Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-001469-14 Uitspraak : 20 februari 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-700450-13 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Hoger beroep Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van - kort gezegd - als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland verblijven (feit 1) en bezit van heroïne (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, althans ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis vernietigen, omdat het tot andere bewezenverklaringen komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 26 juli 2013 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenste vreemdeling was verklaard; 2.hij op of omstreeks 26 juli 2013 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 26 juli 2013 in de gemeente Maastricht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenste vreemdeling was verklaard; 2.hij op 26 juli 2013 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,5 gram heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen De onderstaande bewijsmiddelen maken onderdeel uit van het dossier van de politie Limburg Zuid, registratienr. PL2411 2013080225, sluitingsdatum 28 juli 2013. Ten aanzien van feit 1: 1. Een beschikking van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 22 augustus 1997, voor zover inhoudende (p. 39A-39B): DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Op 10 oktober 1996 heeft de Korpschef van politieregio Zeeland een voorstel ingediend om de vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, [verdachte], geboren op [geboortedatum], ongewenst te verklaren ex artikel 21 van de Vreemdelingenwet. BESLUIT: betrokkene ongewenst te verklaren ex artikel 21 van de Vreemdelingenwet. Den Haag, 22 augustus 1997 namens de Staatssecretaris voornoemd, het Hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst 2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 juli 2013, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte (p. 34-36): V: Wat zijn uw persoonsgegevens? A: Nationaliteit: Marokkaanse V: Weet u dat u tot ongewenst vreemdeling bent verklaard? A: Ja. V: Is dat u in een beschikking persoonlijk uitgereikt? A: Ja. V: Sinds wanneer verblijft u weer in Nederland? A: Vanaf gisteren (hof: 26 juli 2013) ben ik in Nederland. De beslissing dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan, berust voorts op de inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen 3 en 6, voor zover inhoudende dat de verdachte op 26 juli 2013 in Maastricht was. Ten aanzien van feit 2: 3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2013, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [V1] en [V2] (p. 6-7): Op 26 juli 2013 zagen wij een mannelijk persoon staan aan het Orleansplein in Maastricht. Wij zagen dat de mogelijke koper sprak met een voor ons onbekende persoon, de later te noemen verdachte [verdachte]. Ik, [V2], fouilleerde [verdachte]. Ik, [V2], trof in de rechterachterbroekzak een plastic zakje aan. Wij zagen dat de inhoud van het zakje qua samenstelling en uiterlijke kenmerken sterk overeenkwam met de kenmerken van heroïne. Verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] in Marokko 4. Een (stam)proces-verbaal d.d. 20 augustus 2013, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [V3] (p. 1-5): (p. 2) Bij [verdachte] werden de navolgende verdovende middelen aangetroffen: 1 plastic zakje bruin poeder, op heroïne gelijkende stof met een gewicht van 3,16 gram bruto. (p. 3) Van de bij [verdachte] aangetroffen en inbeslaggenomen op verdovende middelen gelijkende stoffen (SIN-nummer AAEJ3251NL) zijn monters en/of gehele partijen voor analyse opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut. 5. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 augustus 2013, voor zover inhoudende als bevindingen en/of conclusies van ing. A.B.M. van Esch-de Bruin, NFI-deskundige forensische drugsanalyse (p. 42-43): Resultaten en conclusie Kenmerk Omschrijving Conclusie AAEJ3251NL volgens opgave bruto 3,16 gram, bevat heroïne beige poeder in een gripzakje 6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 juli 2013 te 10:14 uur, voor zover inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van de verdachte (p. 25-27): Ik was gisteren (hof: 26 juli 2013) in Maastricht. Ik had 2,5 gram heroïne in bezit. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs Rechtmatigheid van de bewijsgaring (feit 1 en 2) De raadsman heeft primair vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat ervan moet worden uitgegaan dat de staandehouding en fouillering van de verdachte hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een verdenking dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan een overtreding van de Opiumwet. Er was echter geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een dergelijke overtreding, nu de verbalisanten in wezen slechts hebben opgetreden op grond van een subjectief vermoeden dat er een drugstransactie werd uitgevoerd. Dit levert een - zich structureel voordoend - vormverzuim op dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van zowel het aantreffen van de heroïne als de vaststelling van de identiteit van de verdachte, derhalve tot vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2013 (p. 6-7) van de verbalisanten [V1] en [V2] blijkt het volgende. De verbalisanten waren op 26 juli 2013 omstreeks 19:50 uur in Maastricht belast met het project DOEN (DrugsOverlastEffeNiet). Zij waren gekleed in burgerkleding en reden in een onopvallend dienstvoertuig. Door meldingen van het gemeentelijke drugsmeldpunt en de wijkagent waren zij ervan op de hoogte dat in de omgeving van het Orleansplein te Maastricht veelvuldig verdovende middelen werden verkocht. De verbalisanten zagen omstreeks 19:55 uur een man staan aan het Orleansplein. De man keek op zoekende wijze om zich heen en liep steeds heen en weer over het Orleansplein en de Orleansstraat. De man had een grauwe bleke huidskleur en een mager gelaat en hij zag er onverzorgd uit. De verbalisanten herkenden het gedrag van de man als het gedrag van personen die verslaafd zijn en zoekende zijn naar een drugsdealer. De man, door de verbalisanten aangeduid als mogelijke koper, werd meerdere keren gebeld en bleef over de Orleansstraat heen en weer lopen. De mogelijke koper werd opeens gebeld en liep in de richting van het Orleansplein. De mogelijke koper sprak vervolgens met de verdachte. De verdachte zat op een fiets en stak zijn rechterhand uit naar de mogelijke koper en gaf een onbekend klein voorwerp aan hem over. De mogelijke koper liep vervolgens met versnelde pas weg. De verdachte fietste hierop weg in de richting van de Sint Annalaan. De verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er een drugsdeal had plaatsgevonden tussen de mogelijke koper en de verdachte. Zij reden naar de Sint Annalaan. Verbalisant [V2] stuurde het dienstvoertuig in de richting van de verdachte en verliet terstond het dienstvoertuig. [V2] vroeg aan de verdachte een geldig legitimatiebewijs ter inzage. De verdachte verklaarde geen geldig legitimatiebewijs in het bezit te hebben. [V2] zag dat de verdachte meerdere malen zijn hand in zijn linkerachterbroekzak stopte en weer snel daaruit haalde. [V2] en [V1] zagen dat verdachte trilde en zichtbaar nerveus was. [V2] fouilleerde de verdachte. Daarbij werd in de rechterachterbroekzak een plastic zakje aangetroffen met, naar later bleek, heroïne. Met de advocaat-generaal en de raadsman gaat het hof, in het bijzonder gelet op het hiervoor onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.