GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.154.256/01 arrest van 24 november 2015 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg, tegen [Vastgoedontwikkeling] Vastgoedontwikkeling B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. G.H. Hermanides te Eindhoven, als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 28 oktober 2014 in het incident ex art. 351 Rv in het op het bij exploot van dagvaarding van 11 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 28 mei 2014 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en geïntimeerde - [Vastgoedontwikkeling] - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten 5Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/268822/HA ZA 13-696) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 27 november 2013. 6Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - voornoemd arrest van 28 oktober 2014; - de memorie van antwoord met producties. Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 7De beoordeling 7.1 Onder “2. Feiten” van het vonnis van 28 mei 2014 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Voor zover het hof van oordeel is dat die feiten in dit appel relevant zijn en er niet tegen gegriefd is, zal het hof daarvan uitgaan. Het hof gaat nog van enkele andere feiten uit en zal hierna alle vaststaande feiten weergeven. a. [Vastgoedontwikkeling] heeft tot 26 maart 2012 gehandeld onder de (statutaire) naam [Projecten] Projecten. b. [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder] ) is sedert 18 december 2009 enig bestuurder van [Vastgoedontwikkeling] en staat als zodanig geregistreerd in het Handelsregister. c. [de directeur] (hierna: [de directeur] ) was tot begin 2013 werkzaam bij [Bouw] Bouw [plaats] BV, een zustervennootschap van [Vastgoedontwikkeling] . Hij bezat de volgende door “ [Bouwgroep] Bouwgroep” (de moedermaatschappij van beide vennootschappen) afgegeven schriftelijke machtiging d.d. 11 december 2009 (productie 3 antwoord in conventie): “Machtiging tekenbevoegdheid (…) Naam gegadigde: [Bouwgroep] Bouwgroep Naam rechtsgeldig vertegenwoordiger: de heer [de bestuurder] Functie: Directeur (…) Naam gemachtigde : de heer [de directeur] Functie: Directeur [Bouw] Bouw [plaats] (…) De gegadigde verklaart dat zij de heer [de directeur] machtigt haar te vertegenwoordigen en dat gemachtigde tekenbevoegd is. Was getekend (…)”. d. [appellant] is eigenaar van een perceel aan [het adres] te [plaats] , kadastraal bekend als sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] (hierna: het perceel). e. [Vastgoedontwikkeling] en [appellant] hebben overleg gevoerd om te kijken wat de (on)mogelijkheden waren om op dit perceel een zorgcomplex te ontwikkelen. In dat kader heeft [appellant] met name van doen gehad met [de directeur] . f. Op 4 november 2011 hebben [appellant] en [de directeur] een stuk ondertekend, getiteld “KOOPOVEREENKOMST (BOUW)PERCEEL te [plaats] ”, (hierna: de koopovereenkomst, productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg), onder meer inhoudende: “(…) [appellant] ,(…) hierna te noemen “verkoper” en (…) [Projecten] Projecten BV (of een nader te noemen meester)(…) Ten deze vertegenwoordigd door haar directeur, (…) [de directeur] hierna te noemen “koper” (…) koper verklaart van verkoper te hebben gekocht, gelijk verkoper verklaart aan koper te hebben verkocht een perceel bouwgrond, aan [het adres] te [plaats] , kadastraal bekend als sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] gedeeltelijk en een perceel ten behoeve van de realisatie van onbebouwde voorzieningen, aan [het adres] te [plaats] , kadastraal bekend als sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] gedeeltelijk, kadastraal bekend als sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] gedeeltelijk (…) artikel 1: koopprijs De koopprijs (…) bedraagt € 25.000,00 excl. BTW k.k. per woon(zorg)appartement dat op het verkochte kan worden gerealiseerd met een minimum van 48 appartementen en een maximum van 60 (…). artikel 2: notariële akte van levering, datum van levering Levering zal plaatsvinden op 1 maart 2012 of zoveel eerder als mogelijk. (…) artikel 4: betaling Betaling van de koopsom vindt plaats in 2 termijnen. De 1e termijn een aanbetaling, groot € 250.000,00 te betalen voor 1-12-2011. De 2e termijn te betalen voor het verlijden van de (…) akte van levering(…)”. g. Op 6 december 2011 werd door notaris [notaris] te [plaats] een akte verleden waarbij [appellant] en zijn ex-echtgenote hypotheek verleenden aan [Projecten] Projecten B.V. De akte (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) houdt in: “(…) tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de hypotheeknemer nu of te eniger tijd van ( [appellant] ) te vorderen mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, dan wel uit welken andere hoofde ook, verklaarde de hypotheekgever hypotheek te verlenen tot een bedrag van (…) € 250.000,00 (…)), te vermeerderen met renten en kosten, (…) op: (…) [het adres] , kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] (…)”. h. Op 8 december 2011 heeft [Projecten] Projecten B.V. € 250.000,- overgemaakt op de derdengeldenrekening van notaris [notaris] met als omschrijving “hypotheek [appellant] ”. De notaris heeft dit bedrag overgeboekt naar [appellant] met als omschrijving: “lening/ voorschot [Vastgoedontwikkeling] ”. i. De andermaal (zie nr. 6 memorie van antwoord) bij memorie van antwoord als productie 25 overgelegde brief op briefpapier van [Bouw] Bouw [plaats] BV en ondertekend door [de directeur] van 23 november 2012 aan [appellant] houdt in, voor zover relevant: “(…) kenmerk: [kenmerk] (…) [Vastgoedontwikkeling] zal het verkochte gebruiken voor de realisatie van 60 wooneenheden voor de zorg. De definitieve omvang van het terrein en het aantal wooneenheden is op bijgaande tekening aangegeven. (…) In onze opdracht is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en is er (…) nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd. (…) Deze rapporten zijn u verstrekt. Uit de analyseresultaten blijkt dat er een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en zink aanwezig is op de locatie. Daarnaast blijkt uit de analyseresultaten dat er een matige verontreiniging met PAK is aangetroffen. Een saneringsplan waaruit blijkt welke maatregelen en in welke omvang deze maatregelen genomen gaan worden zien wij per ommegaande tegemoet. Na ontvangst zullen wij beoordelen of de te nemen maatregelen voor ons, bij levering, de geschiktheid van de bodem en grondwater van het verkochte voldoende garanderen. (…)”. j. De als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief van 23 november 2012 op briefpapier van [Bouw] Bouw [plaats] BV , hierna “het addendum” houdt in, voor zover relevant: “(…) Geachte heer [appellant] , In afwijking van bijgaand schrijven, d.d. 23 november 2012, met het kenmerk [kenmerk] , zijn wij met u overeengekomen als volgt: Datum van levering: Levering zal plaatsvinden op een tussen partijen te bepalen moment, echter uiterlijk op 1-6-2013; [Vastgoedontwikkeling] heeft de mogelijkheid deze termijn te verlengen met 6 maanden tot uiterlijk 1-12-2013. Bodem en grondwatervervuiling: a. Door Milon is een verkennend en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (…). Gelet op de aard en mate van verontreiniging dient er een sanering plaats te vinden. Verkoper draagt zorg voor een saneringsplan en voor het kunnen leveren van een “onverdachte” locatie. (…) Betaling: (…) Voor de betaling van rente is een percentage van 5,5% per jaar overeengekomen. (…) Een nabetaling van rente zal geschieden indien er 60 eenheden gerealiseerd kunnen worden. Voor deze nabetaling is een rente van 5,5% per jaar overeengekomen. De eventuele betaling zal geschieden over het verschil van de koopsom tussen 48 en 60 eenheden, over de periode van 01-12-2012 tot datum van feitelijke levering. (…)”. Aan het slot van de brief is links vermeld “ [Bouw] Bouw [plaats] BV” en daaronder staat de handtekening van [de directeur] . Rechts is vermeld “ [appellant] ”, en daaronder staat de handtekening van [appellant] . k. De tijdens de comparitie na antwoord overgelegde brief op briefpapier van [Bouw] Bouw [plaats] BV van 23 november 2012, afkomstig van en ondertekend door [de directeur] in persoon en gericht aan en ondertekend door [appellant] (productie 27 memorie van antwoord), hierna “de side letter”, houdt in, voor zover relevant: “(…) Middels bijgaande brief van 23 november jl. onder punt 3, zijn wij overeengekomen dat er aan u een “nabetaling van rente” wordt gedaan. (…) Het rentebedrag gelijk aan het rentebedrag overeenkomstig het bepaalde in punt 3 van bijgaande brief wordt door u aan mij, uiterlijk binnen 14 dagen, na betaling door [Vastgoedontwikkeling] aan mij betaald. (…)” l. Op 16 december 2013 heeft de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch de klacht van [Vastgoedontwikkeling] dat de notaris de hiervoor aangehaalde akte van hypotheek op 6 december 2011 heeft verleden zonder daartoe door haar gevolmachtigd te zijn, gegrond verklaard (productie 4 memorie van grieven). De kamer overwoog hierbij onder meer: “(…) Gezien de rol van klaagster die er van op de hoogte was dat [de directeur] namens haar onderhandelingen voerde met [appellant] , de gemeente en de zorginstelling over het realiseren van een woon-/zorgcomplex op de percelen die [appellant] wilde verkopen, alsmede de omstandigheid dat klaagster heeft ingestemd met de betaling (via de derdengeldrekening van de notaris) van (…) € 250.000,00 aan [appellant] zonder zelf de achterliggende reden voor deze betaling (schriftelijk) vast te leggen en door [appellant] te laten bevestigen, ziet de kamer geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel. (…)” 7.2 [Vastgoedontwikkeling] heeft in eerste aanleg in conventie en na wijziging eis gevorderd, samengevat, a. voor recht te verklaren dat [Vastgoedontwikkeling] ten opzichte van [appellant] niet is gebonden aan de koopovereenkomst en alle daaruit voortvloeiende nadere overeenkomsten en verplichtingen, waaronder, doch niet uitsluitend begrepen, de brief van 23 november 2012, het addendum van 23 november 2012 en de side letter, althans voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst en alle daaruit voortvloeiende nadere overeenkomsten en verplichtingen, waaronder doch niet uitsluitend begrepen de brief van 23 november 2012, het addendum van 23 november 2012 en de side letter, nietig, althans vernietigd, althans ontbonden zijn, en b. [appellant] te veroordelen aan [Vastgoedontwikkeling] € 250.000,- te betalen met rente vanaf 1 mei 2013, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 7.2.2 [appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, samengevat, veroordeling van [Vastgoedontwikkeling] op straffe van verbeurte van een dwangsom om de verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst inclusief het addendum van 23 november 2012 na te komen met veroordeling van [Vastgoedontwikkeling] in de kosten van het geding. 7.2.3 De rechtbank heeft bij vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht verklaard dat [Vastgoedontwikkeling] ten opzichte van [appellant] niet gebonden is aan de koopovereenkomst en alle daaruit voortvloeiende nadere overeenkomsten en verplichtingen, waaronder, doch niet uitsluitend begrepen, de brief van 23 november 2012, het addendum van 23 november 2012 en de side letter; - [appellant] veroordeeld om aan [Vastgoedontwikkeling] € 250.000,- te betalen, vermeerderd met de rente als bedoeld in art. 6:119 BW hierover met ingang van 1 mei 2013 tot de dag der algehele voldoening met rente vanaf 1 mei 2013; - [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De vordering in reconventie is afgewezen met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. 7.3 [appellant] vordert in dit appel onder het voordragen van 17 grieven dat het hof het vonnis zal vernietigen, de door [Vastgoedontwikkeling] ingestelde vorderingen zal afwijzen en de door hem ingestelde vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [Vastgoedontwikkeling] in de kosten van beide instanties en tot terugbetaling aan [appellant] van de proceskosten die [appellant] naar aanleiding van het genoemde vonnis aan [Vastgoedontwikkeling] heeft of zal moeten betalen, met bepaling dat [Vastgoedontwikkeling] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd wordt, indien zij deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest heeft voldaan. [Vastgoedontwikkeling] heeft bij memorie van antwoord de grieven weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van de procedure. 7.4 In zijn eerste grief klaagt [appellant] erover dat de rechtbank niet heeft vermeld dat de kamer voor het notariaat geen tuchtmaatregel heeft opgelegd. Het hof heeft hiervoor in r.o. 7.1 in sub l vermeld dat de kamer geen aanleiding heeft gezien voor het opleggen van een maatregel, zodat de grief, die overigens niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis omdat geen enkele rechtsoverweging in dat vonnis berust op het feit dat al dan niet een maatregel is opgelegd, verder geen behandeling behoeft. 7.5 In zijn tweede grief voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld “In een brief van 23 november 2012 van [de directeur] aan [appellant] en in een addendum van die datum op de koopovereenkomst (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg) wordt de koopovereenkomst nader ingevuld/gewijzigd. In een side letter staat de afspraak tussen [de directeur] en [appellant] tot doorbetaling aan [de directeur] van door [appellant] van [Vastgoedontwikkeling] te ontvangen rente.”. [appellant] stelt dat de koopovereenkomst geen andere inhoud heeft gekregen op 23 november 2012 (in zijn toelichting op deze grief vermeldt [appellant] per abuis “2013”). De rechtbank heeft als vaststaand feit in r.o. 2.8 van het vonnis inderdaad opgenomen het in deze rechtsoverweging hiervoor cursief weergegevene. De grief kan onbesproken blijven, alleen al omdat [appellant] niet heeft vermeld op welke wijze het slagen van deze grief kan leiden tot toewijzing van hetgeen hij in dit beroep heeft gevorderd. 7.6 De grieven 3 tot en met 12 lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. In die grieven voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [de directeur] geen volmacht had om [Vastgoedontwikkeling] te vertegenwoordigen en dat geen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan op grond waarvan [appellant] erop mocht vertrouwen dat [de directeur] [Vastgoedontwikkeling] mocht vertegenwoordigen. 7.7.1 Indien het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] [de directeur] voor vertegenwoordigingsbevoegd mocht houden en de grieven derhalve zouden slagen, dient het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep te oordelen over door de rechtbank in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde gronden die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven. Hierbij dient dan in elk geval aan de orde te komen de stelling van [Vastgoedontwikkeling] dat de koopovereenkomst is ontbonden bij brief van 17 april 2013 (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg), waarin een beroep is gedaan op art. 13 sub c van de koopovereenkomst (zie nr. 89 en verder conclusie van antwoord in reconventie). Het hof acht termen aanwezig om eerst dat ontbindingsberoep te beoordelen, en gaat er daarbij stellenderwijs van uit dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is gesloten. [appellant] is van mening dat slechts in uitzonderingsgevallen een beroep mag worden gedaan op art. 13 sub c en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid volstrekt onaanvaardbaar is dat [Vastgoedontwikkeling] in 2014 ongemotiveerd feiten en omstandigheden aandraagt op grond waarvan de overeenkomst zou mogen worden ontbonden omdat reeds in maart 2012 zou worden afgenomen. [appellant] stelt verder dat de overeenkomst in die zin helder is dat het ontwikkelrisico geheel bij [Vastgoedontwikkeling] ligt. Hij betwist dat AmaliaZorg als mogelijk partner voor het project heeft afgehaakt. 7.7.2 Ter zake het beroep op ontbinding oordeelt het hof als volgt. Art. 5 sub d van de koopovereenkomst houdt in: “Het door koper voorgenomen toekomstig gebruik geschiedt voor risico van koper voor wat betreft het hiertoe verkrijgen van het correcte onherroepelijke planologische (bebouwings- en gebruiks-)kader (…) en de benodigde onherroepelijke (omgevings)vergunning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.