GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.156.719/01 arrest van 8 december 2015 in de zaak van 1 [appellante 1] V.O.F., en haar vennoten 2. [appellant 2] , 3. [appellante 3] , gevestigd/wonende te [woonplaats] , appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel, verder in vrouwelijk enkelvoud aan te duiden als: [appellanten] , advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven, tegen: 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2] , echtelieden, beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel, verder in mannelijk enkelvoud aan te duiden als: [geïntimeerden] , advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Leusden, op het bij exploot van dagvaarding van 3 september 2014 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnissen van 19 februari 2014 en 20 augustus 2014 tussen [geïntimeerden] als eiser en [appellanten] als gedaagde, naast [Bouwbedrijf] Bouwbedrijf v.o.f. (verder: [Bouwbedrijf] ) als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 202774/HA ZA 09-2672) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 21 juli 2010 en 15 juni 2011. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 3 september 2014; - de memorie van grieven van [appellanten] van18 november 2014 met producties; - de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van [geïntimeerden] van 27 januari 2015; - de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellanten] van 10 maart 2015 met een productie. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep In het principaal appel en in het incidenteel appel Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4De beoordeling In het principaal appel en in het incidenteel appel 4.1 Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende. [geïntimeerden] is sinds eind 2002 eigenaar en sinds april 2003 bewoner van de woning aan de [straatnaam 1][nr 1] te [woonplaats] . Hij heeft in 2003 de bijkeuken doen afbreken en opnieuw opbouwen in verband met verzakking ervan. [appellanten] heeft in de periode van oktober 2005 tot april 2006 een ingrijpende verbouwing doen uitvoeren aan haar winkelpand annex woonhuis aan de [straatnaam 2][nrs 1-2] te [woonplaats] . Het perceel van [appellanten] grenst aan de achterzijde aan de tuin van het perceel van [geïntimeerden] . De werkzaamheden zijn uitgevoerd door [Bouwbedrijf] . Bestek en tekeningen voor de verbouwing zijn in opdracht van [appellanten] opgesteld door Bouwtechnisch Adviesburo [Bouwtechnisch Adviesburo] BV (verder: [Bouwtechnisch Adviesburo] ). Onderdeel van de verbouwing was de aanleg van een onderkelderde aanbouw. In verband met de aanleg van de kelder heeft op het perceel van [appellanten] in de periode van begin september 2005 tot 18 november 2005 bemaling ter verlaging van de grondwaterstand plaatsgevonden. Na de verbouwing is aan het woonhuis en het tuinhuisje van [geïntimeerden] schade vastgesteld die volgens de door hem ingeschakelde expert is veroorzaakt door de werkzaamheden bij [appellanten] . De schade betreft scheurvorming in de woning en verschuiving van het tuinhuisje ten opzichte van de fundering ervan. [geïntimeerden] heeft zowel [appellanten] als [Bouwbedrijf] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. [appellanten] en [Bouwbedrijf] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen. Bij dagvaarding van 10 november 2009 heeft [geïntimeerden] een procedure tegen [appellanten] en [Bouwbedrijf] geëntameerd. [Bouwbedrijf] en [appellanten] hebben elkaar over en weer in vrijwaring opgeroepen, terwijl [Bouwbedrijf] tevens [Bouwtechnisch Adviesburo] in vrijwaring heeft opgeroepen. Dit heeft geleid tot de volgende zaken: Hoofdzaak met zaak-/rolnummer 202774/HA ZA 09-2672 tussen [geïntimeerden] als eiser en [appellanten] en [Bouwbedrijf] als (afzonderlijk optredende) gedaagden. Eerste vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 208314/HA ZA 10-597 tussen [Bouwbedrijf] als eiseres en [appellanten] als gedaagde. Tweede vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 208317/HA ZA 10-598 tussen [Bouwbedrijf] als eiseres en [Bouwtechnisch Adviesburo] als gedaagde. Derde vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 212327/HA ZA 10-1241 tussen [appellanten] als eiseres en [Bouwbedrijf] als gedaagde. 4.2 Bij tussenvonnis van 21 juli 2010 heeft de rechtbank in de hoofdzaak en de drie vrijwaringszaken een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 21 januari 2011 plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid is het inwinnen van een deskundigenbericht besproken en hebben alle partijen daarmee ingestemd. Bij tussenvonnis van 15 juni 2011 is vervolgens in alle zaken een deskundigenonderzoek bepaald met benoeming van ir. [deskundige 1] van TNO tot deskundige. Op 1 juli 2013 is het rapport gedeponeerd van deze deskundige en de door hem ingeschakelde deskundige ir. [deskundige 2] van Deltares. Vervolgens heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 19 februari 2014 het deskundigenbericht besproken en in de hoofdzaak opnieuw een comparitie van partijen bepaald, onder aantekening dat [Bouwtechnisch Adviesburo] daarbij eveneens aanwezig kon zijn. De comparitie heeft op 1 juli 2014 in aanwezigheid van alle betrokken partijen plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 20 augustus 2014 heeft de rechtbank in de hoofdzaak de vordering van [geïntimeerden] tegen [appellanten] gedeeltelijk toegewezen en tegen [Bouwbedrijf] afgewezen, terwijl in de drie vrijwaringszaken de vorderingen zijn afgewezen. 4.3 In de hoofdzaak tussen [geïntimeerden] en [Bouwbedrijf] heeft [geïntimeerden] hoger beroep ingesteld en heeft [Bouwbedrijf] voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld; dit hoger beroep is bij dit hof aanhangig onder zaaknummer HD 200.161.864/01. In de derde vrijwaringszaak, tussen [appellanten] en [Bouwbedrijf] heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld; dit is bij dit hof aanhang onder zaaknummer HD 200.157.733/01. In de eerste vrijwaringszaak, tussen [Bouwbedrijf] en [appellanten] , en in de tweede vrijwaringszaak, tussen [Bouwbedrijf] en [Bouwtechnisch Adviesburo] , is geen hoger beroep aanhangig. Het onderhavige hoger beroep betreft de hoofdzaak tussen [geïntimeerden] en [appellanten] . 4.4 In deze procedure stelt [geïntimeerden] dat de uitvoering van de werkzaamheden, met name de verlaging van de grondwaterstand, heeft geleid tot verzakkingen en schade aan en bij zijn woning. Volgens [geïntimeerden] was voorzienbaar dat de werkzaamheden dergelijke schade tot gevolg konden hebben en heeft [appellanten] nagelaten de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om dat te voorkomen. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellanten] hierdoor jegens hem onrechtmatig gehandeld en is zij (naast [Bouwbedrijf] ) aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. De schade beloopt volgens [geïntimeerden] ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg een bedrag van € 63.730,=. Op grond hiervan vordert [geïntimeerden] , samengevat, een verklaring voor recht dat [appellanten] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, een verklaring voor recht dat deze schade het bedrag van € 63.730,= beloopt, veroordeling van [appellanten] tot betaling van dit bedrag en van verdere schade, op te maken bij staat, met rente en (buitengerechtelijke) kosten. Een en ander betreft tevens (hoofdelijk) [Bouwbedrijf] . [appellanten] heeft de vorderingen van [geïntimeerden] bestreden. Volgens haar heeft zij bij de uitvoering van de verbouwing niet onzorgvuldig gehandeld en houdt de schade aan de woning van [geïntimeerden] geen verband met de werkzaamheden daarvoor, met name bij de aanleg van de kelder. Zij voert in dit verband onder meer aan dat de woning van [geïntimeerden] sinds een verbouwing in 1975 kwetsbaar is geworden voor schade zoals nu is opgetreden. 4.5 In het tussenvonnis van 15 juni 2011 heeft de rechtbank de vraagstelling voor het deskundigenbericht opgenomen en in het tussenvonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank de bevindingen en de conclusies van de deskundigen naar aanleiding daarvan overgenomen. Een en ander is niet bestreden zodat ook het hof hiervan uitgaat. In hoger beroep betreft de discussie tussen partijen de vraag of en in hoeverre de vorderingen van [geïntimeerden] jegens [appellanten] op basis van het deskundigenbericht toewijsbaar zijn. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 20 augustus 2014 [appellanten] en haar vennoten hoofdelijk veroordeeld tot, samengevat, betaling van 75% van de schade ten gevolge van de door [appellanten] in 2005/2006 uitgevoerde verbouwing, op te maken bij staat, en tot betaling van € 3.246,94 aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2009, met bepaling dat 75% van de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van [appellanten] komt, compensatie van de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het principaal appel van [appellanten] strekt ertoe dat de vorderingen van [geïntimeerden] jegens haar geheel worden afgewezen. Het incidenteel appel strekt tot bekrachtiging van het eindvonnis met uitzondering van het door de rechtbank gehanteerde percentage, dat volgens [geïntimeerden] moet worden gesteld op 100%, althans op meer dan 75%. 4.6 Het hof zal hierna de volledige vraagstelling en de beantwoording daarvan zoals opgenomen in het deskundigenbericht weergeven. Vraag 1 Kan de deskundige schade aan de woning en het tuinhuisje van [geïntimeerden] vaststellen die een van buiten komende oorzaak heeft? Het gaat daarbij meer in het bijzonder om de schade die de partij-experts CED/Nomex alsook [deskundige 3] & [deskundige 4] hebben waargenomen, zonder uit te zonderen eventuele schade die daarna nog is ontstaan of verergerd. Antwoord op vraag 1 Een deel van de schade aan de woning van [geïntimeerden] is veroorzaakt door zettingen en zettingsverschillen. Deze zettingen en zettingsverschillen zijn veroorzaakt door een combinatie van: de lokaal hogere funderingsdrukken die zijn ontstaan door de verbouwing in 1975; de mogelijk meer zettingsgevoelige grond onder de bijkeuken; de grondwaterstandsverlaging die is toegepast bij de verbouwing bij [appellanten] . of door een combinatie van: de lokaal hogere funderingsdrukken die zijn ontstaan door de verbouwing in 1975; de mogelijk meer zettingsgevoelige grond onder de bijkeuken; een andere medeoorzaak, waarbij gedacht kan worden aan een defect aan de afvoerleiding onder de woning van [geïntimeerden] . Bij de eerste combinatie zijn de twee eerste medeoorzaken interne oorzaken terwijl de derde medeoorzaak een van buiten komende oorzaak is, die als het ware ‘de druppel was die de emmer deed overlopen’. Bij de tweede combinatie gaat het alleen om interne oorzaken. Voor andere (mede)oorzaken voor de schade zijn geen aanwijzingen gevonden. Vraag 2 Wat is de oorzaak of zijn de medeoorzaken van díe schade? Daarbij ware geen oorzaak uit te sluiten. Te denken valt aan de in 2005/2006 plaatsgevonden hebbende verbouwing van het pand van [appellanten] , maar als de deskundige andere factoren als (mede)oorzaak van het pand ontwaart, zoals kennelijk oudere scheurvorming of zwaar verkeer, dient hij daar melding van te maken. Meer in het bijzonder ware aandacht te besteden aan de volgende subvragen: Hebben de belendende percelen aan de [straatnaam 2] wel of geen schade van de bouw ondervonden, en indien neen waarom bij [geïntimeerden] dan wel? Neemt de schade aan het pand nog steeds toe en zo ja waarom? Is de in 2003 nog bestaand hebbende verzakte bijkeuken, die toen is afgebroken en geheel opnieuw is opgebouwd, voor de vraagstelling van belang? Antwoord op vraag 2 Het antwoord op de vraag naar de oorzaak van de zettingsgerelateerde schade in de woning van [geïntimeerden] is reeds gegeven in het antwoord op vraag 1. De overige aanwezige schade is veroorzaakt door krimp, temperatuurvariaties en/of (verkeers)trillingen. Overigens is deze overige schade minimaal en kan worden hersteld door normaal onderhoud. De schade aan het tuinhuisje betreft een geringe verplaatsing van enkele betonstenen, waarop het tuinhuisje staat. Wat de oorzaak is van deze schade is niet te bepalen. De omvang van deze schade, voor zover al van schade kan worden gesproken, is overigens nihil. Het antwoord op de gestelde subvragen is: De overige panden aan de [straatnaam 2] en aan de [straatnaam 1] hebben geen schade ondervonden, met uitzondering van het pand aan de [straatnaam 2][nr 3] . In dat pand was sprake van enkele haarscheurtjes in de muur direct naast de bouwput en een haarscheur in de langs- en stootvoegen van het buitenmetselwerk onder het keukenraam. Ten opzichte hiervan is de schade aan de woning van [geïntimeerden] uitzonderlijk. Als de verlaging van de grondwaterstand voor deze schade een rol heeft gespeeld, dan is deze schade alleen verklaarbaar door de bijzondere omstandigheden bij de woning van [geïntimeerden] , te weten de verbouwing in 1975 en de mogelijk meer zettingsgevoelige grond onder de bijkeuken. De schade is toegenomen na de eerste waarneming daarvan in 2006 en na de eerste opname door CED Nomex in 2007. De oorzaak daarvan is dat een nieuw evenwicht moet worden gevonden bij een steeds langzamer toenemende zetting. Dit kan tot enkele jaren na het ontstaan van de schade in 2006 duren. De verzakking van de bijkeuken vormt een indicatie van meer zettingsgevoelige grond daaronder. Dat kan, zoals eerder aangegeven, een medeoorzaak zijn van de schade en is in die zin dus van belang. Vraag 3 Als de schade (mede) is veroorzaakt door de verbouwing ín 2005/2006 van het pand van [appellanten] in welke mate heeft daaraan dan bijgedragen: a. De wijze waarop damwanden / grondkerende constructies zijn uitgevoerd. Daarbij ware aandacht te besteden aan de omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.