweer. Volgens haar heeft de rechtbank terecht “de hoofdregel” gevolgd, dat voor de waarde van de vermogensbestanddelen uitgegaan moet worden van de datum van feitelijke verdeling. Het is terecht dat de huurlasten en liquidatiekosten worden meegenomen. Het betreft immers reeds bestaande verplichtingen dan wel te verwachten en te voorziene kosten verbonden aan de onderneming. 3.14.
- Het hof oordeelt als volgt. De waarde van de goederen voor de verdeling wordt bepaald naar het tijdstip van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen de deelgenoten of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere peildatum voortvloeit. Zie onder meer: HR 22 maart 1996, NJ 1996, 710 m.nt. WMK; HR 6 september 1996, NJ 1997, 593 m.nt. WMK; HR 17 april 1998, NJ 1999, 550; HR 12 februari 1999, NJ 1999, 551, m.nt. WMK; HR 22 september 2000, NJ 2000,
- Ten aanzien van de peildatum ziet het hof in hetgeen door de man is aangevoerd geen reden om uit te gaan van een andere peildatum dan door de rechtbank is bepaald. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zodanig handelen van de vrouw in de periode vóór 17 juli 2013 (waarvoor het hof kortheidshalve verwijst naar hetgeen het dienaangaande overwoog bij de beoordeling van grief 2) dat de peildatum eerder zou moeten liggen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit dat laatste in het onderhavige geval niet voort. 3.14.
- De slotsom van het voorgaande is dat de tweede en derde grief uit het beroepschrift van 2014 falen. Aanslag inkomstenbelasting (grief 4 beroepschrift 2014) 3.
- De rechtbank heeft overwogen dat zowel de naheffingen als de teruggave IB en ZVE door partijen gezamenlijk gedragen respectievelijk gedeeld dienen te worden voor zover deze aanslagen zien op de periode voor 24 januari
- In zijn vierde grief stelt de man dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanslag IB 2011 ter grootte van € 1.471,-- die hem op 1 augustus 2014 bereikte. 3.15.
- Het hof is van oordeel dat deze grief van de man niet kan slagen. Immers, de aanslag heeft betrekking op de periode vóór 24 januari 2012, zodat deze gelet op de overweging van de rechtbank gezamenlijk gedragen dient te worden. Nu tegen deze overweging van de rechtbank door partijen geen grieven zijn gericht, is het aan partijen hieraan uitvoering te geven. Verdeling (grief 7 beroepschrift 2014) 3.
- De zevende grief van de man in het beroepschrift van 2014 luidt als volgt: “Ten onrechte heeft de rechtbank niet een verdeling gemaakt zoals volgens de man dient te behoren opgenomen op bijgevoegde opstelling”. Het hof is van oordeel dat deze grief naast de overige door de man geformuleerde grieven geen zelfstandige betekenis heeft, zodat deze geen verdere bespreking behoeft. Verrekening spaarpremies (grief 9 beroepschrift 2014) 3.
- Ten aanzien van de spaarpremies zijn partijen overeengekomen dat de premies tot 24 januari 2012 zijn voldaan uit gemeenschappelijke bankrekeningen. Voor wat betreft de betalingen na deze datum heeft de vrouw ter zitting van het hof verklaard dat zij daarvan de helft zal dragen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. Stamrecht (incidentele grief 2) 3.
- De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 26 september 2012 (sub 3, onder het kopje “Stamrecht”) als volgt geoordeeld. De aan de man “eind december 2009” toegekende ontslagvergoeding van € 264.702,-- die (…) is ondergebracht in (…) een stamrecht BV” geldt ter vervanging van gederfde en/of te derven inkomsten; het stamrechtvermogen dient te worden beschouwd als een voorziening voor het geval de man na zijn ontslag niet, of niet voldoende in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien. “Weliswaar is de man na dit ontslag (opnieuw) nog meer dan twee jaar bij deze werkgever aan het werk geweest, maar inmiddels is ook dit dienstverband met ingang van 1 juli 2012 beëindigd. Niet gesteld noch gebleken is dat de man in het kader van deze laatste beëindiging enige vergoeding van zijn werkgever, voor wie hij inmiddels meer dan 23 jaar heeft gewerkt, heeft ontvangen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat juist met het oog op de definitieve beëindiging van het dienstverband, ook al heeft deze zich niet feitelijk onmiddellijk na toekenning van de ontslagvergoeding in 2009 gerealiseerd, de man deze ontslagvergoeding heeft ontvangen. Dit betekent dat de vergoeding aan de man is verknocht en derhalve niet in de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te worden betrokken.” Voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is de rechtbank uitgegaan van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank, te weten 24 januari 2012 (bestreden beschikking van 26 september 2012 (sub 3, onder het kopje “Peildatum”)). 3.18.
- De tweede incidentele grief van de vrouw houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de ontslagvergoeding welke is ondergebracht in een stamrecht aan de man is verknocht en derhalve niet in de verdeling van de huwelijksgemeenschap dient te worden betrokken. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de ontslagvergoeding niet aan de man is verknocht, in de verdeling dient te worden betrokken en bij helfte dient te worden verdeeld. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan. “De ontvangen [ontslag] vergoeding [was] bedoeld ter suppletie van een uitkering of een lager inkomen”, maar de man heeft de ontslagvergoeding daartoe niet aangewend. In plaats daarvan heeft de man het gehele bedrag dat hij vanwege de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft ontvangen als spaarpot in de vorm van een stamrecht weggezet voor als hij de 65-jarige leeftijd bereikt. Ook is het “gelet op” de stamrechtovereenkomst “uiteindelijk aan de man te beslissen op welke wijze hij over het stamrecht wil beschikken”. Door de ontslagvergoeding niet aan te spreken als inkomenssuppletie heeft de man een andere bestemming gegeven aan de ontslagvergoeding en is deze thans te kwalificeren als een pensioenvoorziening. Hiermee is de aard van het goed gewijzigd hetgeen niet langer kan leiden tot verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW. De ontslagvoorziening is daarmee gemeenschappelijk geworden en dient volledig in de verdeling van de huwelijksgemeenschap te worden betrokken. De vrouw wijst in dit verband nog op de volgende beschikkingen: Gerechtshof ’s Hertogenbosch 22 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011: BT 6249; Gerechtshof Amsterdam 22 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4094; Gerechtshof Amsterdam 12 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:
- De vrouw heeft in haar incidenteel appel nog verwezen naar de punten 56 tot en met 65 van haar “verweer op zelfstandig verzoek om nevenvoorzieningen” en verzocht die punten als “ingelast” in de incidentele grief te beschouwen. Enige toelichting op deze ingelasting en de relevantie daarvan voor de onderhavige grief en haar daarmee verband houdende verzoek in hoger beroep ontbreekt, maar het hof begrijpt dat de vrouw er op wil wijzen dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap terecht is gekomen door storting op de gemeenschappelijke rekening van partijen. Daarmee is de vergoeding volgens de vrouw gaan behoren tot de huwelijksgemeenschap; het bedrag van de vergoeding moet bijgevolg tussen partijen worden verdeeld. 3.18.
- De man voert hiertegen het volgende aan. De vrouw dient in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het hof in de alimentatieprocedure heeft overwogen dat: “tussen partijen (…) niet in geschil is dat de ontbindingsvergoeding respectievelijk de stamrechtvoorziening bestemd is ter vervanging van gederfde en/of te derven inkomsten van de man, zoals onder meer ook in de stamrechtovereenkomst (…) is bepaald.” (beschikking van dit hof van 11 juli 2013, beroepschrift, prod. 4). Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat een stamrechtuitkering verknocht is wanneer duidelijk is dat de voorziening bedoeld is om inkomstendervingen op te vangen c.q. aan te vullen. De man “moet dat ook doen zeker nu hij geen werk meer heeft sinds januari 2015”. 3.18.3 Het hof oordeelt allereerst over de niet-ontvankelijkheid van de vrouw (waarvan volgens de man sprake is). De door de man geciteerde overweging van het hof in het kader van de alimentatieprocedure brengt niet mee dat de vrouw niet-ontvankelijk (of in zoverre niet-ontvankelijk) moet worden verklaard in haar onderhavige incidenteel appel in de – van de alimentatieprocedure te onderscheiden – verdelingsprocedure (zie over de splitsing van beide procedures rov. 2.1 hiervóór). De bedoelde overweging brengt evenmin mee dat grief 2 in incidenteel appel faalt. Het hof oordeelt voorts als volgt. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW – af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (zie HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009, 41). Tussen partijen staat vast dat de ontslagvergoeding was bedoeld ter suppletie van een uitkering of een lager inkomen. Daarmee is de vergoeding in beginsel verknocht (zie, in die zin, rov. 3.4 van de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad). De omstandigheid dat de man de ontslagvergoeding niet (of niet aanstonds) heeft aangesproken vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 24 januari 2012 maakt nog niet dat de man daarmee een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. De man kan immers zo hebben geleefd dat hij pas op een later moment gebruik hoefde te maken van de inkomenssuppletie. Daarbij komt dat in hoger beroep onbestreden is gebleven het oordeel van de rechtbank dat de man de ontslagvergoeding heeft ontvangen “met het oog op de definitieve beëindiging van het dienstverband” op 1 juli 2012 (tot die tijd is, zo heeft de rechtbank vastgesteld, de man ook nog aan het werk geweest bij zijn werkgever) zodat er voor de man ook geen reden was om de ontslagvergoeding aan te spreken (feiten of omstandigheden die dit anders maken, heeft de vrouw nagelaten te stellen). Op dit punt, dat vaststaat dat de ontslagvergoeding strekt ter suppletie van een uitkering of een lager inkomen verschilt de onderhavige zaak ook van de drie beschikkingen van de gerechtshoven waarop de vrouw zich beroept (waarin dit niet vaststond). Hier is echter aan de orde of de man “nadien” een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. Het beroep dat de vrouw daarvoor doet op de stamrechtovereenkomst is ontoereikend. Anders dan de vrouw meent, heeft de man het bedrag dat hij vanwege de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft ontvangen niet “als spaarpot in de vorm van een stamrecht weggezet voor als hij de 65-jarige leeftijd bereikt” (onderstreping hof). De stamrechtovereenkomst bepaalt slechts dat de stamrecht-bv zich verplicht tot het doen van periodieke uitkeringen “uiterlijk ingaande op de maand waarin [de man] de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt” (onderstreping hof). Ook volgt, zonder nadere toelichting, die de vrouw heeft nagelaten te geven, niet uit de stamrechtovereenkomst dat het “uiteindelijk aan de man [is] te beslissen op welke wijze hij over het stamrecht wil beschikken” en de man aldus een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. De vrouw maakt niet duidelijk op welke bepaling(en) van de stamrechtovereenkomst de vrouw zich voor haar stelling baseert, terwijl in de stamrechtovereenkomst zelf valt te lezen dat: aan de man “in verband met de ontbinding van zijn arbeidscontract (…) een schadeloosstelling ter vervanging van te derven inkomsten is toegekend ten bedrage van € 270.212,92”; “deze uitkering wordt gestort als koopsom voor een stamrecht als bedoeld in artikel 11.1.g van de wet op Loonbelasting 1964 ten laste van [de stamrecht-bv]”; “[11] de periodieke uitkeringen worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloningen”; en, ten slotte, artikel 12 van de stamrechtovereenkomst slechts voorziet in de mogelijkheid de “periodieke uitkeringen bedongen op grond van [de stamrechtovereenkomst] te wijzigen” (dan wel om te zetten) onder in dat artikel strikt omschreven (fiscale) voorwaarden, welke passages er juist niet op lijken te duiden dat de man een andere bestemming (kort gezegd dan inkomenssuppletie) heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. Zoals hiervóór reeds overwogen, is in hoger beroep onbestreden gebleven het oordeel van de rechtbank dat de man de ontslagvergoeding heeft ontvangen “met het oog op de definitieve beëindiging van het dienstverband” op 1 juli 2012 (tot die tijd is, zo heeft de rechtbank vastgesteld, de man ook nog aan het werk geweest bij zijn werkgever). Van aanspraken van de man op inkomenssuppletie die zien op de periode vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap (op 24 januari 2012), en die bijgevolg in de huwelijksgemeenschap vallen (zie in die zin HR 17 oktober 2008, reeds aangehaald), is daarmee geen sprake. Feiten of omstandigheden die dit anders maken, zijn door de vrouw niet gesteld. Zo er al aanspraken van de man op inkomenssuppletie zouden zijn die zien op de periode vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap, heeft de vrouw overigens nagelaten duidelijk te maken wat de hoogte van die aanspraken dan zou zijn (of hoe deze berekend zou kunnen worden). Ook ter zitting van het hof heeft de vrouw nagelaten daarover enige helderheid te verschaffen. In zoverre heeft de vrouw haar grief onvoldoende begrijpelijk toegelicht. Ten slotte kan niet aanvaard worden de stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap terecht is gekomen door storting op de gemeenschappelijke rekening van partijen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de vergoeding van 30 november 2010 tot 1 december 2010 op een gezamenlijke rekening van partijen heeft gestaan niet tot een ander oordeel van de rechtbank (zoals hiervóór weergegeven) kan leiden. Immers, zoals de rechtbank dienaangaande ook heeft geoordeeld, louter op grond van de genoemde omstandigheid kan niet worden aangenomen dat de ontslagvergoeding deel is gaan uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen van partijen. De slotsom van het voorgaande is dat grief 2 in incidenteel appel faalt. Inboedel (incidentele grief 3) 3.
- In haar derde incidentele grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de verdeling van de inboedel niet heeft vastgesteld. De vrouw stelt voor om uit te gaan van de inboedellijst zoals door de man als productie 42 in eerste aanleg is overgelegd. De vrouw wenst de goederen uit de inboedel te ontvangen zoals opgesomd in het petitum van haar incidenteel appel. Het overige kan aan de man worden toegedeeld. De man wordt daardoor ruim overbedeeld en de vrouw stelt voor, dat de man ter zake van die overbedeling een bedrag van € 2.500,-- aan haar dient te betalen en verzoekt het hof aldus te bepalen. Daarnaar gevraagd heeft de vrouw ter zitting van het hof verduidelijkt dat zij het hof verzoekt de verdeling van de inboedel vast te stellen. 3.19.
- Het hof oordeelt als volgt. De man heeft zich tegen het verzoek van de vrouw tot toedeling van de inboedelgoederen zoals opgesomd in het petitum van haar incidenteel appel niet verzet, zodat dit verzoek voor toewijzing gereed ligt. De man heeft wel bezwaar gemaakt tegen de overbedelingsuitkering van € 2.500,--. Nu dit bedrag door de vrouw op geen enkele wijze is onderbouwd, zal het hof dit verzoek van de vrouw afwijzen. 4De beslissing Het hof: op het principaal en incidenteel appel: vernietigt de bestreden beschikkingen van 26 september 2012 en 8 september 2014 voor zover daarin het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan verlaging van de vraagprijs van de echtelijke woning naar een bedrag van € 760.000,-- , bij gebreke waarvan de man vraagt te worden gemachtigd om alleen het huis te verkopen en te leveren, is afgewezen; en in zoverre opnieuw rechtdoende: verleent de man machtiging (artikel 3:174 BW) tot het te gelde maken van de woning aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , voor een bedrag van € 600.000,--; gelast de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap (in aanvulling op de bestreden beschikkingen) voorts als volgt: bepaalt dat de vrouw ter zake van de schilderkosten (rov. 3.10.3.) een bedrag van € 3.796,19 aan de man dient te vergoeden; bepaalt ten aanzien van de spaarpremies betaald na 24 januari 2012 (rov 3.17.), dat de vrouw daarvan de helft zal dragen; bepaalt dat de inboedelgoederen zoals opgesomd in het petitum van het verweerschrift in incidenteel appel worden toegedeeld aan de vrouw, te weten: - naaidoos en alle verdere naaispullen die zich nog in de echtelijke woning bevinden (zoals stoffen, garen, patronen e.d.) - alle verf- en knutselspullen die zich nog in de echtelijke woning bevinden - betonnen ornament/pot “vrouwfiguur” die in de tuin van de echtelijke woning staat - diaprojector/diatafeltje/dia’s En voorts te bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld en (per datum verkoop en levering van de echtelijke woning) ter beschikking worden gesteld de navolgende goederen: - schilderij Nicole rozen - plantentafel (hoog) - houtskooltekening schouw eetkamer - servies Nicole (restant dat zich nog in echtelijke woning bevindt) - grote vaas op driepoot uit de tuin - poster boven bed slaapkamer - kroonluchter logeerkamer - ‘post’-tafeltje gang - kerst-, paas-, sintspullen, bekrachtigt voor het overige de bestreden beschikkingen; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven e T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2015.